Skip to main content

Full text of "Gort met stroop"

See other formats


Gort met stroop 

OVER GESCHIEDENIS EN 
VOLKSLEVEN VAN 

ï 

ZAND VOOR 
AAN 




MET BIJDRAGEN VAN 

ELISABETH BAKELS, W. M. B. BOSMAN, 

DR. TJ. W. R. DE HAAN, G. N. DE HEER, 

DRS. R. C. HEKKER, DR. G. H. KURTZ, 

P. VAN DER MIJE KCZN, C. VARKEVISSER, 

ONDER REDAKTIE VAN 

DR. TJ. W. R. DE HAAN 



MCMLXVIII 

KRUSEMAN'S UITGEVERSMAATSCHAPPIJ N.V. 

DEN HAAG 



Gort met stroop, 

Is dat geen lekker eten? 

Gort met stroop, 

Is dat geen lekker doop? 

Zandvoortse volksdans 



Op Zandvoort is het goed te zijn ! 
Men leeft er vrij en frisch: 
Men eet bij lekk're witte wijn 
Een kostelijke visch. 

Men ziet er heeren hoog van stand 
En dames wonder fraai, 
En visscherlieden bruingebrand, 
Gekleed in roode baai. 

Handboekje voor Zandvoort, 1913 



Deze uitgave verschijnt onder auspiciën van de Volkskundecommissie 
van de Vereniging 'Haerlem' en het Nederlands Volkskundig 
Genootschap, als derde deel in de serie 'Stad en Dorp'. 

Typografische vormgeving: Aldert Witte 

Druk: C. Haasbeek n.v., Alphen aan den Rijn 

Bindwerk: L. van Wijk & Zn., Utrecht 

© 1968. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of 
openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm 
of op welke andere wijze ook, zonder voorafgaande schriftelijke 
toestemming van de uitgever. 



Ten geleide 



'Vertel eens, van toen u nog klein was... toen u nog op school ging... 
toen u bij uw eerste baas kwam...' '...En wat deed grootvader toen... 
wat zei grootmoeder...?' 

Wie kent dit soort vragen niet van zijn kinderen; wie herinnert die 
niet van zichzelf uit de eigen jeugd? 

Miljoenen keren zijn dit soort vragen gesteld in alle talen, door tel- 
kens weer nieuwe generaties, eeuwen en eeuwen lang en zij zullen tel- 
kens opnieuw gesteld worden door nieuwe generaties kinderen, overal 
ter wereld. 

Het is een blijk van het zich vaag bewust worden bij het opgroeiende 
kind van het begrip tijd. Het bekende wereldje om hem heen, het heden 
is er weliswaar, maar er moet een 'vroeger' zijn geweest. 
Hoe was dat 'vroeger'? Hoe zag vader eruit als jongen en moeder als 
meisje, wat deden zij toen, wat speelden zij? Waren er in die tijd nog 
geen...? Hoe maakten de mensen dan...? Wie hebben... gebouwd? 
Konden zij dat toen al? En hoe was het dan in de tijd van grootvader 
en van diens vader en diens vader en...? 

Wie herinnert zich ook niet de groeiende bewondering en eerbied 
voor de prestaties van de mensen die vroeger, zo lang geleden, leefden 
en werkten; en hoe het opgeroepen beeld van die wereld van vroeger 
allengs duidelijker werd en, met het zelf ouder en volwassener wor- 
den, ook betekenis ging krijgen voor het eigen leven. 
Hoe het besef groeide, dat allerlei wat vroeger geschiedde en verricht 
werd en tot stand kwam ook gebreken en fouten had. Gebreken en 
fouten die alleen doordat zij er zijn en gemaakt werden, als zodanig 
herkend konden worden en die onszelf kunnen behoeden voor het 
maken van dezelfde fouten. En dat wijzelf op onze beurt ook weer 
fouten zullen maken. 

Dit boekje heeft dunkt mij als voornaamste doel, voor wat Zandvoort 
betreft, op vragen zoals hierboven aangegeven te antwoorden. Die 
antwoorden geven ook voor Zandvoort een beeld van het leven, het 
werken, het lijden en strijden, de vreugden en de moeilijkheden, de 
tegenslagen en de successen, de deugden en de gebreken van het voor- 
geslacht. 

Moge dat beeld het thans levende geslacht doen begrijpen waarom en 
waardoor onze samenleving is zoals zij is. Moge het de huidige gene- 



ratie doen inzien dat zij wat zij geworden is, dankt aan hetgeen ouders 
en voorouders tot stand brachten. Dat die generatie beseffe beheerder 
te zijn van wat door hen aan haar is nagelaten en bovenal geïnspi- 
reerd worden om aan dat nagelatene voort te bouwen met liefde en 
toewijding in het nederig besef dat ook daarbij onvermijdelijk weer 
fouten gemaakt zullen worden. 

Maar ook een enkel woord over het 'Zandvoort van morgen" mag in 
dit hoofdzakelijk retrospectieve boek niet ontbreken. 

Het wezen van de gemeente Zandvoort is het zijn van badplaats. Door 
de natuurlijke ligging en de daaruit voortvloeiende mogelijkheden is 
zij als zodanig tot ontwikkeling gekomen. Aan die ligging en die mo- 
gelijkheden heeft Zandvoort in het verleden zijn opkomst en in het 
heden zijn betekenis en zijn positie van tweede badplaats van Neder- 
land te danken. 

Dit betekent dat het belangrijkste middel van bestaan direct en indi- 
rect is gelegen in toerisme en recreatie. Dat betekent ook dat de functie 
welke Zandvoort aldus vervult uiterst belangrijk is, zowel voor het 
overvolle westen van ons land, de zogenaamde randstad Holland, als 
voor een deel van het niet minder overvolle westen van Europa. 
Die functie is bepalend voor de gehele structuur van de gemeente in 
al haar geledingen. Voor de gemeente in bestuursrechtelijke zin even- 
zeer als voor de gehele samenleving, welke die gemeente vormt. 
Deze in economisch opzicht sterk eenzijdig gerichte ontwikkeling 
brengt, behalve onmiskenbaar gunstige perspectieven, ook zeer grote 
kwetsbaarheid met zich mede. In feite heeft Zandvoort wel heel veel 
op één kaart gezet, met alle risico's van dien. De aard van de be- 
drijvigheid in de sector toerisme en recreatie van een badplaats noopt 
immers, zowel door particulieren als door de gemeente, tot investerin- 
gen, nodig om de grote piekbelasting der bedrijvigheid in het seizoen 
te kunnen opvangen. Investeringen, welke nochtans veelal slechts ge- 
durende een gedeelte van het jaar, namelijk het seizoen, rendabel kun- 
nen zijn. Het zal derhalve volledig afhangen van de bedrijfsuitkom- 
sten gedurende de seizoenperiode, of er, over een vol jaar gerekend, 
van redelijk rendement sprake zal kunnen zijn. Daarbij komt dat de 
seizoenuitkomsten o.a. sterk afhankelijk zijn van de weersomstandig- 
heden. 

Om het risico èn de kosten verbonden aan de exploitatie van die tak- 
ken van bedrijvigheid, welke zich geplaatst zien voor sterke seizoen- 
pieken in de lijn hunner bedrijfsactiviteiten, te verminderen, moet ge- 
zocht worden naar middelen om die lijn zo gelijkmatig mogelijk te 
doen verlopen. Een gelijkmatiger verloop zal uiteraard alleen tot het 
beoogde resultaat kunnen leiden door die lijn, welke voor menig be- 
drijf gedurende de maanden buiten het seizoen zelfs tot het nulpunt 
daalt, zo lang mogelijk op een zo hoog mogelijk niveau te brengen. 



Het komt er dus op neer, dat gezocht wordt naar mogelijkheden om 
een rendabele exploitatie over langere tijd uit te strekken, met andere 
woorden om het seizoen te 'verlengen'. In zijn uiterste consequentie 
dus om Zandvoort het gehele jaar door een zo grote aantrekkelijkheid 
te geven dat de recreatie-zoekende mens te allen tijde Zandvoort tot 
reisdoel zal willen kiezen. Is dit alles louter fantasie? Zal er het gehele 
jaar voldoende behoefte aan recreatie bij een voldoende groot aantal 
mensen bestaan? Stellig wel! Sedert de invoering van de vrije zaterdag 
is het begrip lang week-einde een realiteit voor zeer velen geworden. 
In de verdere toekomst zal de werktijdsverkorting door de voort- 
gaande mechanisering en automatisering onafwendbaar nog meer vrije 
tijd aan de mens laten. De behoefte om die vrije tijd zinvol te be- 
steden, zal daardoor bij steeds meer mensen allengs groter worden. De 
mogelijkheden om die vrije tijd elders dan thuis door te brengen wor- 
den - tengevolge van het nog steeds groter wordende autobezit en de 
daarmede gepaard gaande ruimere mobiliteit — ook voor steeds meer 
mensen groter. Bovendien treedt de hier geschetste grotere behoefte 
en het verlangen tot bevrediging daarvan meer gelijkmatig, nl. van 
week tot week, aan de dag. 

In de hier omschreven, zich reeds thans aftekenende, ontwikkeling 
voor een niet zo verafgelegen toekomst liggen voor Zandvoort grote 
mogelijkheden tot 'verlenging' van het seizoen, welke verlenging voor 
meerdere bedrijven en in meer branches dan menigeen thans nog voor 
mogelijk zal houden, zelfs zal kunnen uitgroeien over het gehele jaar. 
Het zal dan echter nodig zijn dat tijdig de nodige maatregelen worden 
getroffen om aan de groeiende vraag te kunnen voldoen. Maatregelen 
die deels in de particuliere, deels in de overheidssfeer moeten worden 
genomen, terwijl in een aantal gevallen sprake zal moeten zijn van 
elkander aanvullende en van aan elkander parallel lopende maat- 
regelen. Vestiging of stichting van goede attracties voor de badgasten 
die in het seizoen hun vakantietijd of vrije dagen aan zee en strand 
komen doorbrengen zullen een welkome en ruime afwisseling in hun 
vakantiegenoegens moeten kunnen brengen. Diezelfde attracties zul- 
len buiten het badseizoen op velen een zodanige aantrekkingskracht 
moeten kunnen uitoefenen, dat men gaarne naar Zandvoort zal willen 
komen om daar ook tijdens het lange weekeinde te verblijven. De in- 
stantie tot bevordering van het vreemdelingenverkeer zal niets onbe- 
proefd moeten laten om door goede propaganda in het gehele land èn 
daarbuiten zodanige wervingskracht te ontplooien dat de recreatie- 
verlangende mens ook buiten het eigenlijke badseizoen een of meer 
weekeinden in Zandvoort zal willen doorbrengen. 
Het bedrijfsleven zal zich gereed dienen te maken om gezamenlijk een 
aantrekkelijke en gevarieerde reeks van mogelijkheden tot ontspan- 
ning, verstrooiing, sport en spel te bieden, als noodzakelijk comple- 
ment op de van nature reeds aanwezige, doch nog door te weinigen ont- 
dekte mogelijkheden tot het maken van verkwikking brengende en 



gezondheid bevorderende winterse wandelingen door de duinen en 
langs het strand in de zuivere lucht. 

Reeds zijn daar de - ook buiten het badseizoen - gasten-aan trekkende 
attracties als sauna, sporthal, dolfinarium, verkeerstuin en kinder- 
boerderij. Deze reeks kan bijvoorbeeld nog worden uitgebreid met 
bowling, manege, overdekt zwembad, overdekte kunstijsbaan. Een 
pier met bijbehorende landbebouwing zal mogelijkerwijs eenmaal de 
aanwending van zoutwaterbaden bij voldoende temperatuur en van 
een solarium binnen het bereik van velen kunnen brengen. 
Hotels, pensions en kamerverhuurders zullen dan voldoende accomo- 
datie moeten bieden om ook in de herfst-, winter- en vroege voor- 
jaarsweken aan de groter wordende vraag te kunnen beantwoorden. 
De gehele middenstand zal door toeneming van het aantal branches 
de best mogelijke prestaties in goederen en werkzaamheden leveren 
;egen redelijke prijzen met de grootst mogelijke persoonlijke aandacht 
voor de belangen van de klant met betrekking tot hetgeen geleverd 
wordt, zowel vóór, tijdens als na de levering. 

De gemeente zal haar taak ten aanzien van de openbare voorzieningen 
zien toenemen en voorzien van de nodige goede aan- en afvoerwegen, 
opdat men vlot en ongehinderd via een zuidelijke en een noordelijke 
randweg onmiddeliijk bij de kust kan komen, zonder belemmerd te 
worden en zonder belemmering te veroorzaken op de locale wegen en 
straten; randwegen, die samenvloeien op een goede doorgaande oost- 
westverbinding via een autoweg van voldoende capaciteit zuidelijk 
van de agglomeratie Haarlem-Heemstede naar Amsterdam, het Gooi, 
het Utrechtse en West-Duitsland. Er zullen voldoende parkeerplaatsen 
moeten komen en er dient tevens een sanering te geschieden van oude 
aftakelende dorpsgedeelten, welke getransformeerd zullen moeten 
worden tot prettige sfeervolle wandelwijkjes waar de toeristen, terug 
van hun uren-in-de-natuur, een weldadige rust zullen ervaren bij een 
goede kop koffie of wat anders op een der terrasjes, om daarna nog 
eens rond te gaan langs de aantrekkelijke en smaakvolle uitstallingen 
der winkels om al keurend hun keuze te maken voor de geschenken- 
voor-thuis. 

Zo zal Zandvoort in de toekomst zijn waardevolle bijdrage blijven 
leveren in de rol, welke als van nature aanwezig is - die van recreatie- 
gemeente. 

A. NAWIJN 

Burgemeester van Zandvoort 



Zandvoort nu 



Loop der bevolking 

De gemeente Zandvoort (oppervlakte 3434 ha, waarvan 25 50 ha duin- 
gebied, 337 ha bossen en parken en 66 ha strand) telde op r november 
1967 ij. 416 inwoners. In 1900 bedroeg het inwoneraantal 3237 en 
het was in 1920 verdubbeld: 6529. In de jaren twintig werd het groei- 
tempo hoger en in 1934 werd de 9000 gepasseerd. Een top werd 
bereikt in 1941: 980$, maar toen deden de oorlogsomstandigheden 
zich gelden. Zandvoort werd grotendeels geëvacueerd en het inwoner- 
aantal daalde in 1943 tot 1789. Na de bevrijding kwamen de meeste 
geëvacueerden terug. Eind 1945 had Zandvoort al 6957 inwoners en 
eind 1946 9179. 

De wederopbouw van Zandvoort kwam daarna op gang en de nieuw- 
bouw van woningen veroorzaakte een flink vestigingsoverschot. In 
1958 steeg het bevolkingscijfer bijvoorbeeld met 607 tot 14.368; sedert- 
dien is het groeitempo vertraagd tot ca. 125 inwoners per jaar. 
In 1954 maakte het 'Geografisch Instituut' van de Rijksuniversiteit te 
Utrecht een prognose van de bevolkingsgroei. Men kwam voor 1970 
tot een minimum van 17.123 en een maximum van 18.109. Het ziet 
er niet naar uit, dat zelfs dit minimum in 1970 zal worden bereikt. 

Woonplaats en badplaats 

Een beschrijving van het hedendaagse Zandvoort moet uitgaan van 
de dubbele functie van deze gemeente: die van badplaats en van 
woonplaats. 

De sloping die in de jaren 1942 tot 1944 op last van de bezettende 
overheid plaats vond, is nu nog merkbaar in de aanblik van de 
badplaats-sector. Onder de slopershamer vielen 36 hotels en pensions 
met 1719 bedden. Door nieuwbouw en door vergroting van bestaande 
bedrijven is dit verlies aan beddencapaciteit weer gecompenseerd. 
Het hotel 'Bouwes', het 'Strandhotel' en 'Bouwes-Palace' zijn markante 
punten in Zandvoort. Het in aanbouw zijnde hotel 'Rotonde' zal in 
dit opzicht een welkome aanvulling zijn. Toch vertoont het zeefront 
nog enkele storende hiaten. Namelijk het onbebouwde terrein voor de 
Van Lennepweg, bestemd voor een meer massale bebouwing, aan- 
sluitende op de daarvóór geprojecteerde wandelpier. Voorts is het 
Boulevard-centrum, waarvan 'Bouwes-Palace' deel uitmaakt, nog niet 
voltooid. Het riant geprojecteerde Van Fenemaplein, kan daardoor 
nog niet verwezenlijkt worden. 




Na de visafslag. (Gemeentearchief, Haarlem) 

Zo biedt de badplaats - van zee uit gezien - nog een onvolkomen 
beeld, hetwelk er toe leidt dat de royaal aangelegde Boulevards nog 
niet de gezelligheid en beschutting bieden die men in een badplaats 
van de betekenis van Zandvoort mag verwachten. 
De woonplaats Zandvoort is de gevolgen van de sloping ruimschoots 
teboven. Werden er 734 woningen gesloopt, in de jaren 1947 tot en 
met 1966 werden 25^8 woningen gebouwd. De statistische woning- 
voorraad bedroeg op 31 december 1966 4802 woningen. De bebouwde 
kom onderging dientengevolge zowel in 'Zuid' als in 'Noord Oost' een 
sterke uitbreiding. 

Deel uitmakende van de Randstad Holland en regionaal behorend tot 
Zuid-Kennemerland, is Zandvoort als woonplaats buitengewoon in 
trek. Werden geen planologische beperkingen opgelegd, Zandvoort 
zou in een snel tempo uitgroeien tot een gemeente met een stedelijk 
karakter en daardoor veel verliezen van wat juist zo karakteristiek 
dorps is en de grote aantrekkingskracht vormt voor toeristen, maar 
ook voor de inwoners. 

Uitbreiding bebouwing 

Dit is vooral het geval met het 'oude dorp', begrensd door de Zee- 
straat, de Haltestraat en de Hogeweg. Het Gasthuisplein en het 
Schelpenplein zijn de kernen van typisch oud-Zandvoortse bebouwing. 
Helaas is de kwaliteit van de kleine huisjes meestal onvoldoende. 
Herhaaldelijk moet tot onbewoonbaar-verklaring worden overgegaan. 



10 




Strandfeest in 1906. (Gemeentearchief, Haarlem) 

Het verkrottingsproces doet de mensen naar de nieuwe wijken ver- 
huizen. Teneinde te voorkomen dat dit hart van het dorp nog verder 
in verval geraakt, bereidt het gemeentebestuur een verantwoorde 
sanering van deze dorpskernen voor. De omgeving van het Gasthuis- 
plein zal het eerst ter hand genomen worden. 

In het begin van deze eeuw breidde de dorpsbebouwing zich uit tot 
ongeveer de Koninginneweg en de Brederodestraat. In de jaren twintig 
werd die grens verlegd tot de Kostverlorenstraat, werden de boule- 
vards bebouwd en kwam er een aanzet van de volkswoningbouw 
over de spoorlijn, het zogenaamde Plan-Noord. Deze wijk heeft zich 
na 194$ sterk ontwikkeld. Er werden daar ruim 1000 woningen ge- 
bouwd; met een zielental van 3700 is in deze wijk een kwart van de 
Zandvoortse bevolking gehuisvest. Het bestemmingsplan voorziet 
daar nog in de bouw van 750 woningen, een winkelcentrum, kerke- 
lijke gebouwen en scholen. Meer luxebouw kwam tot stand in Zand- 
voort-zuid tussen de Brederodestraat en de Frans Zwaanstraat - Cort 
van der Lindenstraat. Een bestemmingsplan voor het duinterrein, 
grenzende aan laatstgenoemde straten, is in voorbereiding. 

Bentveld 

Een beschrijving van Zandvoort zou niet volledig zijn, als de buurt- 
schap Bentveld niet werd genoemd. Een gematigd zeeklimaat maakt 



11 



het daar prettig wonen. Lommerrijke lanen, een bebouwing met riante 
villa's en woningen, welverzorgde tuinen en gazons geven dit stukje 
Zandvoort een eigen sfeer. Grenzend aan Aerdenhout, heeft Bentveld 
toch een eigen karakter gekregen. Zandvoort zou dit stuk van zijn 
territoir (niet van grote omvang, nl. 51 ha met 275 woningen en 
8jo inwoners) niet willen missen. Hoewel zij enkele kilometers buiten 
Zandvoort wonen, leveren de Bentvelders op hun wijze een welkome 
'inbreng' in de Zandvoortse dorpsgemeenschap. 

Autochtone bevolking 

Een beschouwing over de Zandvoortse bevolking moet beginnen met 
de autochtone Zandvoorters. Daartoe worden gerekend degenen, die 
in de mannelijke lijn afstammen van de 700 inwoners die Zandvoort 
telde, toen in het begin van de 19e eeuw de overgang van vissersdorp 
naar badplaats een aanvang nam. Het betreft hier 48 geslachten die 
in 1954 met 2641 personen 22% van de bevolking van Zandvoort 
(12.038) omvatten. In 1967 vormen zij een groep van 2550 personen 
of 16,5 % van de totale bevolking van 15.416 zielen. De autochtonen 
met de naam Koper vormen met 304 personen de grootste groep, 
gevolgd door Paap (284), Keur (201), Molenaar (138) en Van der 
Mije met 106 personen. In 1900 waren 6 van de 7 Zandvoortse raads- 
leden 'autochtonen', in 1939 4 van de 13 en in 1967 3 van de 17. 

Van de 2550 autochtonen is het merendeel Nederlands Hervormd, na- 
melijk 1633 of 64.4 %; voorts 521 onkerkelijk (20.4 %) 367 Rooms 
Katholiek (14.3 %) 13 Gereformeerd (0.4 %) en behoren 16 (0.5 %) 
tot de overige gezindten. 

Deze percentages wijken belangrijk af van die van de gehele Zand- 
voortse bevolking (zie blz. 10). 

Op 1 november 1967 is een beroepstelling van de mannelijke autoch- 
tone bevolking gehouden. Hieruit bleek dat zij overwegend in onder- 
geschikte functies werkzaam is, namelijk 640 van de 742. 302 van de 
autochtone Zandvoorters werkten in het bouwbedrijf; 87 in de metaal- 
nijverheid; 54 in de voedings- en genotmiddelenindustrie; 21 voeren 
ter koopvaardij. Het oud-Zandvoortse beroep van visser wordt bij- 
kans niet meer beoefend: er werden slechts 5 vissers genoteerd en dat 
waren nog schelpenvissers! De binding met de zee blijkt uit het be- 
trekkelijk grote aantal vishandelaren: 16. 

Het aandeel van de autochtone Zandvoorters in de horecasector is 
geringer dan men zou verwachten. Zij zijn uiteraard op het strand het 
sterkst vertegenwoordigd, doch hebben daar geen overheersende posi- 
tie: 14 van de 32 strandbedrijven zijn in handen van autochtonen. 
Van de 1 1 1 verloven en vergunningen ingevolge de Drankwet staan 
er 21 op naam van autochtone Zandvoorters; 13 autochtonen zijn als 
kelner werkzaam. 
Vrij sterk is de groep van onderwijzers, ambtenaren en kantoorbedien- 



12 




Strandleven omstreeks 1890. (Verz. G. N. de Heer). 



den, namelijk 87. Het gemeentepersoneel, 260 man sterk, telt 55 
autochtonen. 

Ondanks hun afnemende numerieke betekenis zijn de autochtonen, de 
Kopers, de Papen, de Keuren, de Molenaars en de Van der Mije's niet 
uit het bevolkingsmozaïek van Zandvoort weg te denken. Het ras- 
echte Zandvoorterschap doet zich hier gelden. Gehard door het zorge- 
lijk bestaan van vroegere generaties, uit de dorpse bekrompenheid 
gelicht door de omgang met badgasten in huis (gemeubileerde ver- 
huur) en daarbuiten (seizoenbedrijf, vooral op het strand) hebben de 
Zandvoorters, eenvoudig en vriendelijk van aard, breedheid en ge- 
makkelijkheid in de omgang verkregen; karaktereigenschappen die 
soms naar een zeker opportunisme neigen. 

De invloed van de autochtone kern doet zich uiteraard ook gevoelen 
in de mentaliteit van de overige bevolking. Deze invloed is het sterkst 
in de families die aan de autochtonen verwant zijn. (Van de 756 
gehuwde mannen zijn er thans 524 met een niet-autochtone vrouw 
gehuwd) en in mindere mate op de grotere categorie der niet-autoch- 
tone bevolking die reeds van kindsbeen af in Zandvoort woont. Rond 
deze brede kern bevindt zich de massa die niet te Zandvoort is ge- 
boren, maar zich daar metterwoon heeft gevestigd. Zij vond haar 
woning in de uitbreiding van de oude dorpskern en in de uitbreidings- 
plannen 'Zuid' en 'Noord-Oost', de villa's en de flats aan de boule- 
vards en de buurtschap Bentveld. 



13 



Gedifferentieerde bevolking 

De hiervoren aangegeven differentiatie van de Zandvoortse bevolking 
wordt nog versterkt door de verscheidenheid in levensbeschouwelijk 
opzicht. Volgens het bevolkingsregister is 36,5 % van de Zandvoorters 
Nederlands-Hervormd, 28,7% onkerkelijk, 24% Rooms-Katholiek, 
4% Gereformeerd en behoort 6,8% tot de overige gezindten. 

Zandvoort kent een bloeiend verenigingsleven. In de gids voor nieuwe 
inwoners komt een lijst voor met de namen van 109 verenigingen en 
3 1 comité's en commissies. 

Toch is naar mijn oordeel, gemeenschapszin niet de sterkste kant van 
het Zandvoortse volkskarakter. Individuele en groepsbelangen spre- 
ken het sterkst aan. Dit verschijnsel is kenmerkend voor de gehele 
Zandvoortse bevolking, autochtonen, semi-autochtonen en 'vreemd 5 . 

Bij de gemeenteraadsverkiezingen komen vanouds in Zandvoort 
plaatselijke groeperingen naar voren onder namen als 'Zandvoorts 
belang', 'Algemeen Zandvoorts belang' e.d. en ook wel met 'persoon- 
lijke' lijsten. Bij de gemeenteraadsverkiezingen van 1966 verwierven 
de op politieke en levensbeschouwelijke beginselen gebaseerde poli- 
tieke partijen 70 % van het totaal aantal geldige stemmen en de min 
of meer opportunistisch ingestelde groeperingen (waartoe ik ook de 
Boerenpartij reken) 30%. Deze groeperingen bezetten thans 6 van 
de 17 zetels in de Zandvoortse gemeenteraad. In 1939 4 van de 13 en 
in 1946 3 van de 15. Zoals reeds gezegd: bij de Zandvoortse ge- 
meenteraadsverkiezingen spelen de plaatselijke groeperingen al van- 
ouds een rol, maar de laatstgenoemde verkiezingsuitslag wijst op een 
versterking van deze tendens. 

De verscheidenheid van levensbeschouwelijke en politieke opvattingen, 
waardoor men in Zandvoort slechts meer of minder sterke minder- 
heden aantreft, hebben evenwel niet die splijtende werking die elders 
soms kleinere gemeenschappen verscheurt. In het persoonlijke vlak 
overheersen verdraagzaamheid en respect voor de opvattingen van de 
medeburgers. Dit positieve aspect biedt bijvoorbeeld aan de oecume- 
nische beweging goede kansen, die tot dusver door degenen die leiding 
geven op godsdienstig terrein met voorzichtigheid en takt worden 
aangewend. 

Toerisme 

De functie van Zandvoort als badplaats en het feit dat het toerisme 
de enige belangrijke 'industrie' is, rechtvaardigen een nadere beschou- 
wing, waarin uiteraard ook de strandexploitatie zal worden betrokken 
en het circuit, de enige sportakkomodatie van deze aard in ons land. 
De betekenis van het toerisme voor Zandvoort kan men afleiden uit 
de logiescapaciteit. In de hotels zijn rond 1200 bedden beschikbaar 



14 



en in de pensions 1400. De gemeubileerde verhuur door particulieren 
omvat ruim 9000 bedden. 

Deze logiesvorm heeft de laatste jaren een verandering ondergaan. 
Bestond deze vroeger uit het permanent verhuren van de gehele wo- 
ning of een deel daarvan, allengs ging men meer en meer over tot 
het verstrekken van logies met ontbijt. Had men vroeger 'gasten', in 
de volksmond worden de logé's nu 'slapers' genoemd, die na het 
ontbijt het huis verlaten en hun vertier zoeken in de badplaats of 
elders, en daar ook hun maaltijden gebruiken. Deze wijziging van het 
gedragspatroon van de gasten heeft in Zandvoort een groot aantal 
eethuisjes e.d. doen ontstaan om maar niet te spreken van de patates- 
frites bedrijven en het daaruit voortvloeiende nuttigen van dit voedsel 
op straat. Dit gebruik geeft de dorpskern in de zomer — zachtjes 
gezegd - een wat rommelige aanblik. 

Sedert 1952 kent Zandvoort ook het sociaal toerisme. Op de kam- 
peer- en cara van terreinen is thans plaats voor 2000 tenten en caravans, 
met een opnamecapaciteit van 7000 personen. Een bijzondere plaats 
neemt daarnaast het tentenkamp op het noordelijk strandgedeelte in. 
Daar verblijven bijna 700 forensen-kampeerders uit Amsterdam en 
Haarlem met hun gezinnen gedurende de gehele zomer en boeken 
± 240.000 overnachtingen. De totale opnamecapaciteit van Zand- 
voort kan gesteld worden op 22.000 personen. In 1966 kwamen rond 
100.000 gasten naar Zandvoort met in totaal 1.200.000 overnach- 
tingen. Een toename van 20%, sedert 1960, toen 1. o 16. 400 over- 
nachtingen werden geregistreerd. 

Een verdeling van de overnachtingen naar logiesvorm geeft het vol- 
gende beeld: 

hotels en pensions 15 % 

gemeubileerde verhuur 33 % 

kampeerterreinen 34i % 

strandtentenkamp 1 j\ % 

Het sociaal toerisme omvat dus meer dan de helft van de logies- 
verstrekking in Zandvoort. 

In hoeverre beïnvloedt het buitenlands bezoek de badplaats-exploi- 
tatie? De buitenlanders nemen ongeveer 37% van het totaal aantal 
overnachtingen voor hun rekening. Duitsers vormen daarvan het 
grootste contingent. Dit is niet te verwonderen want van oudsher is 
Zandvoort 'in trek' bij de Duitse vakantiegangers. De badplaats heeft 
daaraan trouwens mede haar opkomst en huidige betekenis te danken. 
Toch is een zekere verschuiving merkbaar. In 1960 waren 90% van 
de buitenlandse overnachtingen door Duitsers geboekt, een percentage 
dat in 1966 tot 80 was gedaald. Waar het contingent buitenlanders 
vrijwel constant bleef, blijkt hier een toenemende belangstelling voor 
Zandvoort uit andere landen, met name Skandinavië en Engeland. 
Het buitenlands bezoek is verhoudingsgewijs het grootst in de hotels 



15 



en pensions (87% van de overnachtingen); een vrijwel constant per- 
centage. 

Opvallend is het toenemend gebruik dat de buitenlanders maken van 
de gemeubileerde verhuur door particulieren. 

In 1960 waren buitenlanders goed voor 30% van de overnachtingen 
bij particulieren; in 1966 was dit percentage gestegen tot 55. Het is 
dan ook verklaarbaar dat de verhuurders zich met hun aankondi- 
gingen ook tot de buitenlandse gasten richten. Vandaar de bordjes 
met 'Zimmer frei' en - in mindere mate - met 'rooms'. 
Het aanvankelijk sterk buitenlands accent van de gasten op de kam- 
peer- en caravanterreinen nam geleidelijk af, niet zo zeer door ver- 
mindering van het buitenlands bezoek, maar voornamelijk doordat 
de expansie van deze vorm van vakantiebesteding vrijwel geheel voor 
rekening van de Nederlanders kwam. Sedert 1960 daalde het percen- 
tage overnachtingen door buitenlanders op deze terreinen van 46 
tot 25. 

Deze beschrijving van het toerisme in Zandvoort zou niet volledig 
zijn indien niet werd vermeld het zeer omvangrijke dagbezoek aan de 
badplaats. Op mooie zondagen in het zomerseizoen beloopt dit soms 
ruim ioo.ooo personen. 

De invoering van de vijfdaagse werkweek stimuleerde ook het dag- 
bezoek. De zaterdag doet in dat opzicht voor de zondag niet veel 
onder. Een ruwe schatting komt tot een totaal aantal dagbezoekers 
in het seizoen 1967 van ruim 2.000.000. 

De strandexploitanten, de andere horecabedrijven alsmede een belang- 
rijk deel van de middenstand profiteren daarvan uiteraard in hoge 
mate. 

Tenslotte nog één cijfer om het belang van het toerisme voor Zand- 
voort te belichten. Naar een globale schatting werd er in 1967 35 a 
40 miljoen gulden door toeristen (gasten en dagpubliek) in Zandvoort 
verteerd. 

Str ■ andexploitatie 

De strandexploitatie is in particuliere handen. Voor het huren van 
een perceel strand komen alleen inwoners van Zandvoort in aan- 
merking. Aanvankelijk was deze bedrijfstak vrijwel geheel in handen 
van de autochtone Zandvoorters. Ook hier doet zich de 'vreemde' 
invloed gelden; van de 32 strandbedrijven werden er in 1967 nog 14 
gedreven door exploitanten met 'autochtone' namen. Van het negen 
kilometer lange Zandvoortse strand is 1538 meter bestemd voor het 
strandtentenkamp en 2402 meter door de gemeente verhuurd aan de 
strandexploitanten. 

Uitbreiding van het voor exploitatie bestemde strandgedeelte wordt 
door de gemeente niet toegestaan. De strandhuurders oefenen hun 
bedrijf persoonlijk uit, al dan niet geassisteerd door familieleden. Dit 
geeft een zekere binding met de bezoekers, die door zoveel mogelijk 

16 



aan ieders wensen aangepaste service (goede consumpties, hulpvaardig- 
heid bij het verhuren van strandstoelen e.d.) wordt bevorderd en - 
naast de ligging van het bedrijf - van grote invloed is op de bedrijfs- 
resultaten. 

Deze eigen sfeer op het Zandvoortse strand is van groot belang voor 
de naam van Zandvoort als toeristenoord met een eigen charme. De 
intensiteit van dit op betrekkelijk klein oppervlak uitgeoefende bedrijf 
blijkt uit de cijfers. In 1966 werden aan ruim een half miljoen per- 
sonen strandstoelen verhuurd en in de mooie zomer van 1967 560.000, 
met een opbrengst van respectievelijk / 603.000— en ƒ 675.000,—. 
Daar komt nog bij de verkoop van consumpties in de tenten en op 
het strand. 

Circuit 

Meer nog dan door zijn functie van badplaats heeft Zandvoort 
were/Jvermaardheid gekregen door zijn circuit voor snelheidswed- 
strijden. 

Dit circuit dankt zijn ontstaan aan verschillende factoren. In het 
kader van het streven naar toeristische attracties organiseerde de ver- 
enigingvoor vreemdelingenverkeer in de jaren dertig motorwedstrijden 
op een stratencircuit en op 3 juni 1939 werden in Zandvoort (en voor 
het eerst in ons land) autoraces gehouden. Het bleek toen dat voor 
dergelijke wedstrijden niet de openbare wegen konden worden ge- 
bruikt. De voor publiek en coureurs noodzakelijke veiligheidsmaat- 
regelen konden alleen in behoorlijke mate worden getroffen als een 
geheel vrijliggend circuit werd aangelegd. De gelegenheid daartoe 
deed zich voor, toen de gemeente in 1939 100 ha duinterrein aankocht 
om dit te bestemmen voor sport en recreatie. Hierop werd een ruim 
4 km lang circuit uitgezet. In de oorlogsjaren werd daarop, in werk- 
verschaffing, een aardenbaan aangelegd en de van de sloping van 
Zandvoort afkomstige enorme hoeveelheid puin werd voor de fun- 
dering van de racebaan gebruikt. De aanleg van de baan met accomo- 
datie kostte de gemeente Zandvoort een miljoen gulden. Op 8 augustus 
1948 werd het circuit geopend met wedstrijden, georganiseerd door 
de British Racing Drivers Club. In 1949 organiseerde de Koninklijke 
Nederlandse Automobielclub autoraces om de grote prijs van Zand- 
voort en in 1950 om de Grote Prijs van Nederland. De toenemende 
betekenis van het Zandvoortse circuit blijkt ook uit het feit dat de 
autoraces om de 'Grote Prijs' sedert 1952, met een tiental andere 
geselecteerde wedstrijden in het buitenland, meetellen voor het wereld- 
kampioenschap voor coureurs en in 1959 het predicaat 'Grande 
Epreuve' verwierven. 

Is de dag waarop de 'Grand Prix' verreden wordt de hoogtijdag van 
de circuitexploitatie, nog talrijke andere wedstrijden worden daarop 
gehouden. De Nederlandse Autorensport Vereniging organiseert natio- 
nale en internationale sportwagenraces, de Koninklijke Nederlandse 



17 



Motorrijders Vereniging motorraces en de Koninklijke Nederlandse 
Wielrenunie wielerwedstrijden om nationale titels (in 1959 de wereld- 
kampioenschappen voor amateurs en beroepsrenners). 
In 1958 werden de wedstrijden op het circuit bezocht door 1 10.361 
betalende bezoekers, in 1967 door 150.562. Voor de autoraces waren 
deze cijfers 77.215 en 121.880, voor motorraces 22.385 en 25.014 en 
voor wielerwedstrijden 10.761 en 3.668. Uit deze cijfers blijkt duide- 
lijk de toenemende popularisering van de auto-rensport. Een tendens 
die verband houdt met de opkomst van de personenauto als volks- 
vervoermiddel. Steeds meer autorijders ('beroeps-' en zondagsrijders) 
willen hun eigen rijstijl beoordelen in het licht van de prestaties van 
de geselecteerde coureurs die zij op de baan aan het werk zien. 

Tot zover het 'Zandvoort-van-heden', waarin ook de tendensen van 
het 'Zandvoort-van-morgen' te vinden zijn. Het zwaartepunt voor 
de ontwikkeling zal zich vooral in de badplaats-functie van Zand- 
voort openbaren. Wat Zandvoort daarvan mag verwachten, wordt 
belicht door de burgemeester in het 'Ten geleide' bij deze uitgave. 

W. M. B. BOSMAN 




18 



Geschiedenis van Zandvoort voordat 
het badplaats werd 



Allereerst vragen wij ons af: hoe oud is het Noord-Hollandse Zand- 
voort? In L. Ph. C. van den Berghs Oorkondenboek van Holland en 
Zeeland komen weliswaar enige stukken op de naam Santfort (Zant- 
vorde, Santvorde, Sandforde) voor, maar de meeste hiervan hebben 
betrekking op een andere plaats van die naam, gelegen op Walcheren. 
Slechts de schenking (vóór 1120), genoemd in deel 1 nr. 108, waarbij 
broeder Godefridus aan het klooster van Egmond voor het zieleheil 
van zijn moeder hooiland in Werdingmade bij Santfort geeft, doet 
denken aan ons Zandvoort, al is ook hier het andere niet uitgesloten. 
Meer houvast hebben wij aan de vermelding in de Rijmkroniek van 
Melis Stoke (uitg. W. G. Brill, II, 244), waar sprake is van de landing 
van Witte van Haemstede, de natuurlijke zoon van graaf Floris V, in 
1304: 

Hier binnen est alsoo comen, 
Dat her Witte was ghevaren 
Uut Sirixe met cleenre scaren; 
Met enen scepe ende niet mee 
Voer hi buten bi der see 
Ende quam an bi Santvoerde. 

Zijn doel was te verhoeden dat Kennemerland in handen zou vallen 
van graaf Guido van Vlaanderen: 

Als men te Haerlem hevet ghehoert 
Entie waerheit heeft vernomen, 
Dat her Witte daer es comen, 
Liept al uut dat lopen mach; 
Ende was up enen zonnendach. 
Dene bi den anderen, zide an zide, 
Tvolc ghinc uut al te stride 
In den dunen liepen si jeghen 
Recht alse luden pleghen, 
De haren here willen zien, 
Ende bieten willecome. 

Melis Stoke, tijdgenoot van deze gebeurtenissen, vertelt echter niets 
over een slag bij het Manpad, die hierop gevolgd zou zijn, en dit is een, 

19 



van de redenen waarom de historiciteit van die slag in twijfel wordt 
getrokken (zie F. W. N. Hugenholtz in Jaarboek Mij. Nederl. Letter- 
kunde, 1953-55). 

Zandvoort onder de Brederodes 

Zandvoort behoorde tot de heerlijkheid Brederode, die weer leengoed 
was van het graafschap Holland. De oudste akte in het archief van 
Zandvoort (Inventaris Van Doorninck, nr. 1) is dan ook een oorkonde 
van 1455 van Reinout heer van Brederode, waarbij deze de privileges 
van de schutterij te Zandvoort bevestigt en uitbreidt. Over het op- 
treden van Reinouts zoon bericht Zoeteboom het volgende: 'In het 
jaer van 1457, toen Claes van Yperen Borgermeester, Gerrit van 
Noortwijck Schepen en Aelbrecht van Raephorst Schout van Haerlem 
waren, had den edelen heer van Brederode Walraven sijn soon tot 
Santvoort in de vergadering aen dese mannen gesonden, om saken van 
belang te verrichten, maer sy hebben haer bits en wrevel jegens hem 
aengestelt; Walraven, siende wat hem wedervoer, heeft dien smaet in- 
gekropt, en daer na sonder weten sijns vaders heeftse by Amersfoort 
op een seker tijt onderlopen, en met sijn reysigers haer aengevallen en 
gedoot, uytgesondert Gijsbert van Raep-horst (den Schout) die daer 
niet by was, en alsoo dit ongeluck niet over en quam.' 
De belasting aan hun heer voldeden de Zantvoorters in vis. Zij gaven 
hem jaarlijks 'den besten visch die zij aanbrengen van den cabelliou, 
naest onser vrouwen visch, ende vier schelvisschen ende acht schollen'. 
Toen de Hoeksgezinde heren van Brederode hun kasteel van die 
naam in de 15de eeuw verloren, doordat het door de Kabeljauwen 
werd verwoest, en zij zich in hun nieuwe gebied Vianen vestigden, 
moet de belasting allengs in geld zijn voldaan. De welvaart van de 
ambachtsheer ging echter zó achteruit, dat hij in 1487 bij de Zand- 
voorters om voldoening van de kosten voor zijn huwelijk moest aan- 
kloppen, waartoe hij hun al zijn goederen binnen hun gebied in pand 
gaf (Arch. nr. 2). 

Intussen hadden ook de Zandvoorters te lijden van binnenlandse twis- 
ten en oorlogen. A. J. van der Aa meldt in zijn Aardrijkskundig Woor- 
denboek, dat in 1489 kerk en dorp geplunderd werden door het krijgs- 
volk van de hertog van Saksen, die gekomen was om het Kaas- en 
Broodvolk te tuchtigen. In de Enqueste ende informatie upt stuck der 
verpondinghe over de landen van Holland ende Vrieslant van 1494, 
wijten de Zandvoorters de achteruitgang van hun dorp niet alleen aan 
de pest van het voorafgaande jaar, maar ook aan de dure tijd als ge- 
volg van de onlusten, te weten 'tleste oorloge van Kasenbroot dat zy 
ghespoliert (geplunderd), ghevangen ende grootelicken gheransoeneert 
werden' en ook aan de schattingen voor de oorlogen van Utrecht, Rot- 
terdam en Montfoort. Ten tijde van hertog Karel (de Stoute) had 
Zandvoort nog 100 haardsteden, maar nu nog maar 50. De visvangst, 
hun voornaamste bron van inkomsten, was 'wel deen helft arger. . . dan 



20 




Zandvoort van de landzijde. Kopergravure van J. Ottens naar R. 
Rogbman, omstreeks 1660. (Gemeentearchief, Haarlem) 

die ten overlijden van hertoghe Karel'. 

Ook in de Informatie up den staet, faculteyt ende gelegentheyt van de 
steden ende dorpen van Hollant ende Vrieslant van 15 14, waarin zij 
opgeven 76 bewoonde haardsteden te hebben (een kleine vooruitgang 
dus), wordt door de Zandvoorters verteld, dat zij 'hem generen met 
visschen ter zee' en daartoe 10 pinken hebben en 2 haringschepen, die 
te Haarlem thuis behoren. Andere middelen van bestaan waren het 
vislopen, dat is visverkopen in Haarlem en omstreken, en later ook de 
schelpvisserij. De Aerdenhoutse Schulpweg, waarlangs zij deze waar 
vervoerden, dankt hieraan zijn naam. Van landbouw of veeteelt was 
echter aanvankelijk geen sprake. Binnen het dorp waren slechts drie 
kroften land, waarvan één eigendom van de kerk, tezamen vier mor- 
gen groot, die door de duinen onderstoven werden. De visvangst be- 
perkte zich hoofdzakelijk tot de kabeljauw en schelvis. Het merendeel 
van de bevolking was echter zó arm, dat 'indien zy een maent of twee 
sonder tzee te vaeren waeren, zouden om broot moeten gaen'. 

Dorpsbestuur en kerk 

Het dorpsbestuur bestond, zoals gewoonlijk in ambachtsheerlijkheden, 
uit schout en schepenen, die door de ambachtsheer werden benoemd. 
Zij oefenden tevens uit naam van de heer de lagere rechtspraak uit, 
terwijl de hogere berustte bij baljuw en leenmannen van Brederode. 
Volgens de Tegenwoordige staat der Verenigde Nederlanden (deel 
VIII) stelde de ambachtsheer toenmaals (midden r8de eeuw) schout en 
secretaris aan, de 7 schepenen werden door hem uit een dubbeltal ge- 
kozen. Alle bedieningen werden onder goedkeuring van de ambachts- 



21 




De kerk van Zandvoort met de uitbouw van het familiegraf van 
Paulus Loot. Gewasen tekening van omstreeks 1773. (Teylers Museum, 
Haarlem) 

heer vervuld; alleen voor het ambt van koster was tevens de goed- 
keuring van de Kerkeraad nodig. De heer verkreeg toen in plaats van 
een bijdrage in natura twee guldens van iedere schuit met vis. Het 
recht tot afslag van vreemde vis werd verpacht of ingezameld ten be- 
hoeve van de heer. Van hun ambachtsheer Hendrik van Brederode, de 
onstuimige strijder tegen de Spaanse plakkaten en een der aanbieders 
van het Smeekschrift der Edelen, verkregen de Zandvoortse vissers in 
1565 toestemming om zijn wapen op hun schepen te voeren. Het 
dorpswapen van Zandvoort wordt echter pas aangetroffen op een 
stuk van 161 3, waarbij Schout en Schepenen Jan Dircksz., blijkbaar 
de dorpsbode, machtigen om alle loslopende dieren in het dorpsschut- 
hok te schutten. In de papieren ruit, die over de reeds verbrokkelde 
lak gelegd was bij het afdrukken van het stempel, is nog duidelijk te 
zien, dat het bestond uit drie over elkaar geplaatste haringen (niet 
door elkaar gestoken). Later (185 1) wordt dit wapen aldus beschre- 
ven: op een veld van goud drie kruislings over elkaar liggende haringen 
van zilver (Van der Aa, Aardr. Woordenboek). Het diploma van de 
Hoge Raad van Adel van 18 17 spreekt daarentegen van drie door 
elkaar geplaatste haringen. In 18 17 verkreeg het Zandvoortse wapen 
tevens de kleuren van het Nederlandse rijkswapen (goud en lazuur), 
nadat het voordien - evenals bijvoorbeeld het dorpswapen van 
Spaarndam (drie baarzen onder elkaar) — op heraldisch ontoelaatbare 



22 



^rr^pawiu 



'*&&£&»>&£** 







Zandvoort van de landzijde, met de in 1618 deels herstelde kerk. Ets 
van Claes Jansz. Visscher (1586I7--16J2). (Gemeentearchief, Haarlem) 



wijze goud en zilver had gecombineerd. De Zandvoortse vlag (het 
blauw van de zee, het geel van strand en duinen) is van de huidige 
wapenkleuren afgeleid. 

Zandvoort behoorde kerkelijk oorspronkelijk tot de parochie Haar- 
lem, later tot Overveen. De oude, aan de H.H. Agatha en Adriaan ge- 
wijde kerk, stond op de plaats van het tegenwoordige Hervormde 
bedehuis. Daar kwam oudtijds de pastoor uit Haarlem 's zondags de 
dienst doen, maar al vóór 1514 woonde een onderpastoor in het dorp. 
Er waren toen 200 communicanten. 

De Hervorming drong vroeg door tot Zandvoort, want al op 3 april 
1531 vaardigde de Haarlemse stadsregering het gebod uit, 'dat geen 
inwoonders of poorters tot Santvoort sullen gaen hooren prediken, 
doordien veel questen komt overt seggen: gy papisten en andere woor- 
den' (Index op de Keur- en gebodsregisters der stad Haarlem). Er 
waren te Zandvoort dus blijkbaar hagepreken, die door Haarlemmers 
werden bezocht, maar het verbod werkte niet veel uit, want het moest 
op 30 april 1532 worden herhaald. Tenslotte zegevierde de Hervor- 
ming en in 1586 kreeg het dorp een eigen predikant, ds. Johannes 
Marcus (overleden 161 1). 

Achteruitgang 

In 1533 telde Zandvoort 171 huizen. In 1622 bleken er bij een volks- 



*3 



telling j$6 inwoners te zijn, terwijl in 1632 148, in 1722 slechts 92 
(met 626 inwoners) en in 1732 nog maar 89 huizen in het Verpon- 
dingskohier voorkwamen. Deze achteruitgang van de bevolking wordt 
onder meer geweten aan de plundering door rondtrekkende benden in 
de Spaanse tijd, toen ook de oude kerk voor een groot deel verwoest 
werd. Eerst in 161 8 zijn het schip en de toren weer gerestaureerd op 
's lands kosten, want de kerk was aan de Hervormden toegewezen. 
Andere oorzaken van de achteruitgang waren watervloeden, zoals de 
Allerheiligen vloed van 1570, de springvloed van 4 op 5 maart 1671 en 
de hevige storm van 1682, bij welke gelegenheden grote stukken van 
de duinen bezweken en vele vissershutten wegspoelden. Door helmbe- 
planting werden later de duinen beter bewaard en de plotseling op- 
komende waterhoos, welke zich op 21 mei 1792 op het strand ver- 
toond heeft, had althans niet zo'n katastrofale afloop. Omdat de ko- 
nijnen veel schade toebrachten aan de helmbeplanting was het ook, dat 
Schout en Schepenen zich c. 1657 met een verzoekschrift tot de Staten 
van Holland richtten. Zij betogen, dat zij hebben ondervonden, 'dat 
door groote drooghten en swaere stormwinden, die ordinair komen 
uyt den westen ende noortwesten, de duynen leggende omtrent den 
voors. dorpe van Santvoort langes de zeekant sodanigh komen over te 
stuyven, dat geschapen staet, dat het voors. dorp in korte jaeren tenen- 
mael van het sant staet (te) werden overstroomt', ondanks de helm- 
beplanting, die door de konijnen vernield wordt, en vragen daarom 
de duinen te mogen depopuleren (d.i. ontvolken) ende conijnenloos 
houden. 

Op 17 december 1795 heeft een hooggaande vloed een levende kabel- 
jauw over de duinen geworpen, welke door een jonge Zandvoorter te 
Haarlem op de vismarkt werd verkocht. Herhaaldelijk wordt ook ge- 
meld, hoe walvissen, cachelotten en andere potvissen op het strand zijn 
aangespoeld. De eerste vermeldingen hiervan zijn al uit het eind van 
de 15 de en begin 16de eeuw, maar meer gedocumenteerd zijn die uit 
later tijd. Zo bestaat van de op 4 januari 1629 tussen Noordwijk en 
Zandvoort aangespoelde walvis een prent van C. Kittensteyn naar 
P. Molijn, voorzien van het volgende vierregelig vers: 

Wanneer ons 't vierde licht van 't nieuwe jaer quam groeten, 
Is hier dees wallevisch, lang drie en cestig voeten, 
Van N oortwijk op de zee naar Sandvoort weggestrand. 
God wende 't quaed van ons en 't lieve Vaderland, 

waaruit blijkt, dat men dit voor een slecht voorteken hield. 
De historisch-topografische atlas op het gemeente-archief van Haar- 
lem bevat verscheidene afbeeldingen van de walvis, die op 20 februari 
1762 tussen Wijk aan Zee en Zandvoort aanspoelde, terwijl zich in 
dezelfde verzameling eveneens afbeeldingen bevinden van potvissen, 



24 



«m 



j/ff :J w / • fisjtf*/ ■ / 

fff rttJ-?2fr-?tKr.- » /"/■- 'frrr. 



t /-f 



■A'ff/irrrrr J/&J, t&st Sjf 9 jf/t 




f , * ', . * « «s ï-* 



9.H. V/SA. «/£'//,/:■ „ .;./.;, ,,,.. ..,//>, 

/ ■ / ' ' '" ■ ' 

* Tij- •,„.;sit. ■ ,.„ ff/ . ■•-,#'• '4,-/,/ , </ (r 4 .-,/. •/!'/. „.-fs- 

f ■",-,■ ;,, **.;. ///.7>!v, /,..:., f', J { r / f/( .,,,{. 

''''{</''"<••' :t'/„-' '„ ■■■■■• >'< ^r,s„,f .„ //?/.,„,/$„</, 

*■/ 's- ■' 

t/( f' ■ /■■'> <■ .'.'■ f,'-,' ' >?',' ,/ '-."ft f6/.v ■■f/fs/ij-r/,. 

. ' '• •/■;'</ ■■■ .•■*..■' ■ : ■ •', ■ <■■■. ■ f .f-'fc .■>'■ f', 1 '. >'. </ " . 

»/ /•/ A// . < /*■ - / ''/■ <■?/<■/ ■ ■ '•//, ,;., - 4/vv •/ . 



'ff. 



'Art naive' uit ry8i. (Gemeentearchief, Haarlem) 



welke aldaar op het strand werden geworpen op p mei 1781 en 28 
november 1791. 

Een derde oorzaak van de achteruitgang van de bevolking was verder 
de pestziekte, die in de 17de eeuw in deze streken vaak gewoed heeft 
en ook het dorp Zandvoort dikwijls heeft geteisterd. 

De zeventiende eeuw 

Overigens moet juist op het eind van de zestiende en begin zeven- 
tiende eeuw enige opbloei van Zandvoort worden vermeld als gevolg 
van de walvisvangst op Groenland en in Straat Davis, waaraan ook 
de Zandvoortse vissers deelnamen. Dat Zandvoort toenmaals groter 
geweest is, is bij afgravingen van de duinen wel gebleken. 
Uit die periode dateerde ook het helaas verdwenen Proveniers- of 
Gasthuis, later genoemd Oude Mannen- en Vrouwenhuis. Dit werd in 
1583 door Gerrit en Aeltgen Willems gesticht voor twaalf oude man- 
nen en vrouwen, die gratis inwoning kregen. De portretten van de 
stichters sieren thans de raadzaal. Het gesticht werd bestuurd door 
drie regenten; de rentmeester legde rekening en verantwoording af 
aan het dorpsbestuur. Ten behoeve van het Gasthuis was in het dorp 
een bus op een paal geplaatst, waarin men zijn giften kon deponeren. 
Een keur van baljuw en leenmannen van Brederode van 22 april 1632 
verbood op straffe van drie Carolus gulden deze 'bos met steenen ofte 
ander vuyligheyt te werpen ofte oock in geenderhande manieren met 
slaen van stocken ende snyden met messen te beschadigen'. In 1663 
kreeg het Gasthuis een legaat van ƒ 5432- van Agneta van Acker- 
sloot, geestelijk dochter te Haarlem, met de bepaling dat de bewoners 
jaarlijks op haar sterfdag (7 januari) 'een recreatie van een half conyn 
ende een pinte wyn zou gegeven worden'. Op het eind van de 17de 
eeuw waren de inkomsten van het gesticht echter te gering om het 
grote aantal verpleegden te kunnen onderhouden, waarom een oude 
bepaling weer werd ingevoerd, dat de inwoners de helft van wat zij 
in of buiten huis verdienden aan de instelling zouden afstaan (Over- 
eenkomst van 8 februari 1699, arch. nr. 6j). 

Uit de zeventiende eeuw valt verder nog te melden, dat Zandvoort 
blijkbaar in de gunst van prins Willem III, de stadhouder van Hol- 
land, stond, want hij stelde dorpe ende plaets van Santvoort vrij van 
alle inlevering en inkwartiering, hetzij om te provianderen of om te 
verblijven, van alle militie in dienst van de Staat (20 maart 1673, 
arch. nr. 44). 

Hoe de Zandvoorters in 1673 ook deelnamen aan de strijd tegen 
Frankrijk blijkt uit een rekening betreffende de kosten voor de op 
12 juli van dat jaar van Zandvoort naar Uithoorn uitgetrok- 
ken manschappen, die behoorden tot de compagnie van kapitein Cap- 
poen, regiment Heemstede, (arch. nr. 51) en daar tot 26 augustus ver- 
bleven. In dezelfde rekening komt ook voor een post aan soldij voor 
48 man, die van 3 tot 9 augustus 1673 in Sluis gewaakt hebben langs 

z6 




'Walvisch aangespoeld te Zandvoort'. Volgens Schrevelius (blz. 308) 
'is er in april 1520 een gruwelijk monster gestrand, zijnde 30 voeten 
lang'. (Verz. Vereniging Haerlem) 



* «f 




«iefeC&GELOT VI S 
I &»se 44 Voet 1" s Oeft r Aaé, 
tufifettiïtó voord en VySe- 
; op 35ee,de« 2P Pcb^ r/6j. t 



VeHcugt de» $ Ma* 1+ voor y f ■ 
Guhiént- 



Prent van C. ï>rf» Noorde uit 1762. (Gemeentearchief, Haarlem) 



het strand 'ten tyde de vyantlycke vloten sigh onder de kust ver- 
toonde'. 

In 1681 bracht een collecte te Zandvoort tot lossing van te Algiers ge- 
vangen zijnde Christenslaven een bedrag van 19 gld 10 st. op, welke 
werden afgedragen aan de Ontvanger der gemenelands middelen over 
Haarlem en ressorten vandien (arch. nr. 53). 

Zandvoort onder Paulus Loot 

Op 6 november 1722 is de ambachtsheerlijkheid Zandvoort, die na het 
kinderloos overlijden van Wolfert van Brederode in 1699 aan de 
Staten van Holland was teruggevallen, door deze Staten in de kaste- 
lenij te 's-Gravenhage verkocht aan een Amsterdams koopman, Paulus 
Loot, commissaris vanwege de Staten Generaal te Lissabon, voor 
ƒ 10.500,-. Hij kocht tevens de Zandvoortse duinen voor ƒ 4140,-, be- 
nevens het recht van vergeving van het bodeambt voor / 300,-. De 
belening met de heerlijkheid was erfelijk, maar bij elke overgang moest 
aan de Staten van Holland hulde en manschap worden gedaan en de 
veertigste penning betaald. Tot de rechten behoorden de jaarlijkse 
benoeming (tegen pasen) van de schout en van de zeven schepenen 
uit een dubbeltal, opgemaakt door de regerende, en van de secretaris, 
alsmede approbatie van de beroepen predikanten. De koster werd 
evenals voorlezer, schoolmeester en doodgraver door de heer aange- 
steld op voordracht van magistraat en kerkeraad. Schout en Schepe- 
nen benoemden de kerkmeesters, de vroedvrouw en de chirurgijn- 
vroedmeester. 

Paulus Loot is op 31 mei 1723 als heer van Zandvoort ingehuldigd bij 
welke gelegenheid hij door de schoolmeester met het volgende vers 
werd verwelkomd: 

Zijt welkom, achtbaar beer, 
Zijt welkom met uw zoon 
En met uw knecht Anthoon, 
Zijt welkom met uw schimmels, 
Zijt welkom met uw ruinen 
In deez' verdoemde duinen. 

Wel een bewijs, hoe weinig aanlokkelijk het dorp toen was. De nieuwe 
ambachtsheer liet zich echter niet ontmoedigen. 

Het is door zijn toedoen, dat in 1725 een wagenveer op Zandvoort 
werd opgericht. Het reglement hiervoor is overigens eerst door baljuw 
en leenmannen van Brederode in 1741 vastgesteld, waarna het in 1746 
door de Staten van Holland werd goedgekeurd. In het laatste jaar be- 
giftigde Paulus Loot het gerecht van Zandvoort met de somma van 
2703 gld. 15 st. ten behoeve van de verbouwing van de dorpsstal en 
het voeren van een proces tegen enige voerluiden. Immers uit het 
reglement blijkt, dat toen reeds een aantal voerluiden het alleenrecht 

28 



had de vrachten van en naar Zandvoort volgens vastgestelde prijzen 
te vervoeren, of, zoals het in het eerste artikel heet, onder de bel te 
mogen rijden. Ook de vrachten voor de godshuizen, kerk, dorp en 
vuurboet zouden behoren tot de wagens onder de bel. 
Op deze vuurboet dichtte G. Tysens in zijn Haarlemmer Duinzang 
van 1728: 

Dies zal 't opmerkend oog zig elders bezig houwen, 
Om met aandagtigbeid de Vuurbaak te beschouwen. 
Die 's nags door 't blakend ligt den zéman wijst het spoor 
Op moeder Thetys plas, om hem te hoeden voor 
De lage banken, die den slag der golven breken. 
Laat 't trotse Rodus ons van zijn Kolossus spreken, 
Of Pharos van zijn baak, zo diep in zê gebouwd, 
De naam is 't maar alleen die hen in wezen houwd, 
Want Febus zonnebeeld is lang ter neer gesmeten, 
En Pharos vuurbaak door geweld van een gereten, 
Maar deze toren blijft nog in zijn eersten stand, 
Ten dienst de zémanschap gesticht op 't hoge land, 
Om in den nagt, door 't ligt, zijn weg hem aan te tonen, 
Op dat een wenss'lijk eind mag sijne reis bekronen. 

Voor het onderhouden van het vuurbaken stelden Schout en Schepe- 
nen van Zandvoort drie vuurboetmeesters en één vuurboetstoker aan. 
Het vuur werd alleen aangehouden, als er uit het dorp schepen op zee 
waren. 

Ook de kerk had de zorg van de nieuwe ambachtsheer. Nadat hij het 
gebouw reeds aanzienlijk had verbeterd, stichtte hij in 1728 aan de 
westzijde een fraaie grafkapel. In zijn testament, verleden voor no- 
taris Jan Ardinois te Amsterdam op 13 januari 1746, had Paulus Loot 
verschillende revenuen tot onderhoud van deze graftombe aangewezen, 
welke hij nog aanvulde op 2 augustus 1753 voor dezelfde notaris. 
Met de stad Haarlem, die de ambachtsheerlijkheid Tetterode, Ael- 
brechtsberg en Vogelenzang had gekocht, wist de heer in 1735 een 
overeenkomst te sluiten over de banscheiding, welke met scheipalen 
moest worden afgeperkt. 

De begrafenis van Paulus Loot 

Dat de ambachtsheer Paulus Loot inderdaad de weldoener der Zand- 
voorters is geweest, bleek, toen hij op 14 oktober 1753 overleed en op 
19 oktober d.a.v. met grote statie in de grafkelder werd bijgezet, ge- 
dragen door tien dragers, elk ordentelijk in het zwart en met een zee- 
mansmuts op. Zijn naam was met koperen spijkertjes op de kist aan- 
gebracht. Een beschrijving van deze plechtigheid wordt gevonden in 
een Memorie van de toenmalige onderwijzer, tevens lijkbezorger, ver- 
moedelijk nog de in 1742 aangestelde koster-schoolmeester- voorzanger 



29 



IJsbrand Langeveld, van wie ook een request over is, waarin hij zich 
beklaagt over een schandeloos gerucht als zou hij ongepermitteerde 
gemeenschap hebben gehouden met een zijner gebuurmeysies. 
Zolang het lijk nog boven de aarde stond werd, driemaal daags de 
klok geluid en zijn ook de nodige aanzeggingen gedaan aan schout en 
schepenen, predikant en kerkeraad, die allen, met nog enige aanzien- 
lijke burgers, tot begrafenis en begrafenismaal genood werden, het 
laatste in deze termen: 'dat ze na de begraaf fenis tot Corn. van der 
Mije moesten gaan om een glaasje wijn te drinken en een stuk te eeten, 
maar niet te zingen off te kijven'. Genoemde Corn. van der Mije was 
de schout van Zandvoort (1751-1772) en stamde uit een geslacht, dat 
wij in die functie reeds sedert 1630 aantreffen. Na hem bekleedde van 
1 775-1 776 Jan van der Mije het schoutambt, terwijl van 1837-1866 
J. van der Mije burgemeester van Zandvoort is geweest. 
Verder wordt de eigenlijke begrafenisplechtigheid aldus beschreven: 
'De tijd gekoomen zijnde om te begraaven, zoo kwaamen er vier bid- 
ders uyt de stadt met een koets en bragten een slegt kleed mede, waar- 
mede zij de zitplaats van Sijn W.Ed.Hd. in de kerk behongen. Ik liet 
terstond als de bidders kwaamen de klok luyden en na verloop van 
een groot half uur kwam men met het lijk bij het kerkhoff, alwaar de 
baar op ordre even binnen de muur gezet was; het lijk daarop gezet 
zijnde, hadden ze een roeff en een kleed van Amsterdam mede gebragt, 
welk kleed ik afkeurde, omdat het zoo klijn was, dat (het) op de roeff 
liggende de kist niet konde bedekken, en haalde ons doodkleed. En 
in ordre gekoomen zijnde, gingen de bidders aan eyder zeyde van mij 
en ik in het midden voor het lijk en om het slegte weer werd mij ge- 
ordineerd om maar eens om de kerk te gaan, en zoo de kerk in tot 
voor het graff, alwaar twee mannen in klommen om de kist waar te 
neemen. Want de kist moest met het voeteynde eerst wat neder ge- 
laaten worden, omdat de oopening te kort is en daarom gebruykte ik 
ook drie touwen voor de zekerhijd. Het lijk dan bijgezet zijnde, gingen 
wij de kerk weder uyt met zoo goeden ordre als wij konden en geley- 
den de vrinden voor het huis van de Schout, alwaar ik de bidders, die 
anders voor het lijk heel ordentelijck gegaan hadden, aan eyder zijde 
van de deur twee plaatste met de hoed in de hand, hetwelk ik haar 
voordeede, zoolang totdat de vrinden nevens de Schout en de Hr. 
Secretaris en Do. in huys waaren... En nadat de klok omtrent een 
uur (nadat het lijk bijgezet was) geluyd had, kreeg ik ordre om op te 
houden, maar dat we zes weeken, te reekenen van de eerste ordre aff, 
driemaal daags elke reys een half uur moesten luyden...' 

Zandvoort onder Jan van Marselis 

Na het overlijden van Paulus Loot hebben de Staten van Holland op 
4 september 1754 zijn dochters Margaretha Elisabeth en Catharina 
Ida verlijd met de ambachtsheerlijkheid. Nadat eerst nog het bewind 
was gevoerd door de weduwe van Paulus Loot, vrouwe Margeretha 



30 



Verhamme, die in 1756 stierf, is op 31 mei 1757 de echtgenoot van de 
jongste dochter, Jan van Marselis Jr., schepen en koopman te Amster- 
dam, als heer van Zandvoort ingehuldigd. Bij deze gelegenheid werd 
door zekere vendumeester C. J. v. d. L., een aangetrouwde neef van de 
nieuwe heer, een redevoering gehouden Over de pligten der over- 
heden en onderdanen jegens malkanderen, waarin hij herinnerde aan 
Paulus Loot, 'wiens deugden, schoon naar den lichame gestorven, noch 
leeven, zoo in het hart der gegoeden, als wel bijzonderlijk der armen 
deezer plaatse'. Ook de Zandvoorters werden op hun verplichtingen 
jegens hun nieuwe heer gewezen, waarop hij besloot met de woorden: 
'Ja, dus zal dese afgelegene plaats zijn vermaak en vreugde worden, 
de anderzins barre zandduinen zullen Z.E. van u niet te rugge houden, 
terwijl zij voor hem worden zullen als vruchtbare vallijen en ver- 
maaklijke dreeven'. 

De gezwollen taal van deze rede gaf een grappenmaker aanleiding 
tot het vervaardigen van een Lofreden ter eere van den weledelen 
beer C. ]. v. d. L. door Pieter Foppensz., visboer te Santvoort, uitge- 
sproken op den 31 May ij$j..., waarin hij beweerde, dat Zandvoort 
door het optreden van genoemde Demosthenes even beroemd zou 
worden als het geestrijke Kampen of het vernuftige Edam. Hij wenste 
hem toe, dat hij zich hiernamaals met soortgelijke hoogdravende rede- 
naars voor eeuwig mocht verlustigen. 

Ten tijde van de ambachtsheer Jan van Marselis kwamen enige belang- 
rijke ordonnantiën tot stand, die met voorkennis en adhaesie van de 
heer door Schout en Schepenen waren vastgesteld en door de hoge 
overheid geapprobeerd. De eerste van 6 januari 1772 (arch. nr. 181) 
was de Keure en ordonnantie, waarna de schrijvers der schuyten te 
Santvoort, alsmede de stuurlieden en bootsvolk, zig zullen hebben te 
reguleeren, welke als voornaamste de bepaling bevatte, dat slechts 
de ambachtsheer iemand tot het schrijven of reeden van visch-schuy- 
ten kon qualificeren, en dat geen schuit kon worden ingeschreven, 
welke niet minstens voor f eigendom van een inwoner van Zandvoort 
was. Op 20 januari 1788 werden gearresteerd de Keure en ordonnan- 
tie, waarvan alle burgers en opgezetenen van den dorpe en heerlijk- 
heid Santvoort in 't algemeen hun voortaan zullen hebben te gedragen 
en de Keure, ordonnantie en reglement aangaande het koopen en ver- 
koopen in den afslag der vis op het strand...'. De eerste bevatte 
verschillende ordemaatregelen, o.a. betreffende het wegbrengen van 
vuilnis naar bepaalde daartoe aangewezen plaatsen en het karren van 
het zand. Door de sterke en menigvuldige verstuivinge was n.1. het 
zandkarren in het dorp steeds meer nodig en achtte men het dus nood- 
zakelijk ieder in zijn buurt te verplichten daaraan mede te helpen. 
Ook zijn enige bepalingen ingevoerd betreffende de zondagsarbeid, 
waarover reeds in de 1 7de eeuw voorschriften waren uitgevaardigd. De 
tweede ordonnantie was vooral gericht tegen de z.g.n. ventjagerij, d.i. 
het verkopen van vis buiten de afslag om, waarvan echter een aan- 

3i 



vullende ordonnantie van 23 mei 1788 enige ontheffingen toestond, 
als zijnde zeer voordelig voor de ingezetenen. 

Jan van Marselis stierf in 1793. Ook hij liet twee dochters na, die de 
heerlijkheid erfden, beiden uit zijn tweede huwelijk met Maria R. A. 
Buteux. Het waren Johanna Henriette en Maria Petronella van Mar- 
selis, die respectievelijk in 178 1 en 1785 huwden met twee broeders, 
Jan en Pieter Cornelis Hartsinck, weer Amsterdamse regenten en 
kooplieden. Hun afstammelingen kregen het recht zich Van Marselis 
Hartsinck te noemen. 

Hoewel de heerlijke rechten in 1795 officieel werden afgeschaft, is de 
titel ambachtsheer behouden gebleven. De dragers hiervan oefenden 
een soort beschermheerschap uit en bezaten nog enige rechten zoals de 
invloed op de predikantsbenoemingen. Het was Jan Hartsinck, die na 
de dood van zijn vrouw en zijn broeder, als ambachtsheer optrad. Na 
zijn overlijden in 1823 werden zijn rechten op Zandvoort verkocht aan 
Jhr. Willem Philip Barnaart (1824). 

De Franse tijd 

De Franse tijd met de bijna onafgebroken oorlog tegen Engeland was 
vooral voor de vissers een moeilijke periode. Ondanks de vrede van 
Amiens (1802) was de toestand in 1803 nog zó onzeker, dat de Raad 
van Marine der Bataafse Republiek op 10 oktober de aanschrijving 
deed om de pinken achter het duin te bergen (arch. nr. 263). In 1804 
mocht men wel weer bij dag uitvaren, maar men moest zich stipt 
houden aan alle bevelen, die gegeven werden, en zich op zeker over- 
eengekomen sein dadelijk bergen, als er vijandelijke schepen op de 
kust kwamen. Eerst in september 1804 kreeg men verlof ook 's nachts 
op zee te blijven, maar toen was de nood in Zandvoort ook hoog ge- 
stegen. De Municipaliteit verbood op 13 mei alle openbare vréugde- 
betoon ter gelegenheid van de kermis wegens de ongelukkige tijden 
(arch. nr. 268). In Amsterdam werd een collecte gehouden ten be- 
hoeve van de vissersdorpen Wijk aan Zee en Zandvoort (arch. nr. 267) 
en in 1807 deelde Zandvoort in de gelden, die de inwoners van Kaap 
de Goede Hoop voor de arme vissers van de door de oorlog getroffen 
zeedorpen hadden bijeengebracht (arch. nr. 282). De Zandvoortse be- 
volking bestond toen uit 649 Hervormden, 95 Rooms-Katholieken en 
3 Luthersen. Het grootste deel van het ontvangen bedrag is op last 
van de Landdrost van Amstelland omgezet in schuldbrieven van de 
Nationale Schuld, zodat slechts een klein gedeelte voor directe uit- 
kering in aanmerking kwam. De renten van deze schuldbrieven zou- 
den echter voor noodlijdenden worden besteed. 

In 1807 gaf Lodewijk, koning van Holland, ƒ 200,- aan de achterge- 
bleven betrekkingen van de bemanning van twee vissersschuiten, die 
op 2 april door de Engelsen waren genomen (arch. nr. 286); in fe- 
bruari 18 10 schonk hij ƒ 400,- voor de armen van Zandvoort (arch. 
nr. 292) 



32 



Op 28 oktober 1805 raakte tijdens een beschieting door de Engelsen, 
waarbij vele bewoners het dorp ontvluchtten, een visserspink in brand, 
maar een jonge Zandvoorter, Mathijs Moolenaar, zwom er heen en 
wist onder het vuur der Engelsen de brand te blussen. Klaarblijkelijk 
was hij een visloper, want het Constitutioneel gezelschap te Haarlem, 
voormaals de Volksvergadering, beloonde zijn dappere daad met een 
zilveren tabaksdoos met het volgende inschrift: 

Deez' doos vereerde een vriendenkring 
Aan Zandvoorts braaven jongeling, 
Den kloeken Mathijs Moolenaar, 
Die, spijt het dreigend lijfsgevaar, 
Bij 't fel beschieten van de kust, 
Een brandend pink je heeft gebluscht. 
Dat dit geschenk, hoe kleen, bewijs 
'Bataaf sche moed staat nog op prijs'. 

Overigens was de animo voor het door Napoleon opgeëiste Bataafse 
leger niet zo erg groot. In 1800 waren er drie aangeworven, van wie 
één deserteerde, en zelfs bij de scherpere bepalingen van 18 10 had 
men slechts vier Zandvoorters kunnen strikken (arch. nr. 251). Hoe 
konden zij ook voelen voor de Keizer, die de oorzaak was van de voor 
hun bestaan zo funeste oorlogen? Daarom waren er ook bevelen van 
de onderprefekt van Haarlem nodig voor het vieren van overwinnin- 
gen en van de verjaardagen van deze vorst (arch. nrs. 321, 322). Een 
soortgelijke maatregel was de aanschrijving bij de geboorte van de 
koning van Rome in 18 11 (arch. nr. 309), toen een Te Deum moest 
worden gezongen en de Maire werd aangespoord 'niets te verzuimen 
om aan de inwoonders... die gevoelens in te prenten, welke hun alle 
even zeer moeten bezielen, opdat zij door alle uiterlijke tekenen van 
vrolijkheid aan de dag leggen het belang, hetwelk zij stellen in eene ge- 
beurtenis, aan dewelke in meerdere of mindere mate hun geluk en 
hunne rust verbonden is'. 

Hoe zullen de harten der Zandvoorters echter hebben gepopeld, toen 
zij op 21 november 18 13 de proclamatie lazen van degenen, die in 
naam van de spoedig te verwachten Prins van Oranje het bewind 
over het vrijgekomen vaderland op zich namen. Ongetwijfeld hebben 
zij ook met vreugde gehoor gegeven aan de aanschrijving van de graaf 
Van Limburg Stirum als gouverneur-generaal van de Gewapende 
Magt te Haarlem, om de klok te luiden, zodra de Engelse vloot in 
zicht zou komen, en de nodige wagens en paarden gereed te houden 
tot onmiddellijk transport van de te landen troepen en toebehoren. 
Klaarblijkelijk heeft men de hoop gekoesterd, dat de Prins te Zand- 
voort zou landen, maar dit geschiedde tenslotte op 30 november te 
Scheveningen. 
Dat deze landing niet te Zandvoort plaats vond, is mogelijk te wijten 



33 



aan het feit, dat Zandvoort geen goede verbinding met het achterland 
bezat. De zandweg door den Aerdenhout was bochtig en slecht be- 
rijdbaar. Reeds in 1802 dienden de grondeigenaars van Aerdenhout 
een bezwaarschrift in bij het Staatsbewind, waarin zij naar voren 
brachten, dat er zoveel kuilen in de weg waren, dat hij 's winters bij 
sneeuwval zeer gevaarlijk was voor de zwaarbeladen wagens en 
's zomers door het mulle zand inpracticabel. 

De Straatweg 

Het was een teken van groeiende belangstelling voor Aerdenhout en 
Zandvoort, dat zich in 1824 een commissie vormde om te komen tot 
een bestrating van deze weg met klinkers, te weten van de Herenweg 
of Haagse Straatweg tot aan het dorp Zandvoort, naar het voorbeeld 
van de Haagste Zeestraat, die door Constantijn Huygens bevorderd en 
bezongen werd (Sterck-Proot, Geschiedenis van Aerdenhout, 2de 
druk, blz. jy). Het doel was om Zandvoort uit deszelfs diep verval op 
te beuren als ook om in Zandvoort een etablissement voor zeebaden 
op te richten. Dit laatste, het gebruik van zeebaden, was iets nieuws, 
dat in de tweede helft van de 1 8de eeuw in Engeland was opgekomen 
(Margate 1756). Voorheen werd baden in zee voor niet-fatsoenlijk 
gehouden en liet men zich hoogstens in zee rijden. Oog voor natuur- 
schoon van duin en strand had men trouwens in die tijd nog niet. In 
zijn Uitspanningen van 18 ro heeft de Haarlemse dichter J. B. Welle- 
kens aan Zandvoort deze regels gewijd: 

Dit schijnt de zandzee, of nog droeviger woestijn. 

Geen boom! geen kruid! geen gras! wie zou hier willen wonen? 

Hier ziet men 't rijk des doods naar 't leven zich vertoonen. 

O Zandvoort, zal ik u benijden of beklagen? 

Dat in dit barre duin slijt zorgloos uwe dagen; 

Dat, ver van hoofsche pracht, uw Burgemeesters ziet 

Nu in de Visscherspink, dan in het Rechtsgebied. 

Oud-Rome zag weleer zijn Raaden aan de ploegen, 

En d'uwe willen zich bij want en netten voeghen. 

Door de aanleg van de Straatweg en de stichting van het Badhuis 
kwam Zandvoort echter tot bloei. Het dorp profiteerde van de gro- 
tere belangstelling van buiten, aanvangend met pleziertochtjes naar 
het strand, die tenslotte bewerkte, dat het hoofdmiddel van bestaan 
in het badleven zou worden gevonden. Van armzalig vissersdorp te- 
midden van barre en verdoemde duinen werd Zandvoort een aantrek- 
kelijk vakantieoord. 

DR. G. H. KURTZ 



34 



Geschiedenis van Zandvoort nadat 
het badplaats werd 



De negentiende eeuw is het tijdvak geweest, waarin zich te Zandvoort 
de meest radikale veranderingen hebben voltrokken. De aanleg van 
de straatweg en de stichting van het Groot Badhuis gaven de eerste 
stoot hiertoe. Beide objecten zijn te danken aan een in 1824 gevormde 
commissie, waarin zitting hadden: Jhr. W. Ph. Barnaart van Vogelen- 
zang, ambachtsheer van Zandvoort en lid van Gedeputeerde Staten, 
voorts Prof. D. J. van Lennep, eigenaar van Manpad, en P. van 
Lennep, eigenaar van Groot Bentveld, beiden lid van de Provinciale 
Staten, J. Enschedé, lid van de Haarlemse Raad en W. van der Vlugt, 
bankier te Haarlem. Zij beoogden 'van den ouden zandweg naar 
Zandvoort een klinkerweg te maken van den Haagschen weg bij Oud 
Berkenrode door Aerdenhout en Bendveld naar de Haarlemmerstraat 
in Zandvoort en dan met een Hoogen weg over het duin naar een 
gelijk te maken stuk van de strandreep, om daarop een badhuis te 
bouwen.' 

Nogmaals de straatweg 

De intekening voor het Plan der Negotiatie voor de aanleg van de weg 
en het stichten van een badhuis verliep vlot. Koning Willem II teken- 
de in voor f 10.000,- en de grootgrondbezitters en andere vermogen- 
den uit de omgeving bleven niet achter. De Staten van Noordholland 
gaven ƒ 30.000,- subsidie, verdeeld over drie jaren. Haarlem gaf 
ƒ 100,- per jaar voor onderhoud van de weg en stelde Zandvoort vrij 
van de ƒ 600,- 's jaars, die het moest betalen voor vrijdom van vis- 
accijns. Zandvoort zelf droeg gedurende enkele jaren ƒ 1500,- bij, met 
name ten behoeve van de bestrating in het dorp. In totaal werd een 
kapitaal gevormd van ƒ15 0.000,— in aandelen van ƒ 1 000,-. 
In 1825 begon men met het aanleggen van de weg en in maart 1828 
kwam men ermee gereed. De tracering leverde geen moeilijkheden op, 
want de grond was bijna geheel in handen van P. van Lennep. Het 
gekozen wegprofiel bleek echter bezwaarlijk te zijn. In plaats van de 
oorspronkelijk beoogde 10 m nam men namelijk 7 m, waarvan slechts 
4, 1 8 m werd bestraat. Ten opzichte van het mulle visserspad door de 
duinen en de Schulpweg op Aerdenhout betekende de nieuwe Zand- 
voortse laan een grote verbetering, maar door de onverharde zij- 
stroken ontstonden steeds weer verstuivingen en zandhopen op het rij- 
vlak. Pas jaren later bestreed men dit euvel door boombeplanting en 
bermbegroeiing. De asfaltering van 1920 hief de laatste bezwaren op. 



35 




Zandvoortse laan met tolhuis omstreeks 1900. Foto Bakels 

De Zandvoortse laan eindigde bij het dorp in de beide Krochten en 
werd daar voortgezet door de tegenwoordige Haarlemmerstraat en 
de nieuwe Hogeweg, die ten behoeve van het Groot Badhuis was aan- 
gelegd. In 1826 begon men met de applanneering van den grond voor 
het badhuis en in 1828 was het gebouw voltooid. Aan de goede exploi- 
tatie van het badhuis is het te danken, dat het gehele plan der Nego- 
tiatie geen financiële mislukking werd. De weg leverde namelijk niet 
de verwachte inkomsten op, zodat men de beloofde 4 % rente niet 
meer kon uitkeren en zelfs de aflossing van het geïnvesteerde geld 
moest staken. 

De tollen 

Ten einde de kosten van aanleg en onderhoud van de weg te bestrijden 
werd aan begin- en eindpunt tol geheven. Aan het begin van de weg 
gebeurde dat bij het oude klaphek te Aerdenhout (aan de Viersprong 
bij de oude herberg het Haringbuys) en aan het eind bij Kostverloren 
te Zandvoort. Aandeelhouders hadden tolvrijdom voor zichzelf, hun 
huisgenoten en het in hun rijtuig zittende gezelschap, mits hun gerij 
niet verhuurd was. 

De Haarlemse stalhouder J. C. van den Berg, die in 1 8 5 1 een diligence- 
dienst opende, kreeg in 1861 ook vrijdom van tol op voorwaarde, dat 



36 



de laatste halte hotel Groot Badhuis zou zijn. De omnibussen ver- 
trokken toen van het Houtplein in Haarlem en reden door tot de Dam 
van het hotel Driebuizen. Aanvankelijk was er alleen een zomerdienst, 
later reed men ook enige malen per dag in de wintermaanden. 
Sinds 1859 werden de beide tollen verpacht; in Aerdenhout kwam de 
tol in handen van Jan van der Velde en zijn familie, en in Zandvoort 
aan de Van der Mije's, die in 1873 werden opgevolgd door Van Toom- 
bergen, die tevens chef-kok in het hotel Groot Badhuis was. Ondanks 
veelvuldige protesten wilde men niet tot opheffing van de tollen 
overgaan; in 1909 verkregen auto's en rijwielen echter vrijdom van 
tol, want men begon eindelijk in te zien, dat het toenemende verkeer 
niet meer op een dergelijke wijze mocht worden gehinderd. Op 29 
augustus 1916 werd in beginsel besloten de weg in eigendom over te 
dragen aan de gemeenten Heemstede-Bloemendaal en Zandvoort, op 
voorwaarde dat na afloop van de pachttermijn op 1 maart 19 17 de 
tollen zouden worden afgeschaft. En aldus geschiedde. 
Thans herinnert nog de vaak met sloop bedreigde voormalige herberg 
de Haringbuys aan een der verdwenen tollen. Oorspronkelijk heette 
deze herberg Het Gulden Klaverblad en het was hier, dat blijkens het 
volgende gedicht, de hertog van Langeveld zijn ongewone eetlust be- 
vredigde. 

Als men zestienhonderd acht en twintig schreven 
Was de Hertog van Langeveld in 't fleur van zijn leven 
Kwam in d' Aerdenhout in het Gulden Klaverblad 
Heeft een maaltijd gedaan van twee uren en at 
Dees nabeschreven spijs, zoo ons de waard vertelde 
Die hem de spijs en drank met zijne hand bestelde 
Acht ponden roggebrood en vier tarwebollen fijn 
Tien pond zoetemelksche kaas en haring een dozijn 
Nog liet hij metter haast ook door het keelgat snappen 
Van 't goed acht-gulden bier, omtrent de veertien flappen 
De waard rekent 't gelag. Hier wel terdeeg op let 
't Beliep de gulden vier en nog j stuivers net. 

De renbaan 

In de duinen ten zuiden van de straatweg Zandvoort-Haarlem bevond 
zich een renbaan, die in 1844 in gebruik werd genomen. Bij die gele- 
genheid, waarbij het paard van Prins Frederik de eerste prijs a ƒ 800 - 
won, was ook Koning Willem de Tweede aanwezig en met hem een 
hele stoet hoge personages. Ter ere van Zijne Majesteit had het Ge- 
meentebestuur voor schildwachten aan de ingang van het terrein ge- 
zorgd. Bij gebrek aan geweren waren ze echter van een stevige knup- 
pel voorzien, die ze krijgshaftig presenteerden, toen Z.M. het hek 
doorreed. 
De Koning keek verrast op en meende één der schutters te kennen. Hij 



37 















Bewaarschool aan de Duinweg, naar een oude briefkaart. (Verz. 
G. N. de Heer) 

liet hem dus door de burgemeester bij zich ontbieden op de tribune. 
Toen de schutter daar was aangeland en wederom had gesalueerd, zei 
de burgemeester: 'Vokkie, de Koning meent je te kennen en wou eens 
weten of dat kon.' 

'Nou en of ik Zijne Majesteit ken en hij mij. Denk maar eens aan 
Vokkie de eierendief'. 

Nu herinnerde de Koning zich het aangeduide voorval uit de Tien- 
daagse veldtocht van 1830, die hij als Prins had meegemaakt. Op een 
dag had hij er namelijk over geklaagd, dat hij al in een week geen ei 
had gezien. De droeve klacht was opgevangen door de Zandvoorter 
Volkert Loos, die er onmiddellijk op uit trok om een boer in de buurt 
eieren af te persen. Het resultaat was een mand vol, die de Prins kon 
worden aangeboden. Bij deze herinnering schoot de Koning in de lach 
en de trouwe schutter kreeg een goede fooi. 

Ook in de letterkunde heeft de Zandvoortse renbaan zijn plaats ge- 
kregen door W. J. van Zeggelen's De wedren bij Zandvoort (6 en 7 
september 1844) en de anonieme brochure De wedren bij Zandvoort 
of: wij zagen niets (door A. Beets). Een mooie sepia-tekening van 
C. C. A. Last, Wedren bij Zandvoort (6 september 1844) bevindt zich 
op het gemeente-archief te Haarlem. Hij is aldus een waardig voor- 
loper van het hedendaagse circuit! 



De bewaarschool 

Tot de badgasten, die Zandvoort in 1843 bezochten, behoorde ook de 
bekende filantroop W. H. Suringar. Zijn genoegen werd echter vergald 
door de slechte gewoonte om de kleine kinderen te laten bedelen. In 
overleg met de plaatselijke predikant Ds. Swaluë, die ook al dikwijls 
tegen dit euvel te velde was getrokken, vatte hij het plan op een be- 
waarschool te stichten. Weliswaar was er reeds in 1805 door C. van 
der Schinkel en Aaltje Schilpzand een kinderschooltje opgericht, 
maar dat moet reeds spoedig zijn opgeheven. Het schijnt trouwens 
niet meer dan een bewaarplaats te zijn geweest. 

Op 22 augustus 1843 richtten W. H. Suringar uit Amsterdam, M. Zott- 
mayer, secretaris van het kabinet van de koning van Beieren, en P. L. 
J. Huët, predikant bij de Waalse gemeente te Amsterdam, zich namens 
de badgasten met een circulaire tot de burgemeester en de predikant 
om hun vriendelijk te verzoeken pogingen aan te wenden een bewaar- 
school tot stand te brengen. Zij verwachtten, dat daardoor 200 kinde- 
ren in plaats van om centen te bedelen onder een weldadig toezicht 
gesteld zouden worden om enig onderricht te ontvangen en tot zede- 
lijkheid en godsvrucht te worden opgeleid. De heren verklaarden zich 
bereid voor dit doel bijdragen te verzamelen. In datzelfde jaar kreeg 
men ongeveer / r6oo,- bijeen, waarbij / 200,- van Teylers Genoot- 
schap te Haarlem en ƒ 600- van de heer E. J. Koch, die deze som 
ter herinnering aan zijn zoon schonk, die op 27 augustus 1843 bij het 
baden in zee was verdronken. Het volgend jaar hieid men weer een 
inzameling, waardoor het bedrag tot ƒ 3300,- aangroeide. Toen de 
renbaan werd geopend, kwamen er nog meer bijdragen, o.a. van de 
Prins van Oranje. 

Intussen was er een bestuur gevormd bestaande uit Jhr. Barnaart; 
professor D. J. van Lennep, burgemeester J. van der Mije, W. H. 
Suringar, mr. H. A. van Lennep, ds. C. Swaluë en vier dames. In to- 
taal was ƒ 4650- bijeengebracht en in 1845 kon de school voor 
ƒ 3500,- worden gebouwd. Als hoofd werd mevrouw wed. L. Kloos- 
Kracht aangesteld en haar dochter fungeerde met Antje Koper en 
Geertje Koper als helpster. 

Op 28 oktober 1846 werd de school geopend met een toespraak van de 
heer Suringar, die door professor Van Lennep werd beantwoord. Ds. 
Swaluë had voor deze gelegenheid het zogenaamde Zandvoortse volks- 
lied gemaakt op de wijze van Klein vogelijn (zie verder hiervoor de 
bijdrage van Dr. de Haan). Tot slot zong men psalm 72, vers 11. Ver- 
volgens had er een dank- en bedestonde in de kerk plaats naar aan- 
leiding van psalm nj, vers 14. 

In het eerste jaar waren er al 78 kinderen onder de hoede van mevrouw 
Kloos, die tot 1883 schoolhoofd bleef en toen werd opgevolgd door 
mejuffrouw J. A. van den Ende. 



39 



Middelen van bestaan 

In de eerste helft van de vorige eeuw nam het aantal inwoners toe van 
circa 700 tot circa 1400, om precies te zijn waren er in 1855: 1170 en 
in 1865 als 1550. In Sloets Tijdschrift (18de deel, 5de stuk) worden de 
beroepen vermeld, die in 1860 werden uitgeoefend. Er waren toen 6 
reders, 66 tot 70 vissers, 4 visdrogers, 4 schoenmakers, 4 bakkers en 
6 timmerlieden, die tevens optraden als metselaar, schilder en glazen- 
maker, daar de geringe welvaart geen verdere verdeling van de arbeid 
toeliet. De overige bevolking bestond uit visventers en aardappeltelers; 
slechts 10 dorpelingen voeren ter koopvaardij. Tenslotte waren er 
enige kleine komenijswinkels. 

Naast de visserij - die in de bijdrage van de Heer Varkevisser wordt 
behandeld — was in het midden van de vorige eeuw de aardappelteelt 
de voornaamste bestaansbron te Zandvoort. Reeds omstreeks 18 16 
werden door Van Lennep op Mariênduin aardappels verbouwd en 
zijn nevendoel bij het aanleggen van de straatweg was ook verdere 
ontginning van de duinen mogelijk te maken. Al is er van een groot- 
scheepse ontginning, zoals Van Lennep zich voorstelde, niet veel te- 
recht gekomen, de Zandvoorters hebben zich op kleiner schaal toch 
op de aardappelteelt geworpen. 

Er was een overvloed van bekorste grond en de korst of zode werd als 
een groene bemesting ondergespit; daarop werden twee achtereenvol- 
gende jaren aardappels geteeld en vervolgens in het derde jaar groene 
erwten gezaaid. Daarna moest men mesten, als men tenminste geen 
nieuwe grond verkoos. Een schelpkar mest kostte ƒ 3,- en hiermede 
kon men 10 oude roeden bewerken. In de Zandvoorter duinen werden 
niet minder dan 500 bunders land door ingezetenen van Zandvoort, 
Haarlem en Bloemendaal met aardappelen beteeld. Door de eigenaar 
van de duinen, de heer Barnaart, werd de oude roede voor 3 cent ver- 
pacht. Dit was een redelijke prijs, want andere eigenaren vroegen 4 
cent en in de Haagse duinen werd zelfs 20 cent per roede betaald. Een 
roede bracht gemiddeld i hl op; de prijs van een hl aardappels be- 
droeg ƒ 3- a ƒ 4,-. Wegens zijn goede kwaliteit werd voor de duin- 
aardappel namelijk goed betaald. Tot zelfs in Engeland wist men deze 
soort te waarderen. Er waren in Zandvoort 7 aardappelboeren, van 
wie er één 7 bunder beteelde. Overigens had bijna ieder vissersgezin 
een landje, dat 's winters werd bewerkt, als de visserij stil lag. De 
aardappelteelt maakte tevens een niet onbelangrijke fokkerij van var- 
kens mogelijk. De hoofdvoeding voor deze dieren bestond uit boek- 
weitzemelen — dat hier grint werd genoemd — maar nu kon men de 
hoeveelheid voer met aardappelschillen vergroten. Tevens zochten de 
kinderen voor de varkens nog een duinplant, hazenkool geheten (sor- 
chus arvalis). Soms werden de varkens ook bijgevoerd met visafval, 
maar na augustus deed men dit niet meer, omdat dan het spek een vis- 
smaak zou krijgen. Het aantal varkens, dat hier op deze wijze werd 
gefokt, bedroeg omstreeks 200 stuks per jaar. 



40 




Hooischuur tussen de visserswoningen aan het Achterom. (Tekening 
R. C. Hekker, 1959) 



De veestapel bestond verder uit 36 koeien, die aan de oostzijde van 
het dorp in de oude krochten konden grazen. Deze duinweiden waren 
begroeid met gezond gras, dat een zoete boter gaf. Bij de minste 
droogte verkwijnde echter de grasspriet. Verder hield men 40 geiten, 
meestal van een kleine soort, die in de duinen, vastgebonden aan een 
paaltje, werden geweid. Ten slotte waren er in het dorp nog 40 paar- 
den, 17 ezels, 5 schapen en een groot aantal kippen. Zoals de vissers 
moesten worstelen met de zee, zo moesten de gebruikers van en duin- 
weiden en -akkers altijd vechten tegen het zand. In de aanvang der 
18 de eeuw waren in de Ban van Tetterrode (Overveen) drie woningen 
met ruim 17 morgen bebouwde grond geheel onderstoven. Ook het 
Volmeer, dat vroeger tussen Bentveld en Overveen lag, is onder zand 
bedolven. Om deze zandverstuiving te beteugelen werd geregeld 
voor rekening van het hoogheemraadschap Rijnland in de duinen helm 
geplant. Dit geschiedde in het voorjaar gedurende 2 en in het najaar 
gedurende 8 weken. Het gaf werk aan 40 tot 50 arbeiders, die van 
30 cent tot ƒ 1,- per dag verdienden. 

De waterleiding 

De Zandvoorters verkregen hun drinkwater aanvankelijk uit een drie- 
tal dorpsputten, waaruit zij het water naar boven brachten door mid- 
del van twee emmers aan een ketting, die over een katrol liep. Later 
kwamen er pompen in gebruik, die op hun beurt weer plaats maakten 
voor de waterleiding. 



4i 



Reeds in 1846 maakte C. D. Valiant een ontwerp voor een Amster- 
damse duinwaterleiding. Oorspronkelijk zou het duinwater door bui- 
zen naar de Brouwerskolk bij Overveen worden geleid en vandaar 
naar Amsterdam. Na veel tegenwerking werd eindelijk op een veel 
zuidelijker gelegen plaats met de aanleg begonnen. Op 11 november 
185 1 stak de Prins van Oranje onder muziek en kanongebulder de 
eerste spade in de grond en begon men met het graven der Kom in de 
duinen. Spoedig daarop werden bij Leiduin aan de Leidsevaart de 
nodige dienstgebouwen gesticht. 

De in 1 8 5 1 gegraven kom is de tegenwoordige Oranjekom, de plaats 
waarin het uit de duinen gepompte water verzameld en vanwaar het, 
na eerst te zijn gezuiverd, naar Amsterdam wordt geleid. Allengs ont- 
stond hier een net van waterleidingkanalen, waarvan wij de namen en 
tijd van aanleg laten volgen: Sprenkelkanaal (1852— 1854), Rozen- 
waterkanaal (1852-1854), Oude Zwarteveldkanaal (1852-1854), Van 
Lennepkanaal (1856), Barnaartkanaal (1865), Nieuwekanaal (1872), 
Schusterkanaal (1879), Van Limburg Styrumkanaal (1883), Wester- 
kanaal (1886), Boogkanaal (1886) en Ringkanaal (1929). De opge- 
pompte hoeveelheid water, aanvankelijk op x\ miljoen m 3 berekend, 
steeg al direct tot 2 miljoen m 3 . 'Vloeit, held're spranken, op den wenk 
van Willems zoon verkregen! Bruist als een koninklijk geschenk, Zijn 
dank'bre hoofdstad tegen!' dichtte Nicolaas Beets op de waterleiding, 
maar de Zandvoorters waren minder geestdriftig, want er werd steeds 
meer water aan de duinen onttrokken. 

Ter bestudering van dit vraagstuk is pas jaren later een commissie in- 
gesteld, die in 1891 een rapport uitbracht, waarin het volgende wordt 
gezegd: In de eigenlijke duinen hebben wij te rekenen met de hout- 
cultuur en de aardappelteelt. De houtcultuur is intussen van weinig 
gewicht; wel is waar worden hier en daar goede eigen gezaaide berken- 
bossen in de vlakten aangetroffen, doch deze hebben, wegens het 
moeilijke vervoer, betrekkelijk weinig waarde. Indirect gaven zij aan 
de eigenaars enig voordeel, door de verbetering van de humuslaag. 
Kanalenaanleg, welke in den regel met wegenaanleg hand aan hand 
gaat, kan in dit opzicht slechts verbetering aanbrengen. Een hoge 
grondwaterstand is in elk geval voor de boomgroei eer na- dan voor- 
delig. Feitelijk is de boomgroei dan ook in de laatste jaren niet achter- 
uitgegaan.De aardappelteelt was in de Zandvoortse duinvalleien aan- 
vankelijk van weinig betekenis en kon dat dan ook niet zijn, zolang 
niet door voldoende drainering het waterbezwaar was weggenomen. 
De ontoegankelijkheid der duinen door het ontbreken van goede 
wegen, stond de uitbreiding van die cultuur in de weg. 
Behalve in de omgeving van Zandvoort, waar mestaanvoer vrij ge- 
makkelijk kon plaats hebben, werd indertijd in de duinvalleien 
slechts een vijftal woningen aangetroffen, namelijk in het Paradijs, het 
Rozenwater, het Zwarteveld, het Zandvoortvlakje, het Pannenland, 
wier bewoners door de verbouw van aardappelen in hun onderhoud 



42 



voorzagen en enig jong vee tot mestmaking hielden, waarvoor echter 
de wintervoeding van elders moest worden aangevoerd of waarvan 
een gedeelte, zoals vroeger op Bentveld, in het najaar werd verkocht. 
Meer algemeen is de aardappelteelt pas in zwang gekomen na het op- 
treden van de landelijke aardappelziekte in 1845. De meerdere uit- 
breiding van die cultuur valt dus samen met het tijdperk, waarin voor 
de werken van de waterleiding de grondwaterstand in de duinstreek 
geleidelijk is verlaagd. 

De aanvankelijk goede uitkomsten met dit bedrijf verkregen, werden 
langzamerhand op vele plaatsen slechter en men liet niet na dit ver- 
schijnsel op rekening van de waterleiding te schuiven. De commissie 
meende echter, dat dit ten onrechte geschiedde en stelde vooral in het 
licht, dat in de eerste jaren uitsluitend roofbouw werd gepleegd, het- 
geen zich in de latere jaren begon te wreken. De geschiedenis heeft 
echter bewezen, dat de commissie volledig ongelijk had. De onttrek- 
king van het water aan de duinen is er de oorzaak van geworden, dat 
de eertijds zo bloeiende aardappelteelt geheel verdween. 

De spoorweg 

Naarmate het aantal badgasten toenam, deed zich het gemis aan een 
goede vervoersmogelijkheid steeds nadrukkelijker gevoelen. Om hier- 
aan tegemoet te komen, ging de directie der Hollandsche IJzeren 
Spoorweg Maatschappij er toe over om gedurende het badseizoen da- 
gelijks enige treinen te laten stoppen aan de Zandvoortselaan nabij 
de Leidsevaart. Deze eenvoudige halte was de voorloper van het tegen- 
woordige station Heemstede-Aerdenhout. 

Het verlangen naar een rechtstreekse spoorverbinding met Zandvoort 
bleef echter bestaan, maar de plannen hiervoor stuitten op veel verzet. 
De spoorweg zou immers moeten worden aangelegd door de mooiste 
delen van de wildrijke duinen. Het was dus niet gemakkelijk de tegen- 
stand van de jachtheren en grootgrondbezitters te overwinnen. Toch 
gelukte het een zestal ondernemende mannen ten slotte te zegevieren, 
nadat zij de concessie voor een spoorweg van Haarlem naar Zand- 
voort, die inmiddels aan Ir. Kuinders was verleend, hadden kunnen 
overnemen. 

In het bijvoegsel van de Staatscourant van 6 januari 188 1 is de 
stichtingsacte van de spoorwegmaatschappij afgedrukt. Hierin staat 
o.m., dat de heren Gustav Eltzbacher c.s., koopman te Amsterdam, en 
Eduard Jacob Kuinders verklaard hebben volgens het ontwerp, waar- 
aan op 20 november 1880 de koninklijke bewilliging is verleend, op 
te richten een naamloze vernootschap van koophandel onder bena- 
ming van Haarlem-Zandvoort Spoorwegmaatschappij. De N.V. was 
te Amsterdam gevestigd en zou eindigen, nadat de concessie negentig 
jaar van kracht was geweest. 

Als beginpunt van de nieuwe lijn koos men het station Bolwerk-Haar- 
lem, waarin het Bureau van Exploitatie der Haarlem-Zandvoort- 



43 




Trap van het station naar de Passage. Verz. G. N. de Heer 

Spoorweg-maatschappij werd gevestigd. Na westwaarts door de Scho- 
terveenpolder te zijn gegaan, bereikte men de halte Overveen. Ver- 
volgens keerde de spoorweg zich naar het zuidwesten langs het wel- 
bekende Kolkje en door de duinstreek om te eindigen aan het Station 
Bad-Zandvoort. Op ro december 1880 legde men de eerste hand aan 
de aanleg van de spoorbaan en reeds op 7 mei 1881 maakte men de 
proefrit van het beginpunt naar het eindstation. 

Het station Bad-Zandvoort lag voorlopig nog eenzaam in de zee- 
duinen, maar in de onmiddellijke nabijheid had de Bouwgrond On- 
derneming 'Zandvoort' uitgestrekte terreinen gekocht met het doel er 
wegen en straten op aan te leggen en er gebouwen op te stichten of ze 
als bouwterrein te verkopen. De plannen voor de aanleg werden ont- 
worpen door architect J. C. van Wijk te Rotterdam, die aldaar de 
eertijds zo bekende Passage had gebouwd. Ook voor Zandvoort ont- 
wierp hij een Passage, die men van het station uit langs een monumen- 
tale trap bereikte. De Passage bevatte een twintigtal flinke winkels en 
werd aan de zeezijde begrensd door de Kurzaal. Behalve ruime hotel- 
gelegenheid bevatte dit gebouw tevens een concertzaal en enkele 
kleinere zalen. Aan de zeezijde bevond zich een groot terras. 
Voorts stichtte men het Grand Hotel, dat een internationale ver- 
maardheid kreeg, doordat daar vrijwel iedere zomer veel aanzienlijke 
buitenlandse, waaronder verschillende vorstelijke families uit Duits- 
land, logeerden. Er waren ook veel Duitsers, die hier uitsluitend voor 
zomerverblijf een villa kochten of lieten bouwen. Vooral toen er een 



44 



rechtstreekse treinverbinding door Duitsland met Bazel tot stand 
kwam, nam het bezoek van onze oosterburen sterk toe. 

Duinnamen 

In een overzicht als dit kunnen wij niet gaan uitweiden over het ont- 
staan der duinen, maar wel willen we het een en ander over de namen 
van sommige duinterreinen vermelden. De naamgeving werd vooral 
in de 19de eeuw noodzakelijk, toen men het telen van duinaardappelen 
meer intensief ging beoefenen en het van belang werd, dat men de 
akkers mondeling kon aanduiden. Oorspronkelijk was er alleen sprake 
van de noordelijke, oostelijke en zuidelijke duinen. Men noemde die de 
drie Zandvoortse duinen. Hieronder zal ik nu de belangrijkste namen 
vermelden en daarbij tevens trachten een verklaring te geven. Aan de 
Noordboulevard, bij het tegenwoordige Bad Riche, heeft men de 
Zijpedel die genoemd is naar het daar in de nabijheid op 22 september 
1742 gestrande Compagnie-schip Oude Zijpe. Aan het begin van de 
Bloemendaalse Zeeweg ligt een veld De Lakens, dat zijn naam even- 
eens ontleent aan een gestrand schip, in dit geval geladen met manu- 
facturen. Nadat het schip was wrak geslagen, heeft men de aange- 
spoelde lading (laken) daar ter plaatse in het duin geborgen. De 
romantische opvatting van Ir. E. C. M. Roderkerk (in De Kennemer 
Duinen, van vloedlijn tot binnenduin) als zouden deze Lakens naar 
de voormalige wit-bloeiende en rechthoekige aardappelakkers zo 
heten, meen ik niet te mogen aanvaarden. In De Kennemer Duinen 
(gemeente Bloemendaal) zijn nog drie namen aldus door Zandvoortse 
strandjutters gegeven: de Butterkop, de Lattendel, de Peper edel. 
Meer noordelijk, achter de zeereep, krijgt men eerst het Langerak, 
daarna het Houtglop en vervolgens Abrahams-schoot. Het Houtglop 
ligt in de buurt van strandpaal 59. De naam houdt de herinnering 
levendig aan de tijd, toen de zeereep daar nog laag was en veel openin- 
gen vertoonde, waardoor het zeewater bij hoge vloeden vrijelijk het 
duin kon binnendringen. Het moet zelfs zijn voorgekomen, dat bij de 
zevende paal om de noord na de stormvloed het aanspoelende strand- 
hout achter de zeeduinen dreef. En daarom gaf men die plaats de 
naam Houtglop. 

Het spreekt vanzelf, dat het hoogheemraadschap Rijnland maatrege- 
len trof om het binnenstromen van het zeewater te bestrijden. De 
beste methode hiervoor is het planten van helm en duindoorns. In- 
dien dit deskundig geschiedt aan de zeezijde van het duin, zorgt de 
wind voor de rest. Deze doet het zand tussen de geplante helm stuiven, 
zodat de groei bevorderd wordt. Voor hun werk in de najaars- en 
wintermaanden sloegen de helmplanters een grote tent op, die in 
verband met de veelvuldige stormen op een beschutte plaats moest 
staan. Waarschijnlijk ontleent bovengenoemde duinvallei daaraan de 
naam Abrahams-schoot. 
Meer naar het noorden bevindt zich weer een groot veld, de Noorman. 



4* 



Deze naam herinnert aan een Noors schip, dat daar vermoedelijk 
meer dan twee eeuwen geleden is gestrand. Het wrak van dit schip 
kan nog altijd in zee worden waargenomen. 

Een weinig oostelijker ligt de Huttenvlak. Vroeger werden ook daar 
aardappelen verbouwd. De spitters die er werkten, bleven de hele 
week in het duin en woonden dan in hutten van plaggen en helm; van- 
daar de huidige duinnaam. Nu enige namen uit de zuidelijke duinen. 
Een laagte in het duin noemt men del en een laagte tussen twee duinen- 
reeksen vlaaie, een verbastering van vallei. Vroeger begon de eerste 
vlaaie achter de Hogeweg en die liep door tot aan het Worsten- 
vlak. 

Daarna komt men in het Flessenveld en dan, altijd achter de zeereep 
blijvende, langs het Kalverenvlak, aan het Nieuwe- en Oude-Tonnen- 
gat. Daarop volgen de Kruisdel, het Doodshoofd, de Krentenbol, het 
Dorenvlak en de Oude Haasvelderweg. Dan is men aan de grens van 
het grondgebied van de gemeente Zandvoort. 

Onderweg is men ook enige waterkuilen gepasseerd. Eén daarvan is 
de Franse kuil. Deze dankt zijn naam aan Franse zeelieden, die hier 
jaren geleden schipbreuk leden en na het strand te hebben bereikt in 
het duin verdwaalden. Zij moeten om hun dorst te lessen een water- 
kuil hebben gegraven. Later is de kuil door de spitters en helmplanters 
in stand gehouden. 

Even vóór het Flessenveld leidde het pad van Lukas over de zeereep. 
De naam hiervan houdt ook verband met een stranding. Nu was 
echter niet het schip — de op 31 december 1877 gestrande brik Maria - 
de aanleiding, maar de kapitein, die op een bekende Zandvoorter leek. 
Het meest bekende veld in het zuidelijk duin is ongetwijfeld het Para- 
dijs. Vóór de aanleg der kanalen van de waterleiding was het Paradijs 
of Paradijsveld een weiland en stond daar een boerderij. Door de 
waterleiding droogden de gronden echter zo uit, dat ze voor grasland 
totaal ongeschikt werden. De boerderij werd gesloopt en een jachtop- 
zienerswoning kwam er voor in de plaats. Ook deze is reeds jaren ge- 
leden afgebroken. Thans wijst nog enig puin in het uitgestrekte veld 
de plek aan waar vroeger de boerderij stond. 

Het Paradijsveld wordt aan de oostzijde begrensd door het Stenen- 
veld; aan de ene zijde daarvan ligt het Levervlak met de Levervlaks- 
duin en de Scheveduin en aan de oostzijde is de Schor. Door de Schor 
komt men aan het Barnaartkanaal en daarna aan de voormalige Ren- 
baan. Ten zuiden hiervan bevindt zich weer de oude Vinkenbaan en 
nog zuidelijker ligt het Kromboomsveld, waarin vroeger ook een 
boerderij stond. In dit veld is een steen geplaatst ter herinnering aan 
het feit, dat aldaar op 13 april 1945 een geallieerde bommenwerper is 
neergeschoten, waarbij zes vliegers omkwamen. 

Verder krijgt men als grootste velden: het Pannenland, Vogelenveld, 
Zeventigbunders, Hazenleger, Zwarteveld en Stekkenveld. Zuidelijker 
nog komt men langs de Oude Haasvelderweg in het Haasveld en aan 

46 



de noordoostpunt daarvan liggen de Wouwen en Meeuwenbergen. 
Nabij het P aardenkerkhof (niet te verwarren met de boerderij van die 
naam aan de Zilkerweg), bevindt zich het Hoekgat. Op dit zuidelijkste 
punt komen de grenzen van de gemeenten Zandvoort, Bloemendaal, 
Hillegom en Noordwijkerhout tezamen. Het kan zijn dat dit Paar- 
denkerkhof genoemd is naar de grensafbakening, die vroeger wel door 
het gebeente van grote huisdieren is geschied (vergelijk het Paarde- 
koppenvlak in de Kennemer Duinen). 

Door de oostelijke duinen - tussen Zandvoort en Overveen - liep het 
zogenaamde Vispad, de gebruikelijke weg naar Overveen en Haarlem. 
Dit pad begon in de tegenwoordige Haltestraat, ongeveer ter hoogte 
waar thans het café Bluijs is. Daar stond de Kousenpaal, waarover 
men ook in het hoofdstuk over de klederdrachten kan lezen. Het Vis- 
pad werd in hoofdzaak gebruikt door de vislopers. Bij de Kousenpaal 
trokken zij hun kousen en schoenen of klompen uit en liepen dan 
barrevoets, duin door, via de Kooitjesblenk en Akemanswater naar 
Kraan tjelek en Haarlem. Bij de Kousenpaal was men al in duin; er 
stond daar geen enkel huis. Het oorspronkelijke pad liep vrijwel in 
dezelfde richting als thans de spoorbaan, het tegenwoordige Vispad 
loopt aan de zuidzijde ervan. 

Akemanswater is een diepe del, die langs het Vispad aan de oostzijde 
van de Kooitjesblenk is gelegen. Vroeger stond er 's winters water in 
die del, gelijk dit het geval was op veel andere plaatsen in het duin. 
De naam moet zijn ontleend aan die van een inwoner van Overveen, 
Akeman geheten, die op een donkere winteravond van het pad af- 
dwaalde en in het water van de del verdronk. 

De vissers en vislopers, die van het Vispad gebruik maakten, hebben 
in het laatst der zeventiende eeuw de hofstede Dalenberg bij Kraantje- 
lek geplunderd en vrijwel gesloopt. Deze hofstede werd in 1690 voor 
een paar honderd gulden verkocht aan een vrij onbetrouwbaar koper, 
namelijk aan Isaac van Nikkelen, avonturier en perspectief-schilder. De 
plaats had toen reeds vele jaren half woest gelegen en het werd alras 
duidelijk, dat de nieuwe eigenaar er geen zijde bij zou spinnen, omdat 
de belasting op een zo improductieve bezitting te zwaar zou drukken. 
Maar Van Nikkelen beweerde het tegendeel, want hij wilde hier 
witte moerbeziënbomen planten en met behulp daarvan de zijde- 
cultuur (Haarlem was er beroemd door) en de zijdeweverij uitoefenen. 
Onder dat voorwendsel liet hij alvast het geboomte van de plaats ver- 
kopen en ook de fraaie vloeren uit het huis; hetgeen hem veel meer 
opbracht dan de gehele koopsom had bedragen. De magistraat van 
Tetterode (Overveen) vertrouwde de guit niet, want men wist dat hij 
de middelen niet bezat om dit goed te exploiteren en dat hij daarop 
drukkende lasten niet zou kunnen of willen voldoen. Maar niemand 
kon hem beletten Dalenberg te plunderen; het was alles zijn eigendom. 
Het gebeurde gelijk men vreesde; toen de citroen was uitgeknepen, 
werd ze weggeworpen. Er kwam niets van de voorgewende onder- 

47 







Stranding van Z. M, Cycloop, 2.1. 1855. 

neming; het plan van de zijde-cultuur had dienst gedaan en Van 
Nikkelen had de belastinggaarder vernikkeld. Naar zijn eigendom 
keek hij niet meer om. Sindsdien werd Dalenberg nog verder geplun- 
derd door de Zandvoorter vissers, die in het voorbijgaan vensters en 
deuren, kasten en daarna zelfs de zolders en de trappen afbraken om 
dit alles als brandhout mee naar huis te nemen. 

Tot slot noemen wij nog in het noordelijk duin: het Hondenvlak, het 
Oude Huisje, de Caesar, het Wurmenveld, het Abelenvlak, het Stalen- 
veld, het Oude en het Nieuwe Exerceerveld, de Bokkendoorns. En in 
het oostelijk duin: de Ezelenkelder, de Appelenberg, de Tonnenberg en 
het Zandvoortervlakje. 

Het reddingswerk 

In een overzicht over de gebeurtenissen sinds het begin van de negen- 
tiende eeuw mag het reddingswerk aan de kust zeker niet ontbreken. 
Op 11 november 1824 werd te Amsterdam de Noord- en Zuid-H ol- 
landsche Redding-Maatschappij opgericht. Onmiddellijk liet zij negen 
boten bouwen, die in februari 1825 werden gestationeerd te Ameland, 
Terschelling, Texel, Huisduinen, Callantsoog, Wijk aan Zee, Zand- 
voort, Noordwijk en Katwijk. Het waren zgn. Groenlandse sloepen, 
die onzinkbaar waren gemaakt door een opvulling met Overijselse 



48 



biezen onder de doften. Ten einde de veiligheid van de roeiers te 
bevorderen werden aan hen scaphanders of zwemvesten verstrekt, die 
zij op iedere tocht met de boot moesten aandoen. 
De Zandvoorters hadden al spoedig succes met hun nieuwe boot. Im- 
mers op 5 februari 1825 gelukte het hun de uit elf koppen bestaande 
bemanning van het gestrande barkschip Virginia te redden. Dat de 
Zandvoortse roeiers in de loop der tijden een goed figuur hebben ge- 
slagen, moge blijken uit het volgende staatje, waarin alle schepen zijn 
vermeld, waarvan door hen schipbreukelingen werden gered: 



gered 



gered 



Virginia 


5- 2-1825 


11 


Wierdina Hendri 


ka 




Brittannia 


20- 2-1831 


6 




19- 9-1866 


f 


Cornelia 


4-11-1833 


5 


Aidwell 


25-12-1868 


6 


The Good Will 


18-10-1834 


5 


Appeline 


14- 9-1869 


10 


Dorothy 


3" 3-1835 


8 


Alexandre 


20-10-1869 


11 


Amanda Rosalia 


21- 6-1835 


4 


Henrïètte 


23-10-1874 


11 


Isis 


9-12-1836 


8 


Penwith 


20-11-1875 


4 


Grev Herman Wedel Jarsberg 




Paul Ernst 


23-11-1877 


3 




6- 3-1837 


9 


Greifswald 


25-H-1877 


2 


Emanuel 


26-10-1840 


6 


Maria 


31-12-1877 


6 


De Jonge Pieter 


24- 9-1842 


5 


St. Nicolaas 


1- 1-1880 


V 


Wohlfahrt 


9-11-1850 


6 


Antina 


18-12-1881 


5 


Geertruida Johanna 




Content 


4-12-1883 


4 




8-10-1851 


6 


L'Indépendence 


22- 1-1884 


6 


Oscar 


22-10-1854 


4 


Rust en Werk 


29-12-1891 


8 


Holdenis 


4-12-1854 


5 


Forsete 


8-12-1895 


6 


Euphrasie 


8-12-1854 


8 


Schouwen II 


16- 1-1904 


4 


Cycloop 


2- 1-1855 


if 


Alba 3 


1/1-1/2-1905 


28 


Amphitrite 


17-12-1857 


10 


Hermanos 


21-12-1919 


2 


Jantina Alida 


20-10-1865 


9 


Heinrich Podeus 


24-11-1928 


23 








C. A. Banck 


1- 3-1949 


18 



Het ligt voor de hand dat men niet altijd even fortuinlijk was en dat 
de bemanning van de reddingboot er niet steeds in mocht slagen de 
schipbreukelingen te redden. Dit was o.a. het geval op 29 mei 1860 
tijdens de beruchte Pinkster storm, waardoor veel schepen zijn ver- 
gaan. Alleen al tussen Zandvoort en Noordwijk waren er op die dag 
vier schipbreuken en niemand kon hierbij worden gered. 
Een treffend voorbeeld van een stranding met noodlottig gevolg was 
de schipbreuk op 8 november 1869 van de Louisa Christina, een Hol- 
landse bark onder kapitein Visser. Dit met hout geladen schip was bij 
de oudere Zandvoorters algemeen bekend als de Balkenman. Ongeveer 
5 uur 's nachts, tijdens vliegende storm uit het noordwesten liep het 
op de vierde bank, ter hoogte van de Strandweg. Onmiddellijk hierna 
gaf het schip noodseinen, die op de wal werden opgemerkt. Maar nog 
voordat de reddingboot op het strand was, hielden de noodseinen op 
en bemerkte men niets meer van het schip, totdat omstreeks 6 uur in 
de morgen een man uit de zee kwam kruipen. Dit bleek de kapitein te 
zijn, aan wie het gelukt was een balk te grijpen en die zo aan land had 
weten te komen. 



49 



^LÉlt;^ 




Groot Badhuis uit zee gezien. Links de 'vierboet'. (Verz. G. N. de 
Heer) 

Hoe spoedig het schip verbrijzeld werd, bleek uit het relaas, dat de 
kapitein Visser deed. Hij was juist van het dek in zijn hut gekomen, 
toen hij voelde dat het schip opeens op een bank stootte. Daar hij wel 
begreep, dat het thans om zijn leven ging, vloog hij na zijn laarzen te 
hebben uitgetrokken naar het dek. Daar gekomen zag hij, dat het 
scheepsvolk de sloep reeds had gestreken en daarmee aan de lijzijde 
van het schip op hem wachtte. Men riep hem toe spoedig in de boot 
te komen, daar men vreesde dat die te pletter zou slaan, wanneer 
men nog lang in de nabijheid van het schip bleef liggen. 
In de weinige ogenblikken, die verlopen waren tussen de stranding en 
het aan het dek komen van de kapitein, was het schip reeds zodanig 
verbrijzeld, dat Visser over de naar buiten geslagen balken van het 
wrak in de sloep kon overstappen. Onmiddellijk werd nu de koers 
gezet naar het strand, maar toen men de beschutting van de lijzijde 
van het schip niet meer had, werd de sloep door een geweldige golf 
belopen, die haar geheel vol water sloeg. Bij de volgende golf kap- 
seisde de boot en alleen de kapitein, die door het uittrekken van zijn 
laarzen in een iets gunstiger conditie verkeerde, mocht het gelukken 
het hoofd boven water te houden en heelhuids het strand te bereiken. 
Zo was dus, precies één uur na de stranding, de gehele equipage op de 
kapitein na verdronken en het schip totaal verbrijzeld. 



5° 



Het badleven 

Algemeen wordt aangenomen, dat Zandvoort een badplaats werd, 
nadat het voor 1828 gebouwde hotel Groot Badhuis in gebruik was 
genomen. Dat is natuurlijk niet geheel juist. Er kwamen 's zomers wel 
gasten, doch van bad- en strandleven was geen sprake, want aan 
baden in zee werd in die tijd nog niet gedaan. Strandstoelen, bad- 
koetsen of andere accomodatie voor de gasten waren aan het strand 
niet te vinden. 

Men kon dan ook alleen reklame maken met de kwaliteit van het 
badwater in de kuipen van het hotel, zoals blijkt uit een drietalig 
biljetje van het Groot Badhuis (uit 1830): 'Dit etablissement beveelt 
zich aan door de nabijheid der steden Amsterdam en Haarlem, gelijk 
meede door de schoone omstreken van Bloemendaal en Heemstede. 
De baden zijn hoogst gemakkelijk ingerigt, het zeewater is voorname- 
lijk daar ter plaatse bijzonder sterk, daar Zandvoort zeer ver van de 
monden der rivieren af gelegen is. Het Logement vereenigt goede be- 
diening met zindelijkheid; ook zijn de prijzen in hetzelve veel ver- 
minderd en rijkelijk onder het bepaalde in andere diergelijke inrich- 
tingen. Tot nadere inligtingen vervoege men zich met brieven franco 
aan de H.H. Commissarissen van het Zeebad Etablissement te Zand- 
voort bij Haarlem. Koninkrijk der Nederlanden.' 
Het bezoek nam echter toe en in het midden van de 19e eeuw kwam 
mede door gebrek aan hotelcapaciteit het verhuren van gemeubileerde 
kamers in zwang. Pas omstreeks 1870 werd de gelegenheid geboden 
tot het nemen van baden in zee. Er kwamen een paar hotels bij en toen 
in 1881 de spoorwegverbinding tot stand was gebracht, werd de toe- 
loop der gasten belangrijk groter. 

Op het strand waren nu vier badinrichtingen geopend, die van het 
Groot Badhuis, van Driehuizen, van Neptunus (voor het hotel Kauf- 
mann, het latere hotel d'Orange) en die voor het Kurhaus of de Kur- 
zaal. Toch waren er maar weinig gasten, die zich in zee waagden. In 
de meeste hotels was nl. gelegenheid tot het nemen van zeebaden in 
zeewater. Dit werd dan door middel van de zgn. waterkar uit zee 
gehaald en in de hotels in een badkuip gestort. 

Voor het nemen van een bad in zee werd gebruik gemaakt van een 
badkoets. Deze stond op hoge wielen en aan de achterzijde, daar waar 
zich de deur bevond, was een grote luifel neergelaten, waarna de 
bader een bad kon nemen, zonder dat onbescheiden blikken hem 
zagen. Vooral de dames kwamen bij zo'n gelegenheid nimmer onder 
de luifel vandaan. Ze baadden altijd met assistentie van de badvrouw, 
die haar bij de hand hield. 

Een grote attractie vormde in die tijd de babbelwagen. Dit was een 
grote houten overdekte wagen met een bank voor ongeveer tien per- 
sonen er in en één open zijkant. De wagen werd in de branding gereden, 
met de open zijde naar de zee gericht, zodat het gezelschap dan on- 
gestoord kon genieten. 



5i 



Een Bad van koud Zeewater 
in de Badkamers . . . per 1 uur 

Een Bad van warm Zeewater 
in de Badkamers . . . . « * « 

Voor een Kunstbad van Staal 

in de Badkamers ....««« 

Voor een Kunstbad van Zwavel 

in de Badkamers ....««« 

Voor een Bad met de Bad- 
koets « « <c 

Voor een Bad met de Bad- 
kar « « « 



Bij Abonnementen voor 25 en meer Ba- 
den, waar voor Lootjes aigegeven wor- 
den , wordt ook 10 pGt. korting toe- 
gestaan, en 20 pCt. voor de Logeer- 
gasten in het Badhuis. 



NB. De Lootjes zijn slechts geldig voor 
het loopende Bad - saizoen. 



Stalling van 1 paard 

dito « « « . per 24 uren 

Extra Stroo per paard 

Voeder, hetzij Haver, of Haver met Boo- 
nen , per mandje van twee koppen N. 
maat 

Voor eene plaats in het Koets- of Wa- 
genhuis voor een Rijtuig op twee Wie- 
len per weck 

Voor eene plaats in het Koets- 
of Wagenhuis voor een Rijtuig 
op vier Wielen « « 



Aanmerking. 

Ingeval men meer plaatsen op den Stal 
ter zijner beschikking wilde hebhen, 
dan men werkelijk Paarden heeft, zoo 
moet voor ieder plaats extra, worden 
betaald, in de 24 uren 

Voor het smeren der Rijtuigen, Tuigen 
enz. wordt extra betaald, naar gelang 
van het daartoe verstrekt smeer. 
Baden. 



Abonne- 
ment, 



Stalling. 



15A25 
60180 
15 



Sluiting. 



Uit: 'Tarief voor het logement, de verver schingen en baden in het bad- 
huis te Zandvoort\ i8jj. (Gemeentearchief, Haarlem) 



In het begin geschiedde het verblijf aan zee bijna altijd op medisch 
advies. De grotere trek kwam eerst, toen de geneeskundigen de zee- 
therapie gingen propageren- Het is de grote verdienste geweest van 
Dr. Joh. G. Mezger, die in de tweede helft der 19de eeuw leefde, dat 
hij zijn patiënten een kuur aan zee ging voorschrijven. 
In diezelfde periode onderging het dorpsbeeld grote veranderingen. 
Aan de Boulevard de Favauge werden villa's en pensions gebouwd en 
aan de Boulevard Paulus Loot verrezen het badhuis Zeeduin en het 
pension Wolterbeek, het latere hotel Beau Site. Er werd een gasfabriek 
gesticht en in de voornaamste straten kwam gasverlichting. Omstreeks 
1887 was er reeds een electrische tram, de eerste van ons land. Deze 
liep van de Boulevard de Favauge naar het voormalig park Kost- 
verloren. De lijn werd echter spoedig opgeheven. Daarna behielp men 
zich in de zomermaanden tot omstreeks 1905 met een paardentram, 
die van het spoorwegstation naar het Badhuisplein reed. De indienst- 
stelling van 1899 van de elektrische tram van Haarlem naar Zand- 
voort betekende een belangrijke vooruitgang van het badplaatsbezoek. 
Vooral toen deze lijn enige jaren later daarna werd doorgetrokken 
naar Amsterdam. Welk een belangrijke plaats dit vervoermiddel is 
gaan innemen, bleek wel bij het afscheid van de laatste tram op 
31 augustus 1957. 



5* 



De gebroeders Eltzbacher - duits-joodse bankiers met allure - hebben 
bij de ontplooiing van 'Zandvoort Bad' (zoals men vroeger schreef 
en zei, ook bij de Nederlandse Spoorwegen!) een grote rol gespeeld. 
Hun 'Kurhaus' (eerste steen gelegd, 25 februari 1881, door Roza Eltz- 
bacher) benevens de merkwaardige 'Passage' met zijn statieuze door 
leeuwen bewaakte opgang waren pronkbouwsels, een 'Kurort' waar- 
dig. Ook van het nieuwe 'Kurhaus' (een stijf - symmetrisch geval) werd, 
op 23 maart 191 3, de eerste steen gelegd door een lid uit deze aktieve 
familie, Max Otto Eltzbacher. De gebroeders verdienden het derhalve 
voort te leven in een Zandvoortse straatnaam, vooral nu heel de glorie 
van 'la belle époque' reddeloos is verdwenen op Zandvoort. 
Tot aan het uitbreken van de eerste wereldoorlog is Zandvoort in zeer 
sterke mate een familiebadplaats geweest, waarmede wij willen zeg- 
gen, dat hier dikwijls in het seizoen gehele families logeerden. In de 
regel duurde het verblijf vóór 19 14 langer dan thans, nu degenen, die 
schoolgaande kinderen hebben, meestal zich beperken tot de vakantie- 
tijd. Vroeger was dat anders: een verblijf van drie maanden was vrij- 
wel regel en een van vier maanden geen zeldzaamheid. In verband 
hiermede bezaten vele gasten hier een huis, dat ze slechts in de zomer- 
maanden bewoonden. Na 1920 begon men echter ook te overwinteren. 
Aan de natie-vlaggen die op de hotels wapperden, kon men zien welke 
buitenlandse vorstelijke personen hun intrek hadden genomen. Zeer 
dikwijls waren dat de vlaggen van Duitse vorstendommen. 
In de maand augustus stond op het Grand Hotel bijna altijd de vlag 
van Lippe-Detmold, omdat de Vorst daar met zijn familie vertoefde. 
Keizerin Elisabeth van Oostenrijk (echtgenote van Frans Joseph) 
logeerde voorjaar 1884 in hotel Kaufmann en verbleef in 1885 in pen- 
sion Paula, een kapitaal huis aan de Noord-Boulevard. Van haar 
poëtische proeven is het een en ander bewaard gebleven (zij was in 
dezen een geestverwante van de Roemeense koningin Carmen Sylva, 
die ook poé'tiseerde) en aan Dr. Johan G. Mezger (1839-1909) had 
zij te Zandvoort een trouwe steun en een ware vriend. 
Over deze charmante keizerin, als 'Sissy' in de film (Romy Schnei- 
der!) en diverse damesbladen welbekend, maakte G. N. de Heer een 
documentaire (lente 1965), die de Oostenrijkse president bij diens bezoek 
aan Zandvoort werd aangeboden. Vertoonden zich in 1920 de eerste 
'strandkampeerders', in 1921 kwam de Zeeweg tot stand, waardoor 
Zandvoort ook dwars door het fraaie duinterrein bereikbaar werd. 
Brede, meer dan 3 km lange boulevards boden de wandelaars gelegen- 
heid van het uitzicht op zee en strand te genieten. En zo scheen de 
badplaats steeds aantrekkelijker te zullen worden. Maar de oorlog 
maakte een eind aan de voorspoedige ontwikkeling. 

De jaren 1942-1945 zullen tot in lengte van dagen in de geschiedenis 
van Zandvoort met zwarte kool worden geboekstaafd. Op 23 mei 
1942 werd de toegang tot het strand verboden. Dit vonden de Zand- 



53 







voorters heel erg, maar het was nog maar het begin. Op 6 november 
1942 werd de evacuatie afgekondigd, die op 31 december d.a.v. moest 
zijn voltooid. Daarna bleef er een triest verlaten oord over, waarin 
nog slechts een kleine groep in een beperkt gebied mocht wonen. 
Na de voltooiing van de evacuatie werd Zandvoort overstroomd door 
slopers. Als een furie heeft de sloopdrift van de bezetter hier gewoed. 
Met een groot deel van het dorp werden ook alle badhotels en 
pensions afgebroken en zelfs de beide boulevards en de achterliggende 
straten werden opgeruimd. Van de 2700 huizen die Zandvoort in 
1942 telde, vielen er meer dan 800 onder slopershanden. Uit de lege 
huizen die men niet afbrak, werden de lichtleidingen, het sanitair en 
dergelijke weggeroofd. Puinvlakte en ruïne, dat was de aanblik die 
Zandvoort bood, toen op 5 mei 1945 de dag der bevrijding aanbrak. 

P. VAN DER MIJE KCzn. 



54 



De visserij en de oude kustplaatsen 



Merkwaardig is, dat de inwoners van de diverse Noordzeedorpen ver- 
schillen in gewoonten, taal of kleding vertonen, maar voor Zandvoort 
behoort de eigen kleur tot het verleden. (Nog enkele decennia en dit 
geldt voor alle kustbewoners.) Toch waren de punten van overeen- 
komst talrijker en belangrijker dan de verschillen. Door vergelijking 
met plaatsen waar de traditie het langst heeft bestaan, is het daarom 
mogelijk deze ook voor voormalige vissersdorpen tot leven te brengen. 
Het behoeft niet te verwonderen, dat er zoveel punten van overeen- 
komst in de Hollandse vissersdorpen werden aangetroffen. Men 
oefende immers hetzelfde hoofdberoep uit en tussen de opvarenden 
bestond een nauw contact. Men bouwde hetzelfde schip en verwerkte 
de vangst op dezelfde manier. Men zag zich dikwijls voor dezelfde 
moeilijkheden geplaatst, had tegelijkertijd met dezelfde vijanden en 
met dezelfde natuurkrachten te kampen. Treffend is daarenboven 
tussen de Zandvoortse en de Katwijkse klederdrachten. Wanneer men 
de vrouwelijke leden van de Zandvoortse buurtvereniging De Wurf 
bij bijzondere gelegenheden het in onbruik geraakte kostuum ziet 
dragen, denkt men op het eerste gezicht een groep Katwijkse vrouwen 
voor zich te hebben. 

Nu wil het geval, dat de schilderachtige bedrijvigheid, die de visserij 
eeuwenlang in de Hollandse kustplaatsen heeft gebracht, juist in 
Katwijk het langst heeft voortgeduurd. Daar vonden nog in het begin 
van deze eeuw Jan Toorop, Willy Sluiter, Blommers, Max Lieber- 
mann en Stengelin een laatste gelegenheid om impressie van het oude 
Hollandse vissersleven op te doen. 

Ook thans nog vindt men in Katwijk en Scheveningen de grootste en 
hechtste vissersgemeenschappen van Nederland. Maar vooral Scheve- 
ningen ondergaat de grote-stadsinvloed van het aangrenzende 's-Gra- 
venhage. Te Katwijk ligt de dreiging meer op ekonomisch gebied en 
doet zich naast het probleem van de bevolkingsgroei, de vraag voor, 
of in deze tijd van efficiëntie het vissersbedrijf ter plaatse nog 
langer zonder haven kan blijven bestaan. Scheveningen kreeg in 1904 
zijn haven en daarmee verdween het oude bedrijf van het strand. Te 
Katwijk bouwde men in 1907 nog een bomschuit en voeren in 19 13 
deze echt-Hollandse schepen voor het laatst van het strand af. Het 
was in zeker opzicht een gelukkige omstandigheid dat, naast de ge- 
noemde belangstelling van kunstschilders, toen ook de fotografie reeds 
door verschillende mensen werd beoefend. Wat zij hebben gekiekt 



55 




Schuiten op het strand, omstreeks 1910. (Foto Rijksarchief, Haarlem) 



vormt thans een waardevolle documentatie bij de verhalen, die nog 
talrijke oude Katwijkers kunnen doen over de schepen, waarmee zij 
vroeger voeren. Hoe levendig kunnen sommigen vertellen als zij be- 
merken niet met een 'buitenstaander' te maken te hebben, maar met 
iemand die hun wijze van werken uit die dagen goed kan begrijpen. 
En niet alleen zij verhalen van het oude bedrijf, maar ook de voer- 
lieden en anderen, die op en om de schepen werkten. Er zijn zelfs nog 
enkele scheepstimmerlui, die destijds de laatste bomschuiten hielpen 
bouwen. Het is dus mogelijk voldoende materiaal te verzamelen 
om het nageslacht een duidelijk beeld te verschaffen van de bedrijvig- 
heid, die vroeger langs de Hollandse kust, en ook te Zandvoort, heeft 
geheerst. 

De beugvisserij 

Een der oudste middelen om vis te bemachtigen is de stenen of benen 
vishoek, die reeds duizenden jaren geleden werd gebruikt en in ver- 
schillende musea is te zien. De vis bijt in het aan de vishoek of haak 
bevestigde aas en kan hiervan door de zgn. weerhaak niet weer los- 
komen. Op dit principe berust nog de visserij van de zondagvisser, 
die de armzalige baarsjes van zijn opgetrokken hengel losmaakt en 
eveneens het vangen van de roofzuchtige snoek door de geroutineerde 

56 




Zandvoortse visser. (Foto Rijksarchief, Haarlem) 



sportvisser. Omdat de vangstmogelijkheden toenemen naarmate men 
meer vishoeken tegelijk gebruikt, vist men in zee altijd met vistuigen, 
waaraan zich meer dan één hoek bevindt. Houdt men daarbij de lijnen 
in de hand, dan noemt men dit vissen met de kol of traap. Het echte 
kollen, d.w.z. uitgeoefend als beroep, is door de Hollanders vroeger 
wel bedreven maar meer vanuit de havenplaatsen en op grote afstand 
van huis. 

Een andere soort hoekwant-visserij, die zowel vanuit de havens als 
vanaf de kunstplaatsen veel meer en veel langer is uitgeoefend, is de 
beugvisserij. Hierbij waren vele duizenden vishoeken door middel 
van dwarslijntjes (sneuen), bevestigd aan kilometers lange beuglijnen. 
De latere Hollandse stoombeugers visten met een beug van ongeveer 
1 8 km lengte. Als men de enkele, niet-levensvatbare pogingen, die na 
de oorlog van 1940-45 nog vanuit Vlaardingen zijn ondernomen, niet 
meerekent, kan men zeggen, dat de beugvisserij op zee daar voor ons 
land in 1936 of '37 eindigde. Ook vanuit Zandvoort heeft men vroe- 
ger, zij het op bescheidener wijze, de beugvisserij beoefend. Op het 
IJsselmeer vist men thans nog met een soortgelijk vistuig op lijnaal. 

De schrobvisserij 

Hierbij wordt achter het schip een net gesleept, dat de vis opvangt 



57 



„ < J.K.BOEKLACE & C™ Ousmtt&n. J. Groen . 




J.Keeiman. M.vM*tr$tknikel C.VK WcdJ.rMld&Wtrff. LvMtkrWerlftxlii)UPiê/>. 




a. 



met rctdtnevi. 

n. 



Z.SenlO. 
W.vdneLtrWerff. H.lwtmmtr. 




Sfi S. 



iiiiiiiiiwm »/ 



vrit. 



YU*mw. 



brom. 



I IW&Tt . 



Vlaggen van de Zandvoortse reders, omstreeks 1850. (Gemeente- 
archief, Zandvoort) 



die zich op of nabij de zeebodem bevindt. Men moest dus eerst zee- 
waardige schepen en enigszins doelmatige netten kunnen vervaardi- 
gen, voordat deze visserij kon ontstaan. 

Het net heeft een vorm van een langwerpige, van achteren smal toe- 
lopende en aan het eind dichtgebonden zak, die uit de aard der zaak 
aan de voorkant moet worden opengehouden tijdens de vaart. Vroeger 
deed men dit algemeen met een boom, dat is een soort paal (dwars 
voor de opening van het net) met aan de punten rechtopstaande, 
ijzeren uitsteeksels of beugels, waaraan de voorste uiteinden van het 
net waren bevestigd. Het boomnet wordt nu nog maar weinig ge- 
bruikt; in noord- west Europa alleen daar, waar met de trawl niet kan 
worden gevist. Tegen het eind der vorige eeuw is nl. de boom ver- 
vangen door twee scheerborden welke, indien het schip behoorlijk 
vaart loopt, het net, waarvan de mond door vleugels is verbreed, 
wijder kunnen openhouden. Uit Engeland, waar men dit vistuig voor 
het eerst toepaste, is de naam trawl (een enkele maal ook ottertrawl) 
ingevoerd. Het eerst werd de trawl door stoomschepen gebruikt, die 
haast alle te IJmuiden stonden ingeschreven. Omstreeks 1908 werd 
ook door de Scheveningse en Katwijkse zeilloggers overgegaan van 
het boomnet op de trawl. 
De moderne trawlers zijn dus ontstaan uit de oude schrobvisserij, die 



J8 




.%t *V Smtffrwr? . 



Schuitegat bij Zandvoort. (Rijksarchief, Haarlem) 



van uit de kustdorpen werd uitgeoefend. Door de strandschepen, zoals 
de bomschuiten, is het trawlnet nooit gebruikt, dus ook niet in Zand- 
voort. Wel heeft men vandaar uit eeuwen lang, zij het in beperkte 
omvang, aan de schrobnetvisserij deelgenomen. 

De vleetvisserij 

De vleetvisserij is de jongste van de drie visserijvormen, al schat men 
de leeftijd ervan op bijna duizend jaar. Het is begrijpelijk, dat met 
de gebrekkige eerste vormen van het schrobnet de vlugge vissen zoals 
de haring zich niet lieten vangen. De trekkracht van de primitieve 
scheepjes vormde slechts een fractie van die der tegenwoordige kleine 
kotters, om niet te spreken van de haringtrawlers. Pas toen men 
drijfnetten ging toepassen, die als een gordijn in het water stonden en 
waarvan de maaswijdte zodanig was, dat een haring juist zijn kop er- 
door kon steken, terwijl de uitwijkende kieuwdeksels hem beletten 
deze weer terug te trekken, was het vistuig voor de haringvangst ont- 
dekt. Een reeks vaan deze netten aan elkander verbonden en bijeen- 
gehouden door één lang dik touw, de reep, vormt de vleet. De lengte 
van de vleet is in de loop der tijden uitgedijd tot de tegenwoordige 
van 3,5 a 4 km, doch zij was vroeger natuurlijk veel kleiner. Ongeveer 



59 



8 o jaar geleden visten de bomschuiten nog met vleten die ruim i km 
lang waren. 

Wordt met het schob- of trawlnet een ruime sortering van vissen op- 
gehaald, met de vleet wordt vrijwel alleen haring gevangen. De 
haringvisserij is voor ons van de grootste betekenis geworden. Het 
eerst werd zij in de zuidelijke Nederlanden, Vlaanderen en Zeeland 
(Willem Beukelszoon te Biervliet) uitgeoefend. Later veel intensiever 
uit Hollandse steden, die aan open water lagen zoals de Maassteden 
en Amsterdam, maar vooral Enkhuizen. Mede uit deze visserij ont- 
wikkelde zich de koopvaardij. 

Ook de bewoners der kustplaatsen namen deel aan de haringvangst; 
sommigen uit de steden, de meesten evenwel op de bomschuiten die 
op de eigen woonplaatsen werden uitgereed. Te Zandvoort schijnt 
men in geringe mate aan de vleetvisserij te hebben deelgenomen. 
Trouwens, in de kustplaatsen was lang niet zoveel met de haring- 
visserij te verdienen als in de steden. De aanvoer van de duurdere 
pekelharing was nl. alleen voor de steden gereserveerd, voor de sche- 
pen van de kust gold een kaakverbod. Zij konden slechts de onge- 
kaakte, goedkopere steurharing aanvoeren, die ze grotendeels tot 
bokking rookten en dan verzonden. 

Tot 1857 heeft deze wettelijke tenachterstelling van de ene groep 
Nederlanders ten gunste van de andere geduurd. Toen is de regering 
bezweken voor de aandrang, die door de Kamer (o.a. Mr. Donker 
Curtius) op haar in toenemende mate was uitgeoefend. De bemoei- 
ingen en voorschriften van de overheid, die gedeeltelijk reeds sedert 
1500 het bedrijf als een harnas hadden omgeven, waren nu geheel 
verdwenen en de schamele vissers van de zijde (kust) konden hun 
bedrijf in vrijheid ontwikkelen. 

Wanneer de geschiedenis van de visserij van Zandvoort zou zijn be- 
schreven, zouden wij daarin vernemen van goede jaren en misschien 
nog meer van slechte tijden; van stormen en hoge vloeden, van verlies 
aan schepen en aan mensenlevens. Wij zouden kunnen lezen van oor- 
logshandelingen, van vijanden en Duinkerker kapers vlak onder de 
kust. Van rijke vangsten en zwarte armoede; van moedige reddingen, 
maar ook van kibbelarijen over vistuigen en meningsverschillen bij de 
afslag. 

Zandvoort heeft echter niet, zoals Katwijk, een Dr. Adrianus Pars 
gehad, wiens geschiedenis van de beide Katwijken uit 1679 in 1745 
een tweede druk beleefde. Of een Ds. W. A. Poort, die in onze dagen 
het verdere verloop van Katwijk historisch beschreef in Kondom de 
oude Rijnmond. Zo had Scheveningen zijn J. C. Vermaas, die als 
plaatselijk onderwijzer zijn vrije tijd heeft besteed aan de Geschiede- 
nis van Scheveningen in twee grote delen (1926). Jan Kloos, mr. 
bakker, dichter en dorpshistoricus van Noordwijk, deed hetzelfde 
voor zijn omgeving in Noordwijk in de loop der eeuwen (1928). 

60 



Pars, die verschillende gebeurtenissen in de naburige plaatsen opsomt 
(zware stormen, kaperij, grote vangsten) noemt Zandvoort in het 
geheel niet. Vermaas, die viervijfde van één zijner boekdelen vulde 
met de visserij, vermeldt, voorzover ik kon nagaan, Zandvoort slechts 
op twee plaatsen en Kloos, van wie men als naaste buur méér zou ver- 
wachten, stipt slechts eenmaal Zandvoort aan en dan nog alleen in 
verband met het badbedrijf . 

Speelde de visserij van Zandvoort dan zo'n ondergeschikte rol? Als 
middel van bestaan voor de vroegere gemeenschap wellicht geen min- 
dere dan in de andere oude kustplaatsen. Doch Zandvoort zelf was 
blijkbaar kleiner en zo was in absolute zin de deelname aan de Noord- 
zeevisserij ook van geringer betekenis. Bovendien heeft men de visserij 
uit Zandvoort eerder gestaakt dan die uit andere kleinere vissers- 
plaatsen langs de kust, zoals Noordwijk. 

Ook Prof. Mr. A. Boujon, die in zijn Overzicht der geschiedenis van- 
de Nederlandse zeevisscherijen (1885) zoveel bijzonderheden over 
andere vissersdorpen mededeelt, laat ons - wat Zandvoort betreft - in 
de steek. Slechts eenmaal noemt hij Zandvoort bij de mededeling, dat 
vandaar uit, evenals uit alle andere kustplaatsen van Ter Heide tot 
Egmond, van oudsher met bomschuiten de steurharingvisserij werd 
uitgeoefend. 

Al moge Zandvoort dan op geen onderzoeker van de plaatselijke ge- 
schiedenis kunnen wijzen, het bezit iets anders waarop genoemde 
plaatsen weer niet kunnen bogen. Er bestaat nl. een Economische be- 
schrijving van de badplaats Zandvoort in Sloet's Tijdschrift 18de dl., 
5 e st. Weliswaar zijn deze gegevens onvoldoende om een geschied- 
kundig overzicht van de visserij samen te stellen in de zin van de 
reeds bestaande over Scheveningen, Katwijk en Noordwijk, maar ze 
kunnen dienst doen als uitgangspunt voor een beschrijving van het- 
geen men omstreeks het midden van de vorige eeuw op en om het 
Zandvoortse strand kon waarnemen. 

De schepen 

In 1860 bestond de Zandvoortse vloot uit 13 schepen. Deze bezaten 
het bomschuitmodel, zoals vroeger alle op de kustplaatsen gebruikte 
schepen. Deze naam is stellig afgeleid van de vlakke, stevige bodem, 
in het spraakgebruik boom (platboomschuit-boomschuit). Het waren 
echt- Hollandse vaartuigen; niet in staat om een wedstrijd in het snel- 
zeilen te winnen, doch stoer en sterk. Zij konden zelfs bij ruw weer 
het strand af- en aanvaren en zij waren door hun grote breedte (ca. de 
helft van hun lengte) bijzonder zeewaardig. 

De vlakke bodem, de voor- en achterstevens waren van plm. 15 
duims dik eiken. De huidgangen of boorden waren onder water i£ 
duims iepen en boven water van duims eiken. Dit laatste was van 
prima kwaliteit, zgn. wagenschot, uit Beieren en Slavonië. De bouw 
van de bom had plaats zonder tekeningen. Men gebruikte slechts een 

61 




De scheepstimmerwerf van Van Duïvenbode aan de Strandweg, naar 
een aquarel van omstreeks 1870. Let op het redersembleem (hart) 



enkele mal en verder diende de ervaring, die in een reeks geslachten 
van vader op zoon was overgegaan. 

Deze bouw op het oog had niet plaats aan het water, op een scheeps- 
helling, zoals gebruikelijk, doch in een bouwschuur. (De firma Taat 
te Katwijk, die in 1907 de laatste bom in ons land bouwde, heeft nog 
zo'n bouwschuur in gebruik). Als merkwaardigheid kwam hier nog 
bij, dat eerst de huid tot boventoe werd gereed gemaakt, en pas dan 
daarin de spanten of inhouten werden aangebracht. De verschillende 
onderdelen, zoals het zaadhout (dat veel op een sterke tweede bodem 
geleek), de binnenwegering enz., werden door enige duizendtallen y/8 
duims houten nagels aan elkaar verbonden. Voor iedere nagel, waarbij 
er ook zijn van plm. 50 cm lengte, moest apart met de hand een gat 
worden geboord. De huidgangen waren reeds tevoren, met ijzeren 
klinkspijkers, koud geklonken. Hierbij werd het oeroude, overnaadse 
systeem toegepast- 

Ten slotte kwam het dek en het roer en daarna werd de schuit op grote 
houten rollen geplaatst om door paarden over planken naar de zee- 
kant te worden getrokken. Dit was een belangrijke gebeurtenis, waarin 
de hele dorpsgemeenschap meeleefde. Op de werf (alias worref of 
wörrej), de tegenwoordige Boulevard, werd de schuit dan verder uit- 
gerust of uitgereed, zoals dat heette en werden zwaarden, mast, rond- 
houten, tuig, takels en blokken, zeilen benevens de teer en verf aan- 
gebracht. Daarna ging hij 'neer', d.w.z. werd hij alweer door paarden 
over planken en rollen naar de laagwaterlijn getrokken en nadat ver- 
dere uitrusting, vistuigen, victualie en bemanning aan boord waren ge- 
komen, koos men zee. Zie voorts: E. W. Petrejus, De bornschuit, een 
verdwenen scheepstype, Rotterdam 1954. 

Het overzicht van 1860 zegt: de visserij wordt uitgeoefend met 11 
pinken en 2 schuiten voor de rompvisserij (= visserij op rondvis). De 



62 



laatste waren vermoedelijk iets groter. Verder wordt gezegd dat deze 
worden getimmerd op de kleine werven der verschillende vissersdor- 
pen langs de kust, zoals Scheveningen, Katwijk aan Zee, Noordwijk, 
Zandvoort en Egmond. Wanneer we echter enkele regels hoger lezen, 
dat er slechts zes timmerlieden waren, waaronder geen enkele scheeps- 
timmerman wordt genoemd, dan kunnen wij wel aannemen, dat de 
Zandvoortse werf (bouwschuur) geen bommen meer afleverde. Te 
Egmond, waar toen ook slechts een klein aantal bommen voer, werd 
de scheepsbouw langer uitgeoefend. In de jaren '90 zijn daar nog bom- 
schuiten gebouwd, waaronder enkele voor Katwijkse rederijen. De 
oudste Zandvoorters weten niets meer van bomschuitenbouw in hun 
plaats. Zij vermoeden dat de laatste voor Zandvoortse rekening elders 
werden gebouwd. 

Hoewel bij de lijst van beroepen in 1860 geen scheepsmakers worden 
genoemd, werden wel de kosten (er staat onkosten) van het bouwen 
van een pink met tuigaadje genoemd, nl. ± ƒ 4000,-. In de jaren '80 
en '90 der vorige eeuw kostte een bomschuit met uitrusting, zonder 
netten e.d. te Katwijk ƒ 9000- a. ƒ 10.000,-. Deze was echter groter 
dan de Zandvoortse pink. Een schrobnet, door zo'n pink gebruikt, 
kostte in 1860 ƒ 150,— waarvan ƒ 50,- aan materiaal. 

In de Informatie van 15 14 wordt gezegd, dat de Zandvoorters zich 
bezig hielden met vissen 'ende reeden ter zee 10 pinken en 2 haring- 
schepen die te Haarlem thuis horen ende hadden 10 a 12 jaar vroeger 
14 pinken ende 12 haringschepen'. Hieruit blijkt niet alleen, dat het 
aantal haringschepen in die jaren sterk terugliep, maar ook dat de 
Zandvoorters te weinig kapitaalkrachtig waren om deze grotere vaar- 
tuigen zelf aan te schaffen. 

Het is bekend, dat in de 16de eeuw zowel Zandvoortse als Katwijkse 
haringkopers-reders zich met hun hele bedrijf in Rotterdam gingen 
vestigen en aldus bijdroegen tot de opkomst van deze stad. Zij hadden 
ook reeds in de 15 de eeuw de buisvaart vanuit Rotterdam, Delfs- 
haven en Schiedam uitgeoefend. De Katwijkse haringkopers-reders ver- 
plaatsten echter pas in de begintijd der Republiek (± 1580) hun be- 
drijf naar Rotterdam. 

In 1860 worden de 13 schepen der Zandvoortse vloot verdeeld in n 
pinken en 2 schuiten voor de rondvisserij (kabeljauw, schelvis, wij- 
ting). Haringschepen worden in het geheel niet genoemd. Blijkbaar 
ontbrak het te Zandvoort toen aan initiatief om van de pas verworven 
vrijheid (1857) gebruik te maken voor de haringvangst. Te Schevenin- 
gen en Katwijk begon deze visserij toen juist een belangrijke opleving 
te vertonen. Hiervoor waren echter grotere en duurdere schuiten nodig 
en vooral het vistuig, de vleet, vroeg een voor die dagen belangrijke 
kapitaal-investering. Wanneer de laatste haringschuiten te Zandvoort 
zijn afgevaren heb ik niet kunnen ontdekken. 
Toen de Katwijkse reders in 1752 de prinses-gouvernante wederom ver- 

63 



zochten om de gevangen haring te mogen kaken, ontbraken de Zand- 
voorters niet om dit verzoek te steunen. Het werd ondertekend door 10 
Katwijkse, 4 Noordwijkse, 3 Scheveningse en 2 Zandvoortse reders 
(Corn. Pieter van Duin en Jan Gijze van Duijvenbode uit Zandvoort). 
Als bewijs, dat ook na de Franse tijd de hoop op gelijkstelling van alle 
Nederlanders bij de uitoefening van de haringvisserij spoedig de bo- 
dem was ingeslagen, moge het verzoekschrift gelden dat, vergezeld 
van een uitvoerige memorie, de reders van Scheveningen, Katwijk, 
Noordwijk, Egmond aan Zee en Zandvoort in 18 18 indienden bij de 
provinciale staten van Zuid-Holland. Wanneer deze het niet schade- 
lijk achtten voor de naam van den Nederlandschen haring konden zij 
aan de Koning adviseren het verbod op te heffen, dat reeds 25 no- 
vember 18 14 was gepubliceerd en waarbij aan 'de visscherijen langs 
de kust werd verboden de gevangen haring te kaken, te zouten, en 
aldus gezout in pannen, potten of tonnen te leggen'. 
In 1822 komen de kustplaatsen onder controle van het Kollege van 
de kleine of vers-haringvisserij van de provincie Holland. Daarin 
hadden vertegenwoordigers van de betrokken rederijen zitting: name- 
lijk twee uit Scheveningen en uit Katwijk en één uit Noordwijk, Zand- 
voort, Egmond en Wijk aan Zee. De Zandvoorters doen dus blijkbaar 
in de eerste helft van de vorige eeuw, zij het op beperkte schaal, nog 
steeds mee aan de haringvisserij. 

De dertien schuiten van 1860 vormden de vloot van zes reders. De be- 
manning bestond uit vijf a zes man (waaronder ook de schipper en 
wellicht een halfwas matroos) en één of twee jongens, wier leeftijd 
tegenwoordig verbazing wekt, namelijk tien jaar. Indien de opgave 
van 66 tot 70 in 1 860 te Zandvoort woonachtige vissers juist is, moeten 
er dus toen nog een twintigtal niet-Zandvoorters de vloot helpen be- 
mannen. Een 20 jaar later was dit net andersom, toen de Zandvoorter 
visserslieden op schepen uit andere vissersplaatsen voeren, omstreeks 
de eeuwwisseling meestal op de stoomtrawlers, waarvan het aantal te 
IJmuiden begon toe te nemen. 

Het heet, dat de trawlloggers van Scheveningen de langste reizen 
maken. Dat schijnt altijd reeds zo te zijn geweest, volgens de overzicht- 
schrijver van 1860 kon men daar de pinken al op enige afstand van 
het strand ruiken door de gestorven buit, die zij aanvoerden, want 
de wijze van conserveren was nog primitief. De Zandvoortse pinken 
bleven slechts één etmaal in zee. Dit gaf het voordeel, dat men dage- 
lijks levende vis kon krijgen. Hierbij zal de overzichtschrijver hebben 
gedoeld op de pinken, die de schrobnetvisserij op platvis dichtbij de 
kust uitoefenden. De eerder genoemde schuiten welke de rondvis vin- 
gen, visten wellicht wat verder uit de kust en zullen de visserij niet 
iedere dag hebben onderbroken voor het afleveren van de vangst. 
Deze rondvis werd hoofdzakelijk met de beug gevangen. In de herfst 
begonnen ook de kleinere pinken met de beug te vissen. Evenmin als 
uit de andere kustdorpen, zal de beugvisserij ook uit Zandvoort na 

64 



1860 niet lang meer zijn uitgeoefend. De overzichtschrijver geeft van 
deze beugvisserij enkele bijzonderheden, De lijn is £ duim dik en van 
verschillende lengte. (Te Scheveningen worden er beugen gebruikt van 
5.5 km). Op afstanden van ongeveer 2,5 m zijn de dwarslijntjes of 
sneuen bevestigd, welke ongeveer 0.5 m lang zijn met aan het einde 
een haakje, dat men in het aas verbergt. Bij voorkeur zijn dat garnalen, 
welke men destijds in de herfst zelfs van het toen nog aan brak water 
gelegen Sparrendam (=Sparendam) ging halen. Bij gemis daarvan een 
stukje haring of koelever. Dit zal de overzichtschrijver zelf hebben 
kunnen waarnemen. Als hij echter vertelt dat men ook nog platvisjes 
uit zoetwater, stukjes van een medusa en kwallen als aas gebruikt, 
wordt het waarschijnlijk, dat een grappenmaker hem bij de neus heeft 
genomen. 

Aan het uiteinde van de beug bevindt zich een zware steen en aan het 
andere eind een stuk ijzer van 20 pond, dreglood genoemd. Dit is vrij 
licht, vooral als men bedenkt, dat hieraan ook nog een joon (soort 
grote dobber) werd verbonden. Na 45 minuten ankeren of zeilen 
begon men met het inhalen van de beug. Men had gewoonlijk 16 bak 
aan boord en één bak bevatte vier lijnen. Behalve rondvis werd aan 
de beug ook nog wel andere vis gevangen, zoals roggen en ponen, die 
platvissen zouden achtervolgen en middendoorbijten, 'zodat men dik- 
wijls koppen aan het strand ziet spoelen'. Ook de haai wordt terecht 
een rover genoemd, die de vis van de beug vreet. Men vangt de haai 
ook zelf wel aan de hoek, doch stelt daar weinig prijs op. In armoedige 
gezinnen wordt hij soms gerookt en gegeten. De armoede moet dan in- 
derdaad groot zijn geweest, want door alle tijden was de weerzin van 
de zeeman en vooral de zeevisser, tegen het nuttigen van de onsym- 
pathieke haai moeilijk te overwinnen. 

Ponen en pietermannen worden een geliefkoosde vis genoemd voor de 
Joden te Haarlem en Amsterdam. Dit is, zoals de handelaren in de 
vishallen van IJmuiden kunnen beamen, in de loop der jaren zo ge- 
bleven. Ook de toevoeging, dat deze vissoorten meer in de algemene 
gunst verdienden te delen, kon vandaag zijn geschreven. 
De schrijver vond in 1860, dat de visserij te Zandvoort eeuwen in de- 
zelfde sleur was uitgeoefend zonder dat men op nieuwe methoden of 
andere netten bedacht scheen te zijn. Hij blijkt een voorstander van de 
spanvisserij, zoals die na de oorlog ook op de haring bij de Vlaamse 
banken (de zogenaamde Breskensharing) wordt uitgeoefend. In de 
Zuiderzee vist men met een sleepnet tussen twee botters, zegt hij; men 
kan daardoor netten van grotere omvang bezigen. Zelfs heeft hij het 
over het bezigen van elektriciteit bij de visserij. 'Op de Fransche kus- 
ten vischt men met elektriek licht. En zou er niets van de Engelschen 
over te nemen zijn? Al was het maar het gebruik van stalen, i.p.v. 
ijzeren haken aan de hoekwant'. Van de conservatieve opvattingen 
kan men deze schrijver geen verwijt maken; te meer daar hij later ook 
het onderwijs wenken geeft, die pas op de huidige visserijscholen zijn 

65 









T 



SchuLpkar te Zandvoort. (Valenüjn Bing en Braet von Ueberfeldt, 
'Nederlandsche kleederdragten' , Amsterdam, 1857. Foto Nederlands 
Openluchtmuseum, Arnhem) 



verwezenlijkt. Zo wordt ondermeer bepleit geschikte leesboekjes in te 
voeren over de natuurlijke geschiedenis van de vissen, de verschillende 
soorten visvangst en de nevenbedrijven. 

Dat naast deze progressieve ideeën ook het gevoel voor het behoud 
van het volkseigen niet ontbreekt, blijkt uit het volgende, na de mede- 
deling dat Zandvoort destijds slechts één geplaveide rechte straat had: 
'Overigens is men hier van rechte lijnen verschoond gebleven, welke 
aan de steden en dorpen dikwijls een groote eentoonigheid bijzetten. 
Zandvoort is gelukkig nog niet gemoderniseerd als Scheveningen en 
vertoont ons nog al de nonchalance van het karakter der visschers- 
levens, geene ongevallige verscheidenheid in het oog van hem, die het 
oorspronkelijke in het volksleven nog ter harte neemt'. 

Het verkopen van de vangst 

De wurf, later gemoderniseerd tot Boulevard, was evenzeer het mid- 
delpunt van het leven in de oude vissersdorpen als in de tegenwoordige 
badplaatsen. Van daaruit werden de gaande en komende schepen 
geobserveerd en de laatste door middel van bakens, of 's nachts flam- 
bouwen, naar een goede landingsplaats geleid. Daar wachtten ook de 
verwanten van de opvarenden de aankomst van de schepen af en 
brachten velen een groot deel van hun vrije tijd door om de dingen 
van de dag te bespreken. Daar namen ook de vreemdelingen de eerste 
indrukken in zich op van de levendige taferelen, welke zich op en bij 
het strand afspeelden. 

Waren de bomschuiten eenmaal tegen het strand aangekomen, dan 
werd de vangst door in hozen gestoken opvarenden, die door het 
water af en aan liepen, in manden naar het droge gedeelte van het 



66 



strand gedragen (hoos = tot onder de armen reikende lederen broek en 
laarzen uit één stuk). De vrouwen van de opvarenden van elke bom- 
schuit legden de vis uit en verspreidden ze in porties. Dan kwam de 
afslager met de stok om de hoeveelheid vis, die hij zou verkopen, aan 
te wijzen. De gegadigden verdrongen zich in een kring om hem heenen 
riepen mijn!, als hij met zijn voor oningewijden onverstaanbaar af- 
raffelen der prijzen een redelijk geacht bedrag had bereikt. Dat bij 
een gelijktijdig mijn wel eens verschil van mening ontstond, met ruzie 
als gevolg, valt niet te verwonderen. 

In 1860 gaf de afslag elke morgen een levendig beeld aan het strand. 
Te Katwijk heeft de visafslag op deze wijze nog bestaan tot 1941, 
toen de kustvisserij door de bezetter werd verboden. 
Omdat het tijdstip van de afslag afhing van de tijd van aankomst der 
schepen en deze weer van de vloed, moesten de belangstellende kopers 
worden gewaarschuwd, wanneer de verkoop zou beginnen. Dit ge- 
schiedde door middel van de klink. De omroeper ging dan door het 
dorp en riep met korte tussenpozen, liefst op de straathoeken zijn 
mededelingen rond, na een tiental slagen met de klinkslag op de klink 
te hebben gegeven. Dit was een glimmend geschuurde geelkoperen 
gong met handvat en 40 a 45 cm middellijn. Volledigheidshalve zij 
hier nog opgemerkt, dat de klink ook ging voor andere mededelingen, 
zoals van verloren voorwerpen en verkopingen. De klinker van Zand- 
voort leeft nog volkomen natuurgetrouw voort onder de leden van De 
Wurf. Degenen, die de vis kochten, waren in de eerste plaats de klein- 
handelaren, onder wie vooral de visvrouwen, die hun waar al lopende 
sleten in Haarlem en omgeving. Merkwaardig, dat deze visvrouwen 
en -mannen te Zandvoort met één woord nl. lopers werden aangeduid, 
terwijl op Katwijk en, naar ik meen ook elders langs de kust, duidelijk 
onderscheid werd gemaakt tussen loopsters en lopers. "Wie dit leest, zal 
wel eens een afbeelding hebben gezien van een Scheveningse of Kat- 
wijkse visvrouw met speciale grote hoed, waarop de visben of -mand 
goed in evenwicht bleef, verder aan iedere arm een beugelmand. 
De Zandvoortse visvrouwen echter droegen de visben volgens de 
schrijver van 1860 en volgens andere zegslieden niet op het hoofd, 
doch op de rug. Daardoor missen zij die frisheid van gelaatskleur, 
welke men elders op het platteland aantreft, maar die verbetert, zodra 
de visben bij meerdere welvaart afgelegd wordt, zegt Waltlager. En 
alsof hij voelt, dat hij hiermee de Zandvoortste schonen tekort heeft 
gedaan, voegt hij er onmiddellijk aan toe: 'de natuur laat het ook hier 
niet aan enkele prachtstukken der schepping ontbreken.' 

Het verwerken van de vangst 

Een andere groep kopers vormden de visdrogers. Deze hadden in 1860 
4 bedrijven te Zandvoort. Dergelijke droogtuinen bevonden zich 
vroeger op alle kustvissersplaatsen, daar drogen destijds de meest doel- 
matige wijze van conserveren was. De gekochte vis, meest scharren en 

67 



schollen, werd door de zgn. snijsters van de ingewanden ontdaan. Een 
geoefende kracht kon 500 stuks per dag afwerken. Daarna ging de vis 
24 uur in de pekel, gemaakt van ongeraffineerd zout. De juiste sterkte 
hiervan was voor de smaak van veel belang. Dan werd de vis met een 
in het midden gemaakte opening aan dennen speten (puntige stokken) 
geregen, die onder rietmatten werden opgehangen, en het drogen be- 
gon. Daarbij moest worden opgepast, dat dit niet te snel ging, opdat de 
scharren niet hard werden. 

Na deze bewerking legde men de gedroogde vis 'met eene Hollandsche 
netheid' in de manden, want, zegt de schrijver 'deze kleine nijverheid 
onderscheidt zich in dit dorp door groote zindelijkheid. Ook de speten 
worden telkens weer afgeschrapt.' De Zandvoortse gedroogde schar- 
ren schenen inderdaad een goede naam te hebben en de Katwijkse oud- 
schippers vertellen nog heden, dat zij, wanneer ze vroeger door tegen- 
wind of om andere redenen naar Zandvoort in plaats van huiswaarts 
voeren om hun vangst te verkopen, daar bijna altijd een wat hogere 
prijs voor de scharren maakten. Onze zegsman van 1860 vertelt dan 
ook, dat de Zandvoortse scharren, die als Haarlemmer scharren in de 
handel kwamen, een betere naam hadden dan die van Scheveningen 
en ook, dat zij naar Duitsland werden uitgevoerd, waar men ze in olie 
bakte. A. van Collem laat dan ook een Joodse venter de lof zingen 
van Haarlemmer-scharren klit-sprotten uit Kiel (Een nieuwe psalm in 
Van stad en land, 1906) Het valt op dat in 1860 geen rokers worden 
genoemd. Dit is er een bewijs voor, dat men reeds enige tijd was opge- 
houden met het uitoefenen der haringvisserij en dat deze eigenlijk 
nooit van grote betekenis was geweest. Te Noordwijk, waar in geen 
jaren meer rederijen worden gevonden, bestaan immers nog altijd 
haringrokerijen. Van de mogelijkheid scharren, ponen en andere vis- 
soorten, die in 1 860 te Zandvoort werden aangevoerd te roken, maakte 
men toen blijkbaaar ook geen gebruik. 

De visdrogerij werd echter door haast iedere inwoner ook voor eigen 
gebruik toegepast. Men vormde een wintervoorraadje van gezouten 
vis en droogde deze later. Ook werden roggen gedroogd en evenals 
stokvis voor het gebruik gebeukt. 

Een andere visserij, die op kleine schaaal werd uitgeoefend, was enkele 
jaren tevoren begonnen: visserij op zeesterren (vijf voeten). Zij dienden 
als mest op het teelland en werden ook naar de toen nog jonge gronden 
van de Haarlemmermeerpolder verzonden. Ook op andere kustplaat- 
sen werden de toevallig opgeviste zeesterren voor dit doel verhandeld, 
doch van een opzettelijke visserij is elders niets bekend. 
Een zelfde Zandvoortse bijzonderheid is het garnalenvisseen met de 
kro. Dit is een groot soort schepnet, dat men voor zich uitschuift even- 
wijdig aan het strand door het water lopend, ongeveer zoals een schel- 
penvisser achteruitlopend een overeenkomstig net achter zich aan- 
trekt. 
Korders zijn mannen die op een paard zitten, dat bij kalme zee tot aan 

68 



de rug in het water lopend evenwijdig aan het strand een schrobnet 
achter zich aantrekt. Zij worden in de lijst van r86o niet genoemd. 
Het ging hierbij meest om garnalen, hoewel meermalen ook andere vis, 
o.a. tong, werd gevangen. Op andere kustplaatsen deed men dit toen 
nog op vrij grote schaal en op Katwijk worden ook nu nog enkele 
korders gevonden. Deze zijn echter de laatsten langs de Hollandse 
kust en als de garnalen, die de laatste twee jaar verstek lieten gaan, 
maar in 1959 terugkeerden, zo zeldzaaam als onze rivierzalmen zou- 
den worden, zou ook dit beroep moeten uitsterven. 

Ekonomie en loonregelingen in 1860 

In 1859 hadden enkele Zandvoortse schuiten ƒ 4000- besomd. Om te 
kunnen bestaan moest ƒ 3000,- per jaar worden opgebracht, waarbij 
dan echter geen netten verloren mochten gaan aan een heft, d.w.z. 
een wrak of ander voorwerp, waaraan ze blijven hechten. Een mo- 
derne logger of trawler mocht tegenwoordig deze ƒ 3000,- niet per 
jaar, maar per dag boven water halen om rendabel te zijn. Maar de 
aanschaffingskosten van een dergelijk schip bedragen dan ook 
f 700.000,- a f 800.000-, tegen die van een Zandvoortse pink 
ƒ 4000,-. 

Interessant is de loonregeling uit die dagen. De verhouding van de 
reder en de bemanning der pink was geheel van socialistische aard 
volgens de schrijver. Zij had die goede zijde, dat ze het eigenbelang der 
vissers aan de vangst verbond. Deze associatie was ook in andere lan- 
den bekend. 

'Hier en daar geeft het overwicht van het kapitaal wel eens een nadeel 
t.o.v. de nijverheid der visschers' zegt hij, en hij geeft dan de loonrege- 
ling zoals die te Zandvoort en Scheveningen bestond. Als nadeel noemt 
hij de levering van een deel der behoeften, zoals kaarsen, olie, hout 
en turf en waarschijnlijk ook de victualiën door de reder. 'De visscher 
stelt zich altijd voor, dat hij elders beter en goedkooper waren kan 
bekomen. Op dit punt zou de associatie gewijzigd moeten worden en 
kan de reeder de winst op de levering der behoefte niet missen, dan 
zou het te verkiezen zijn, dat hij eenige percenten meer in de mient 
had.' (Het woord mient of miente wordt nog wel aan boord gebruikt. 
'Dat is van de mient' wil zeggen, dat is van ons allen of dat is voor 
algemeen gebruik, ook wanneer het door de rederij wordt ver- 
strekt.) 

Dergelijke ongewenste regelingen bij de leveranties van scheepsbehoef- 
ten bestonden, voorzover ik heb kunnen nagaan, op andere vissers- 
plaatsen niet. Te Katwijk wisten de oudsten zich één geval uit hun 
jeugd te herinneren, waarbij een reder tevens eigenaar van een kruide- 
nierszaak was. Deze leverde zijn waren aan de eigen schepen en in dat 
geval wist men uit den aard der zaak nooit precies hoeveel winst men 
daarbij aan de baas betaalde, hetgeen evenals te Zandvoort aanleiding 
gaf tot wantrouwen. Bij andere rederijen bestelden de schippers bij de 

69 



betreffende zaken en zorgden de jongeren onder de opvarenden, dat de 
scheepsbenodigdheden aan boord kwamen. 

Zowel te Scheveningen als te Katwijk werden de aanschaffingskosten 
zonder meer van de ruwe besomming (de koopsom van de vis aan het 
strand) afgetrokken. Hoewel ook de verdere aftrekposten van plaats 
tot plaats verschilden, was de verdeling van de netto besomming 
toch in hoofdzaak gelijk. 

Onze schrijver geeft de verdelingen welke in 1860 te Scheveningen en 
te Zandvoort werden toegepast. In beide gevallen kreeg de reder eerst 
20 °/ van de ruwe besomming; na aftrek der onkosten was de ver- 
deling als volgt: schipper r^, reder 1, vol matroos 1, licht matroos i en 
jongen \ deel. Verder was er nog verval en zo- vis; hiervan kreeg de 
reder ook 1 deel, evenals alle opvarenden van schipper tot jongen. De 
zo- vis bestond uit 2 manden (kleine?) schol per reis; was dit een noord- 
reis, dus verder van huis en langer van duur, dan waren het 4 manden. 
In plaats van de 20 % van de opbrengst der gewone vis, hierboven 
genoemd, trok de reder van die der zo-vis maar r %. Deze procenten 
noemde men schrijfgeld en dit was bestemd voor de instandhouding 
van de rederij. 

De reder gaf het vaartuig, onderhield de zeilen en de romp onder de 
waterlijn. Hij verschafte jaarlijks 2 netten, 2 lijnen en om het andere 
jaar 3 lijnen, 1 stel sprenkels, 1 stel kuiltouwen en 1 stel vallen (= takels 
om met de zeilen te kunnen werken). Hij vernieuwde het versleten 
hout- en ijzerwerk en gaf om de 6, 7, 8, 9 en uiterlijk om de 12 jaar 
een nieuwe romp of hol. (vgl. Engels huil of a ship). Dit laatste houdt 
dus in, dat de levensduur van een bomschuit uiterlijk 1 2 jaar was. 
De Vennootschap (dus de mient), waarbij óók de reder is begrepen, 
onderhield het vaartuig van boven, vergoedde wat er verloren ging en 
herstelde het beschadigde. Deze laatste bepalingen golden o.m. voor de 
visnetten, de zwaarden en het roer. Bij de beugvisserij moesten de op- 
varenden ook het hoekwant onderhouden. 

Het bovenstaande had alleen betrekking op de vangst van verse vis, 
zowel met het schrobnet als met de beug. In Zandvoort gold dan nog, 
dat bij de visserij met schrobnetten de reder i.p.v. 1 deel, ii deel had. 
Voor de haringvisserij bestonden andere regelingen, maar dit bedrijf 
werd niet uitgeoefend in Zandvoort. 

Merkwaardig is, dat zowel de schipper als de jongen met 2 lijnen voor 
zichzelf mochten vissen bij uitoefening van de beugvisserij, mits 20 % 
voor de reder was. Daar de beugvisserij door bomschuiten omstreeks 
1870 is opgehouden, kan niet meer worden nagegaan of deze regeling 
ook buiten Zandvoort van kracht was. 

Werd in de jaren '80 nog met een 17 schuiten uit Zandvoort gevist, na- 
dien daalde het aantal snel. Oude Katwijkers weten nog, dat deze 
kleinere bommen aldaar 's zomers, wanneer de grote Katwijkse schui- 
ten de schrobnetvisserij hadden beëindigd en op de haringgronden in 
het verre noorden vertoefden, hun vangst aan verse vis kwamen ver- 



7° 



kopen. Zij verschilden van de Katwijkers in een paar bedrijfsgebrui- 
ken; zo haalden ze bijvoorbeeld de zwaarden naar voren in plaats van 
naar achteren op. 

Er zijn later nog enkele van deze herfstschuitjes, zoals ze werden ge- 
noemd, omdat zij in de herfst hun beste besommingen maakten, naar 
Katwijk verkocht in de laatste jaren van hun bestaan. Wij spraken de 
92-jarige Huig van der Plas, oud-reddingbootschipper, maar ook oud- 
schipper van zo'n herfstschuitje. Het was de KW.42, met als reder de 
heer Durieux, die het rederschap van een familielid te Zandvoort had 
overgenomen. 

Zo is de visserij van Zandvoort verdwenen. Enkele families, die het 
beroep trouw wilden blijven, verhuisden naar Katwijk, maar de meeste 
gingen naar IJmuiden. Ook enige vishandelaren, die niet van beroep 
wilde veranderen, verplaatsten hun zaak naar IJmuiden, waar ze 
reeds met hun hondekarren de vis vandaan haalden. De door tegen- 
wind opgehouden vissersvaartuigen liepen namelijk nu en dan al bin- 
nen in de nieuwe haven en maakten van de gelegenheid gebruik om 
daar meteen hun vangst te verkopen. Dat was het begin van de vis- 
markt in IJmuiden en het eind van Zandvoort als vissersdorp. 
De laatste garnalenschuit verdween in 1929 van het strand. Het 
scheepje werd toen met steun van enige belangstellenden door het 
Nederlands Historisch Scheepvaart Museum te Amsterdam aange- 
kocht en aan de Gemeente Zandvoort geschonken. In de hongerwinter 
1944/45 is het helaas door de achtergebleven bevolking gesloopt. 

C. VARKEVISSER 



71 



Het architectonisch verleden van Zandvoort 



Uit de bijdrage van mejuffrouw Kurtz - waaraan hieronder enkele 
historische gegevens worden ontleend - blijkt, dat er slechts weinig 
bekend is over de oude geschiedenis van Zandvoort. De wijze en tijd 
van ontstaan liggen geheel in het duister, al zou men met Zoeteboom 
aan een vestiging van mensen uit het achterland (Haarlem e.o.) kun- 
nen denken en het in een Hollandse oorkonde van vóór 1120 ver- 
melde Santfort misschien op het oudste vissersplaatsje mogen betrek- 
ken. Het volgende gegeven van enig belang dagtekent eerst uit 1455, 
toen het dorp, dat tot de heerlijkheid Brederode behoorde, reeds een 
zekere betekenis had. In genoemd jaar toch werden de privileges van 
de schutterij bevestigd. 

Hoewel er dus geen bronnen bekend zijn, die licht werpen op de vroeg- 
ste ontwikkeling van Zandvoort, zou men zich een voorstelling van 
het ontstaan kunnen maken naar analogie van de stichting van Berk- 
heide, de fameuze 'lost village' in de duinen. 1 Toen de Graven van 
Holland er namelijk in de loop van de middeleeuwen toe overgingen 
het hun toebehorende duingebied - de Graeflyckheyts Wildernisse - in 
eigendom of erfpacht over te dragen aan edelen, verkreeg Gillys van 
Kralingen in 1396 een duinterrein tussen Scheveningen en Katwijk 
om 'daer of een heide te maken'. Tevens mocht hij hier erven uitgeven 
voor het bouwen van woningen tegen levering van vis en van de 2 je 
penning van alle ter plaatse te verkopen goederen. 
Aldus ontstond Berkheide of Berkhey, dat overigens geen lang en ge- 
lukkig leven was beschoren; voeren in de tijd van Karel de Stoute nog 
9 pinken uit, in 1494 was het aantal tot 4 geslonken en in 1515 waren 
het er nog maar 2, 'daerof deen vertrecken wil te Catwijck up tzee, 
overmits de grootheyt van der scattinge.' De kleine en arme bevolking 
behoefde in 1521 dan ook niet meer dan 1 morgen duingrond met 
helm te (laten) beplanten, terwijl Wassenaar 14 morgen voor zijn reke- 
ning moest nemen. Daarna kwam het einde, want na 1558 komt Berk- 
hey niet meer als dorp op een kaart voor, terwijl ook de andere bron- 
nen zwijgen. Misschien is het door overstuiving ondergegaan of ver- 
woest bij een stormramp als de Allerheiligenvloed van 1 5 70, die ook 
Scheveningen en Katwijk teisterde. Op het eind van de 18de eeuw 
zouden de blootgewaaide fundamenten nog korte tijd te zien zijn ge- 
weest, maar verder herinnert alleen de Berkheistraat in Wassenaar 
en sinds de loop van de 17de eeuw de naam (Klein en Groot) Berkhei 
voor een (paar) duinpan(nen) aan het verdwenen dorp. 

72 



Zou de stichting van Berkheide het ontstaan van Zandvoort kunnen 
verduidelijken, de naam van deze plaats en de overeenkomstige aan- 
leg van Katwijk- en Noordwijk aan Zee verklaren het stedebouw- 
kundige uitgangspunt. Voort (voorde) moet dan niet worden be- 
schouwd als doorwaadbare plek in een water, maar als doorgang van 
de zandweg door de laatste duinenrij naar het strand, dat oudtijds 
tevens tot heirbaan diende. Evenals bij genoemde kustdorpen ver- 
wijdde deze doorgang zich vóór de zeereep tot een beschutte vallei, 
een del, die zich leende voor bebouwing. In de eerste eeuw van zijn 
bestaan groeide Zandvoort door deze natuurlijke omstandigheid dus 
eveneens uit tot een driehoekige dorpsvorm, waarbij de basis naar 
zee was gekeerd. De top werd gevormd door de kerk en de oost-west 
gericht hoogtelijn van de driehoek door de Kerkstraat. Aan weers- 
kanten hiervan ontstond aan bochtige stegen een ordeloze bebouwing 
op bultig terrein. 

De lotgevallen van de nederzetting wijken in grote lijn niet af van die 
van de andere kustplaatsen. Onder het bewind van Karel de Stoute 
schijnt er een periode van bloei te zijn geweest en telde Zandvoort 
ioo haardsteden, maar door de expeditie tegen het Kaas- en Brood- 
volk in 1489, waarbij het leger van de Hertog van Saksen het dorp 
plunderde, en door de pestepidemie van 1493 was het aantal be- 
woonde huizen blijkens de Enqueste van 1494 tot 50 geslonken. De 
Informatie van 15 14 geeft weer 76 bewoonde haardsteden op bene- 
vens 21 lege en 5 gesloopte en vermeldt tevens de aanwezigheid van 
10 pinken en 2 haringschepen, die thuishoorden in Haarlem, waar de 
vislopers ook voornamelijk hun waar sleten. De onbeduidende land- 
bouw had zijn geringe betekenis toen geheel verloren, want de aan het 
begin van het dorp gelegen drie krochten (of kroften: groenland, duin- 
akker), tezamen 4 morgen, waren ondergestoven. 
Daarna ging het bergopwaarts, gezien het feit, dat in 1553 reeds 171 
huizen worden opgegeven. De bloei was echter van korte duur, want 
het aantal liep in de Tachtigjarige Oorlog weer terug tot 148 in 1632, 
terwijl er een eeuw later nog slechts 98 over waren. De stormvloeden 
van 1570, 1671 en 1682, de pestepidemieën en de oorlogshandelingen 
in de Spaanse tijd moeten als oorzaken voor de achteruitgang worden 
gezien. Zo is bekend, dat in het begin van de Tachtigjarige Oorlog 
(wellicht tijdens het beleg van Haarlem 1572-73) de laat-middel- 
eeuwse kerk gedeeltelijk werd verwoest. In 1583 zal er evenwel een 
adempauze zijn geweest, omdat men toen het gasthuis bouwde. Het 
beschadigde schip van de kerk kwam blijkens een gedenksteen in 161 8 
weer onder - een lager - dak, bij welke gelegenheid ook een nieuwe 
torenspits werd aangebracht. 

Uit deze periode dateren de vroegste afbeeldingen van het dorp. Een 
door H. C. Vroom (+ 1566-1640) op koper geschilderd gezicht (in 
part. bez.) toont op het strand getrokken vissersboten met een paar 
tentvormige hutten aan de voet van de duinen. Op de achtergrond 

73 



verheft zich boven een warreling van daken de gerestaureerde kerk 
en op een top van de zeereep staat de vuurboet. Duidelijker is dit ge- 
bouwtje afgebeeld op een schets van Claes Jzn. Visscher 1586/7-1652) 
in het Rijksprentenkabinet. Het had de gebruikelijke vorm van een 
gedrongen toren met als smallere bekroning een huisje met een zadel- 
dak. Tegen dit bovenstuk waren over het torenlichaam heen enkele 
balkons in de vorm van mezekouwen uitgebouwd, waarin het vuur 
werd gestookt. 2 Hetzelfde gebouwtje heeft Visscher naderhand geëtst 
voor een serie van twaalf prenten, 3 waarvan nummer 3 Zandvoort aan 
de landzijde vertoont. Op de voorgrond van het tafereel buigt het 
zandpad uit de richting Haarlem zich tussen een paar met riet ge- 
dekte woningen en langs het grotendeels gerestaureerde bedehuis naar 
de Kerkstraat toe. Op de door een hek omgeven krocht voor het hoge 
middeleeuwse koor hangen de netten in rijen aan paaltjes te drogen. 
Een volledige aanblik van de landkant schetste R. Roghman ( ± 1620- 
1686), maar de details van het door golvende duinen en een weide 
met houten haalput omgeven dorp zijn te onduidelijk voor het maken 
van nadere gevolgtrekkingen. Er kan slechts worden opgemerkt, dat 
het koordak niet meer boven de nok van het kerkschip uitsteekt. Naar 
deze gewassen tekening (in Teylers Museum) heeft de kunstenaar een 
ets gemaakt, maar deze is minder aantrekkelijk; de tweewielige kar 
op het Oude Visserspad is vervallen en de vislopers hebben geen man- 
den meer op het hoofd. De overige oude afbeeldingen van Zandvoort 
(waaronder een schilderij uit 1662 door Salomon van Ruysdael in 
het Frans Hals-museum) brengen — behalve over de kerk — geen 
nieuws. Op een paar gebrandschilderde ruitjes uit 1621, die van het 
Gasthuis naar het Raadhuis zijn overgebracht, kan men achter de 
visserspinken over de duinenrij nog iets van het dorp onderscheiden, 
maar de huisjes en de kerk zijn schematisch weergegeven. Duidelijker is 
de vuurbaak op een ets van C. Decker (+ 1650—1695) 4 , doch deze 
prent geeft minder bijzonderheden dan de ets van Visscher. 
Pas in de vorige eeuw wordt het oude zeedorp weer door kunstenaars 
ontdekt. J. Jelgershuis Rzn. tekent in 1812 een visserswoning met een 
seintoestel op de achtergrond (Gemeentearchief Haarlem), Bing en 
Braet von Ueberfeldt beelden behalve de Zandvoortse klederdracht 
ook het kustlicht, een visdrogerij en een - schematisch - dorpsgezicht 
af, 5 ongeveer drie jaar later ontstaat de gekleurde tekening van Carel 
A. Eckstein: een gezicht op het Badhuis en hotel Driehuizen met op 
de voorgrond een visser met hoge hoed en kriel en een vrouw met een 
mand op haar strooien hoed (Rijksarchief in de provincie Noordhol- 
land) en in 1862 tekent C. Ekama het dorp met de kerk van de wurf 
af (Gemeentearchief Haarlem). Intussen had Israëls in de Zand- 
voortse sfeer al inspiratie gevonden en zijn voorgaan werkte aan- 
stekelijk op Liebermann en kleinere goden zoals H. Hulk en de etsers 
Graadt van Roggen en Storm van 's Gravesande. In deze categorie 
mag eveneens de fotograaf A. Bakels met ere worden genoemd, daar 



74 



zijn opnamen van een voor die tijd oorspronkelijke visie getuigen. 

Minder nog dan de artiesten hebben de kaarttekenaars zich vóór de 
negentiende eeuw met Zandvoort beziggehouden. Kort na 1807, toen 
het dorp 649 hervormden, 95 roomsen en 3 luthersen telde, is de 
eerste nauwkeurige plattegrond vervaardigd: het kadastrale minuut- 
plan, dat de landmeter T. J. Nautz op 2 november 1812 voltooide. 
Het eigenlijke dorpsgebied was verdeeld in 237 percelen, die voor het 
merendeel bestonden uit dicht bebouwde erfjes, tussen de krochten en 
de zeereep. De kern werd gevormd door de bebouwing langs een vijf- 
tal oost-west lopende paden en wegen, waarvan de namen helaas ont- 
breken op de kaart, maar die thans bekend zijn als Kerkpad, Kerk- 
straat (de hartader), Kosterstraat, Baan en Rozenobelstraat. Aan 
weerskanten van deze kern lagen in de Noord- en Zuidbuurt onsamen- 
hangende groepjes huizen als eilandjes in het duinterrein. Van de bij- 
zondere gebouwen — waarover later meer uitvoerig - worden hier 
slechts vermeld: de reeds koorloze N. H. Kerk, de R. K. kerk in de 
noordoosthoek van de kom en de oude vuurboet in het zuidwesten. 
Een bij Gemeentewerken berustend plattegrondje van Nautz uit 1 8 1 8 
laat de voornaamste wegen zien en de plaats van de N.H. kerk en 
het Gasthuis; de overige bebouwing is slechts figuratief aangegeven, 
zodat een bespreking weinig zin heeft. De niet veel oudere, ongedateerde 
Kaart van de Landerijen gelegen in de Jurisdictie Zandvoort door de 
landmeter C. Bisschoppen (Rijksarchief te Haarlem) is nauwkeuriger, 
maar ook in dit geval was het doel het in kaart brengen van de juiste 
situering van de krochten, Kostverloren, de dorpsstraten, het oude 
Visserspad en de Zandvoortse weg. 

De Zandvoortse (of Haarlemse) weg, die het dorp - bij het Kerk- 
plein - met het achterland verbond, verkeerde in de Franse tijd 
door het rijden met zwaarbeladen wagens in zo'n slechte staat, dat de 
Aerdenhoutse grondeigenaren hierover in 1802 bij de regering hun 
beklag deden. Het verharden van de weg en de doortrekking ervan om 
de zuidrand van de kom (de Hogeweg) in 1825-28 betekende echter 
niet alleen een verkeersverbetering maar ook het begin van de ople- 
ving van Zandvoort. Het ontwerp voor de aanleg van deze straatweg 
ontstond in 1824, toen enige particulieren, waaronder D. J. van Len- 
nep, het plan opvatten een bescheiden badcentrum te stichten. Met de 
bouw van dit Groote Badhuis werd in 1826 begonnen en twee jaar 
later vond de opening plaats. 

Daarna volgde een aantal gebouwen, die het karakter van het vis- 
sersdorp, tenminste aan de buitenkant, geheel zouden veranderen. 6 
Aan de landzijde verrezen ten zuiden van de kerk aan de Poststraat: 
de pastorie, de onderwijzerswoning, het postkantoor, de woning van 
de organist en de openbare school (1859), en min of meer evenwijdig 
aan de Hogeweg: een rijtje huizen waaronder de naaischool (1866). 
Aan de zeekant was de oude vuurboet (op de zuidhoek van de uit- 



75 




k«>tt&w<ifer}t«oi £~ 



monding van de Hogeweg) al vervangen door een zonderlinge vuur- 
toren (met twee etages aan de landzijde en één aan de zeekant), die 
op een duin voor het eind van de Rozenobelstraat stond, terwijl in 
1825 al een onderkomen voor de reddingboot was gevonden naast de 
timmerwerf op de Worf. Deze drie bij een vissersplaats behorende ob- 
jekten omringde men nu achtereenvolgens door het Groote Badhuis, 
Badhotel Driehuizen en Hotel Kaufmann (1879) naast het schoitegat, 
de ligplaats voor de op het strand getrokken pinken. Inmiddels was 
ook ten zuidwesten van de Hogeweg al een burgerbebouwing tot 
stand gekomen, waaronder het Badhuis voor Minvermogenden (1870). 
Voor de vissersbevolking werden aan de noordkant van de kom 
nog enkele regelmatige rijtjes woningen achter de zeereep gebouwd. 
Deze toestand is afgebeeld op de plattegrond ( 1 : 1250), die het ge- 
meentebestuur door de Amsterdammer T. Overeem Jzn. in 1882 liet 
vervaardigen, toen het inzag, dat men in verband met de snelle toe- 
neming van de bevolking (1855: 1170; 1867: 1550; 1881: 2207 inw.) 
een nieuw kadastraal plan niet kon ontberen. Wanneer men van deze 
kaart genoemde randbebouwing verwijdert, verkrijgt men een goede 
indruk van de dorpsstructuur in het begin van de vorige eeuw. 
Even voorbij de plek, waar in 1854 de r.k. kerk zou worden gebouwd, 
boog de Hogeweg zich in zuidwestelijke richting af van de oude Zand- 
voortseweg om langs de duintop, die voorheen de vuurboet droeg, via 
het zgn. Ezelpad het strand te bereiken. Na de aftakking liep de Zand- 
voortse (of Haarlemse) weg door de duinweiden en vertakte zich vóór 
de kerk in de (Grote) Krocht en de Kleine Krocht. De eerste mondde 
uit op het Kerkplein, dat naar de hoofdstraat leidde - de Kerkstraat - 
die bij de ingang met een rij iepen was beplant en die als uitzondering 



76 







een regelmatige bebouwing bezat. Op de zuidhoek tegenover de kerk 
woonde de dokter in een groot pand en verderop in eenvoudige huis- 
jes de reders, die meestal ook de gedwongen winkelnering uitoefenden. 
In de Kerkstraat verrees in 1873 ook het nieuwe raadhuis, naar een 
projekt van de Haarlemse architect D. E. L. van den Arend, en de 
Bazar ten voordeele van het Badhuis voor Minvermogenden, welk 
laatste gebouw in 1870 door de Amsterdamse architect S. W. van 
Rouendal ten zuidwesten van de Hogeweg was ontworpen. 
De Kerkstraat stond in zuidwestelijke richting door middel van het 
Bakkerslop en het Poelierslop in verbinding met het Kerkpad (met het 
Kerkdwarspad) en het Schelpenplein, het centrum van de chaotisch 
gegroeide Zuidbuurt. In noordoostelijke richting leidden het Buurtslop 
en het Bodeslop naar de parallel lopende Kosterstraat met het Dorps- 
plein, maar het daarachter gelegen wijkje kon men ook via Kerkplein 
en Gasthuisslop of Kleine Krocht bereiken. Deze laatste weg splitste 
zich na de boerderij, waar Israëls logeerde, in de Baan (weg) en de 
Rozenobelstraat, die halverwege het Gasthuisplein begrensden. Ten 
noordoosten van deze naar de zeereep gerichte straten bevond zich een 
lukraak geplaatste bebouwing aan paden, die later o.m. de namen 
Swaluëstraat, Achterom, Gasthuisstraat, Kruisweg en Pakveldstraat 
zouden krijgen: de Noordbuurt. 

Het aan de rand van de kom gelegen pakveld, waar de netten werden 
geboet, stond over de laatste duinenrij in verbinding met het schuiten- 
gat, de Rozenobelstraat leidde naar de vuurtoren en de Kerkstraat 



77 




De Rozenobelstraat, naar de schilderij van Max Liebermann (1889). 



naar de Worf . Hier lag de timmerwerf van de scheepsbouwer Duiven- 
bode, rookte men vis voor eigen gebruik en kwam men in het alge- 
meen samen voor een praatje. 

De schilderachtige sfeer van deze buurtjes is omstreeks 1900 vastge- 
legd door de fotograaf Bakels en door een anonieme tekenaar, wiens 
aantrekkelijke schetsen in de topografische atlas in het Haarlems 
Gemeente-archief berusten. Uit een iets oudere periode zijn voorname- 
lijk genrestukjes met slechts enkele bouwkundige details bekend. Een 

78 



uitzondering vormen het primitieve schilderij uit 1882 door de huis- 
schilder P. H. van den Bos, verbeeldende vechtende jongens op het 
Dorpsplein (in het café Het Wapen van Zandvoort) en een schilderij 
uit 1880 van Liebermann, waarop men de nog onverharde Rozenobel- 
straat ziet met een van de openbare pompen. Voor de witgekalkte 
huisjes met rode zadeldaken staan vissersvrouwen te praten, spelen 
kinderen en scharrelen varkens in het zand. Het is niet de omgeving, 
waarin de rozenobels — gouden munten - rolden, zodat de straat door 
spotters aan haar naam gekomen kan zijn. 

De kerk 

In de eerste eeuwen van zijn bestaan, toen Zandvoort achtereenvolgens 
tot de parochies van Haarlem en Overveen behoorde, zal het slechts 
een bescheiden kapel hebben bezeten. Wanneer deze door de Grote 
Kerk van de H.H. Agatha en Adrianus is vervangen, is niet bekend. 
Wellicht geschiedde dit in de bloeitijd onder het bewind van Karel de 
Stoute, toen het dorp 100 haardsteden telde. De stijl van de behouden 
toren is met deze datering niet in tegenspraak. Bovendien zij vermeld, 
dat bij de overval door de Hertog van Saksen in 1489 ook de kerk 
geplunderd werd en dat er blijkens de Informatie al vóór 15 14 een 
onderpastoor aanwezig was. Het jaartal 1493 op de luiklok (met rand- 
schrift: Jhesus.es. mi. den.naem.ghegeven. int. jaer.ons.heren.m.cccc.xciii) 
mag - gezien de toen heersende pestepidemieën en naweeën van de 
oorlog - niet in verband worden gebracht met de stichting van de kerk, 
op zijn hoogst met de restauratie ervan. 

Zoals reeds is medegedeeld, werd de kerk in het begin van de Tachtig- 
jarige Oorlog - wellicht in 1572-73 - weer het slachtoffer van de 
strijd. Nadat de rust was teruggekeerd, bracht men voor rekening van 
de Staten op de toren een nieuwe spits aan en op het beschadigde schip 
een flauw hellend zadeldak. Het resultaat van deze restauratie, die 
blijkens een gedenksteen in de toren in 161 8 plaats vond, is door Cl. 
Jzn. Visscher op zijn beschreven ets duidelijk weergegeven. Zelfs de 
oude dakmoet op de toren vergat hij niet en evenmin het ingestorte 
dak van de transeptachtige uitbouw aan de noordzijde. 
Ruim een eeuw later liet de ambachtsheer Paulus Loot het kerkschip 
opknappen; de muren werden versterkt, de vensters en vloeren ver- 
nieuwd en een preekstoel benevens heren- en kerkeraadsbanken opge- 
steld. Tevens liet Loot in 1728 tegen de westkant van het schip een 
grafkapel voor zijn familie bouwen. Aan het vervallen achterstuk 
werd evenwel niets gedaan. Het dak was er misschien al af, toen 
Roghman zijn gezicht op Zandvoort schetste, maar zekerheid hierom- 
trent bestaat pas voor de periode i730-'3 5, toen A. Rademaker (167 j- 
1735) de ruïneuze toestand tekende (Rijksprentenkab.). Van de zuide- 
lijke transeptarm staan nog slechts muurbrokken en van het koor ont- 
breekt het dak en is de beglazing uit de vensteropeningen (drie in 
iedere zijgevel en drie in de sluiting) verdwenen. Een anonieme sepia- 



79 



-f» 




Kerkpad 




Zandvoort omstreeks 1910. (Rijksarchief, Haarlem) 



tekening (Gemeentearchief Haarlem), die omstreeks 1775 zal zijn 
gemaakt, toont de verdere ondergang; alleen de steunberen tussen 
en de borstwering onder de voormalige spitsboogramen zijn nog over- 
eind gebleven. Voorts laat deze afbeelding ook het eenvoudige schip 
zien, zoals dat door Loot was hersteld, het omheinde kerkhof en dorps- 
woningen aan het Kerkplein, waaronder ter plaatse van de tegen- 
woordige pastorie een huis met trapgevel, dat in eenvoudiger vorm 
ook al door Visscher was geëetst. Ongeveer dezelfde toestand is weer- 
gegeven op een andere anonieme tekening. (Rijksarchief, Haarlem). 
De laatste resten van het koor, die H. Tavenier in 1782 schetste (Ge- 
meentearchief Haarlem), komen niet meer voor op het kadastrale 
minuutplan van 18 12. Het schip verloor zijn oude karakter geheel in 
1848, toen men het voor de derde maal grondig onderhanden nam. De 
toren is in 1871 aangepakt, maar veel minder ingrijpend, zodat bij de 
restauratie van 1956 de middeleeuwse gedaante weer tevoorschijn kon 
komen. 

Hoe weinig opmerkelijk het in 1849 in gebruik genomen kerkgebouw 
ook mag zijn, het inwendige bevat nog een groot aantal belangwek- 
kende zaken. 7 In de eerste plaats de in 1920 herstelde grafkapel van 
de familie Loot met de rijke marmeren omlijsting van de ingang (voor- 
zien van een loods met dieplood), het sierlijke smeedijzeren hek en het 
fraaie stucwerk. Vervolgens de door Paulus Loot geschonken preek- 
stoel en herenbank (met de wapens van Brederode, Loot en Hartsinck), 



81 




Interieur van de kerk. Foto A. Bakels 

het koperen doopbekken uit 1655, de dito predikantslezenaar uit een 
weinig latere periode, de 1 8de-eeuwse voorzangerslezenaar van koper en 
twee zilveren avondmaalsbekers. Voorts ziet men in de kerk nog twee 
rouwborden; het ene bevat een lang verhaal in het Latijn voor de 
10 juli 1694 omgekomen Matthaeus de la Cave, het andere draagt tot 
opschrift: 'Hier leydt begraven de vrouw Johanna Margrietta Corbet 
Dogter van De Heer Colonel Walter Corbet en van de Vrouw Maria 
Magdalaina Halkett en huijsvrouw van de Heer Captijn Charles Hal- 
kett, verongelukt tussen Noortwijk en Santvoort komende uijt Schot- 
lant is haar Doode lighaam hier aan strant komen Drijven op den 
22:september anno 1720.' 

Tenslotte kan nog worden vermeld, dat de galerij voor het orgel op 
houten kolommen rust, die gezaagd zijn uit de masten van het in 1905 
vergane schip de Alba. De volgende dichtregelen van C. C. P. Schwartz 
staan gebeiteld op twee planken in de borstwering: 

Van 't droef vergane schip d' in storm bezweken mast 
Draagt thans in 's Heeren Huis een Hem gewijde last. 
Zoo wordt wat op aard' in ramp en rouw ons treft 
Een pijler die ons hart naar 't Eeuwig Godshuis heft. 



Het Gasthuis 

Na de kerk was het Proveniers- of Gasthuis het belangrijkste gebouw 
van het oude Zandvoort. 8 Het zou in 1583 voor twaalf oude lieden 
zijn gesticht door Gerrit Willems en zijn vrouw Aeltgen (volgens de 
Voorlopige Lijst uit het geslacht Brederode), die toen beiden - blijkens 
een vermelding op hun thans in de raadzaal hangende portretten - de 
drieëndertigjarige leeftijd hadden bereikt. 



' •""j" V 







//er oWe Gasthuis. (Rijksarchief, Haarlem) 



In 1927, een paar jaar voor de afbraak heeft de Rijksdienst voor de 
Monumentenzorg het Gasthuis laten opmeten. Het was toen uitge- 
groeid tot een schilderachtig complex tussen Baan en Rozenobelstraat 
met de achterzijde naar het Gasthuisplein en het front naar een bin- 
nenhof gekeerd. Het hoofdelement werd gevormd door een witge- 
pleisterd gebouw met een steil pannen zadeldak tussen een tuitgevel 
aan de achterkant van een trapgevel van voren. Op de verminkte top 
van de laatste prijkte een beeld van een gebaarde vissersman. 
De oorspronkelijke hoofdingang bevond zich in de trapgevel, maar 
was door het aanbouwen van een lage vleugel, die als varkenswaag 
dienst deed, tot binnendeur gedegradeerd. De latere entree bestond 
slechts uit een eenvoudige toegang met een houten luifeltje op in-en- 
uitgezwenkte consoles, de enige onderbreking van de waaggevel aan 
de Rozenobelstraat. 

Het hoofdgebouw bevatte onder de door kruisramen verlichte zol- 
ders over de volle lengte de zgn. zaal, het dagverblijf voor de oudjes, 
die aan weerskanten hun van bedstede voorziene slaapcellen hadden. 
Deze werden verlicht door smalle vensters met een tussendorpel, de 
zaal bezat een voorgevel met een groot kruiskozijn en aan de achter- 
kant naast de boezem van de schouw twee kleinere ramen. 




De zaal in het Gasthuis kort voor de afbraak. (Foto Monumenten- 
zorg) 



Een paar kiekjes van A. Bakels, een schilderij door Julius Müller- 
Maszdorf en een foto van Monumentenzorg geven tezamen een goede 
indruk van deze stemmige zaal. De vloer was belegd met plavuizen, 
de muren waren gekalkt en de moerbalken, waarop zonder kinder- 
binten de zolderplanken rustten, bezaten geprofileerde sleutelstukken. 
De achterwand van de simpele schouw was in het midden bekleed 
met diagonaalsgewijs geplaatste verglaasde estrikken, geflankeerd door 
stroken met figuurtegels. Het meubilair bestond in de laatste jaren van 
het Gasthuis o.m. uit een hangoortafel, korenaarstoeltjes en enkel- 
voudige kasten, waaronder een achttiende-eeuwse op hoge poten met 
een kruisverbinding. Als wandversiering had men behalve een oud 
landschap een groot aantal ingelijste platen en spreuken om de plan- 
ken celdeuren gehangen. 

Verder kunnen alleen nog de beide slachtringen aan de tweede balk 
worden vermeld. 

Door een gangetje, dat de slaapcellen aan de linkerzijde van de zaal 
onderbrak, kwam men langs de zoldertrap in een evenwijdig aange- 
bouwde lagere vleugel, die de regentenkamer en de (later afgesplitste?) 
mangelkamer met een zijvertrek bevatte. De eerste ruimte was weer 
voorzien van een betegelde schouw en een bedstede tussen twee kasten. 
Hier bevonden zich waarschijnlijk ook de reeds genoemde stichters- 
portretten en de nog te bespreken gebrandschilderde ruitjes. In de 



84 




Plattegrond van het Gasthuis. (Opmeting Monumentenzorg, juli 1927) 



blinde achtergevel aan het Gasthuisplein was een kogel van de Engelse 
beschieting uit 1805 ingemetseld. 

Het tot doorloop dienende zijvertrek stond in verbinding met de in 
de lengte onder een lager zadeldak aangebouwde keuken en bijkeuken. 
Een stenen schuurtje (stookhok?) met lessenaarsdak vormde hier de 
beëindiging van de hoefijzerachtige aanleg. 

Het is diep treurig, dat men dit weliswaar verwaarloosde maar tot in 
details oorspronkelijk gebleven Gasthuis heeft gesloopt, want na een 
restauratie (destijds begroot op ƒ 16.000) had het niet alleen een sieraad 
kunnen zijn voor Zandvoort, maar ook een monument van nationale 
betekenis. Afgezien toch van een enkel voorbeeld als de mannenzaal 
van het Bloklandgasthuis uit 1573 in Amersfoort is er geen goed be- 
waarde inrichting van deze soort meer in ons land te vinden. Op een 
na de ontruiming genomen foto klinkt de achtergelaten wandtekst 
dan ook bijzonder schrijnend: Uit Liefde. 

Het is niet bekend, of er bij de afbraak nog iets gered is. Blijkens het 
werk van Van Arkel en Weismann waren de beide stichtersportretten 
en vier gebrandschilderde ruitjes al voor 1895 naar het toenmalige 
raadhuis overgebracht. Hun beschrijving van deze ruitjes stemt echter 
niet geheel overeen met de voorstellingen op de vier in het tegenwoor- 
dige gemeentehuis aanwezige exemplaren. Bij hen ontbreekt het ovale 
medaillon (met een pink - met een dubbel doorgestreepte S op het 
zeil - op het strand en de kerk achter een duintop), dat bovenaan de 



85 



naam van de schenkster vermeldt: Geerte van Bergen en dat onderaan 
tot opschrift draagt: 'Is Godt met ons/ wie kan ons deeren/So wij zeijle 
of laveren 1621.' Daarentegen beschrijven zij een ruitje, dat thans ont- 
breekt, voorstellende: een boom waaraan een wapenschild hangt en 
waartegen een haas opspringt met als opschrift: 'Een geruste Concien- 
cie is beter dan goudt, hi is welgefondert, die op God betrout, maer 
sal de mens oock sijn behoedt, die onwetende dwaelt en nochtans sijn 
beste doet: segt mij vrij dat, man, en vrij dan sal ick verweren tegen 
mijn partij, dirc vanderhaes 1621.' 

De overige nog aanwezige ovale ruitjes zijn dezelfde als die van Van 
Arkel en Weismann en worden ook door Allan vermeld. De eerste ver- 
toont een oorlogsschip met op een der zeilen een huismerk, gevormd 
door een N met twee strepen door de naar onderen verlengde linker- 
poot. Het onderschrift luidt: 'Dient Godt met goeden wille gheeft den 
arme en swijcht al stille samsom was een sterck man noch is hij sterker 
die zijn tonge bedwingen can die alle sijn leit met leit wil wreeken sam- 
soms kracht sal hem ontbreken gerrit willemse ende Aeltgen willems 
sijn huisvrou 1621,' de namen van de stichters. 

Het tweede ruitje draagt een rood wapenschild met een witte schaar 
en het onderschrift: 'die den wtwendigen tempel bouwe en den inwen- 
dygen gerieuen niet, seght my nae. Schriftuers ontfouwen, Oft sulcke 
menschen bedrijuen ijet Isaack Maertens gasthuys Meester. Sybruch 
Louwerts syn Huysvrou 1621' (tussen 16 en 21 is een huismerk ge- 
plaatst, gevormd door een gekoppelde M en V, uit welke laatste letter 
een ouderwetse 4 in spiegelbeeld ontspruit.) 

Het laatste ruitje vertoont weer een pink (met twee maalkruisen op 
het zeil) op het strand met Zandvoort in het verschiet. Bovenaan 
staat: Griet Aller sdr, onderaan: 'Ick zeijl garen/voor de wint, Maer 
ick moet hebben dat mijn Godt gunt/hoe wij zeijle of laueren/Is Godt 
met ons, wie mach ons deeren/die zegen des Heren So Salamon seyt 
maeckt rijck sonder arbeijt 162 1.' 

Visser swoningen 

Door de ingrijpende wijzigingen in het dorpsbeeld na de opkomst van 
Zandvoort als badplaats en als gevolg van de vernielingen in de oorlog 
is er van de oude sfeer niet veel meer over. Het kost zelfs moeite en- 
kele voorbeelden van visserswoningen op te sporen, die het oorspron- 
kelijke karakter hebben bewaard. 

Een gaaf exemplaar van het kleinste type is de thans als bergplaats 
gebruikte woning Kruisweg 10. Het gebouwtje, waarvan de grondslag 
nog geen 4x4111 beslaat, is opgetrokken uit rode baksteen en groten- 
deel bedekt met een gewitte pleisterlaag. De nok van het met rode 
pannen belegde zadeldak eindigt voor de noordelijke top tegen de 
schoorsteen. In de voorgevel zijn onder de dakdrup een groot schuif- 
raam met negen ruitjes en de onder-en-bovendeur aangebracht, waar- 
door men onmiddellijk het enige vertrek kan betreden. Dit diende 

86 




Eenkamerwoning, Kruisweg 10. 



zowel tot woonruimte als tot keuken en slaapkamer. De bedstee is nu 
uitgebroken, maar de schoorsteen met eenvoudige houten mantel is 
nog aanwezig. Een hiernaast opgestelde ladder voert naar de zolder, 
waar de visser zijn gerei borg en zijn vangsten kon drogen. In verband 
met de geringe afmetingen bezit deze zolder geen kapspanten, doch 
slechts in de topgevels rustende gordingen. Voor verlichting en ven- 
tilatie zorgt een topgevelraam, dat waarschijnlijk voor een luik in de 
plaats is gekomen. 

De gelijkvormige, maar iets grotere en inwendig gewijzigde woning 
Kerkdwarspad 5 heeft behalve een zolderluikje in de top nog een 
flinke dakkapel met luik en bovenlicht. Een karakteristieker voor- 
beeld van het grotere type is echter Swaluëstraat 24. Deze woning 

- met licht gesauste muren boven een grijs (elders geteerd) plint en 
een zadeldak met aangesmeerde rode pannen — bevat al een keuken en 
een kamer, beide met een vloer van rode plavuizen. In de eerste ruimte, 
die vroeger achterhuis of achtereindje werd genoemd, is naast de toe- 
gang een tochtschut getimmerd, in een hoek bevindt zich de zoldertrap 
en tegen de scheidingsmuur met de kamer de schoorsteen. Naast deze 
kookplaats leidt een verbindingsdeur naar de kamer, die oorspronke- 
lijk een raam in de zuidgevel had, maar bij de bouw van de achterge- 
legen bakkerij heeft men dit venster naar de Swaluëstraat overge- 
bracht. Dit had weer tot gevolg, dat men beide bedsteden met de spin 

— provisiekast - ertussen naar de achterwand moest verplaatsen. 

Het karakter van de woning is door deze veranderingen evenwel niet 
aangetast en evenmin door het tegen de keuken aanbouwen van een 
stenen werkportaal, waarvan het lessenaardak nog net het zolderluik 



87 





ka mar 



pTT 



Tweekamerwoning met jonger achterhuis, Swaluêstraat 24. (De muur 
om het erf is weggelaten, in de plattegrond is de oorspronkelijke in- 
deling weergegeven) 



vrijlaat. Dit nieuwe achterhuis uit het midden van de vorige eeuw is 
thans nagenoeg aan het oog onttrokken door de ommuring van het 
erfje, waarop men ook het houten privaat heeft geplaatst. Eertijds zal 
de schering (omheining) wel uit (schuite) planken hebben bestaan, die 
men voor het keukenraam heeft gehandhaafd. Wellicht was er ook 
nog een takkenboshoop, een mestvaalt en een varkenshok, want deze 
elementen behoorden tot de vaste onderdelen op het erf van een Zand- 
voortse visserswoning. 

Het beschreven type met achter elkaar gelegen keuken en kamer kent 
ook een architectonische variant, waarbij de twee vertrekken naast 
elkaar onder de topgevel met zolderluik zijn gesitueerd. De voordeur 
is dan in het front aangebracht of opzij onder de dakdrup. Bij een 
enkel groter exemplaar is nog een zijkamertje aanwezig, maar in het 
algemeen kan men na aftrek van latere aanbouwen (voor portaal of 
achterhuis) de typen tot één- of tweekamerwoningen herleiden, die 
in hoofdopzet onderling bijna niet verschillen. Slechts in verband met 
de vorm en de ligging van het beschikbare bouwperceel en met de in- 



wendige indeling, heeft men de ene keer de deur in het front, de an- 
dere maal opzij geplaatst; nu eens de topgevel dan weer de druipkant 
naar de weg gekeerd en soms de dakvlakken van één huis verschillende 
hellingen gegeven. Door de wilde verkaveling ontstond dus een schil- 
derachtige afwisseling, die in feite slechts een reeks variaties op het- 
zelfde thema betekende. 

Dit verschijnsel deed zich ook voor in andere zeedorpen, zoals Kat- 
wijk en Noordwijk, maar daar leidde de grotere welstand niet zelden 
tot een ruimere en rijker ingerichte behuizing, vooral bij de reders. 10 
In Zandvoort was men echter zo arm, dat zelfs de bedsteewand geen 
versiering kreeg; alleen de beddeplank werd soms van een kerfsnee- 
motief voorzien. Bij alle soberheid was de aanblik van dit beddeschot 
toch niet somber, want voordat de gladde deuren werden toegepast, 
sloot men de opening met rood gebloemde gordijnen af. Met behulp 
van een los trapje bekom men de hoge slaapplaats. 10 
De schouw was even simpel als de rest, maar om de haardplaat ont- 
braken de tegels niet; ze vertoonden een schildpadpatroon, gekleurde 
bloemen, kinderspelen of bijbelse voorstellingen. Boven het open vuur 
van takkenbossen en turven hing aan ketting of een verstelbare heugel 
de ijzeren kookpot. Hierin bereidde men de water en klis (meelpap), 
de rijst, die met vet werd vermengd, en de aardappels, die aan tafel in 
een kop uiendoop werden gesopt. Vlees schafte de pot zelden en dan 
nog slechts van het eigen varken, waarvan de daarvoor in aanmerking 
komende delen werden geconserveerd in de schoorsteen. Deze bezat 
in verband daarmede een rookluik op zolder. Bejaarde inwoners kun- 
nen zich het schamele menu en de primitieve kokerij nog goed herin- 
neren. Bovendien weten ze te vertellen, dat het rechte rookkanaal 
boven het open vuur vaak een te grote verleiding vormde voor de 
jeugdige Sint-Maartenvierders, die niet tevreden met het opstoken 
van manden op de laagste huisjes klommen om een zak of iets der- 
gelijks door het schoorsteengat te gooien. 

Naast de vaste onderdelen als bedsteewand en schouw (later schoor- 
steenmantel) bevatte een Zandvoortse visserswoning enige stoelen, een 
tafel, een latafel (commode met vier of vijf laden) en een tweedeurs- 
kast of kabinet. De biezen stoelen waren in het midden van de vorige 
eeuw nog van het oud-HoIlandse model met rechte leuning en knop- 
pen, daarna kwam de sierlijker Sheraton-vorm in zwang. "Wanneer 
men de stoelen niet gebruikte, zette men ze schuin voorover, met de 
achterpoten op het plint. De tafel werd altijd voor het raam geplaatst; 
de oude vorm was een hangoor, de jongere had een rechthoekig blad 
en dikwijls taps uitstaande poten met twee korte regels en een voeten- 
plank. 

Bij arme mensen lag op de houten of plavuizen vloer een mat, bij 
de minder behoeftigen een zwart en rood gestreept karpet van koe- 
haar. De wanden waren doorgaans wit gekalkt (soms ook geel en 
blauw) en bleven op de Friese klok, een spiegeltje en een enkele inge- 

89 




Wagenschuur met paardenstal aan de Swaluëstraat. Begin 1960 is de 
bouten beschieting van de voorgevel geheel vernieuwd, waarbij o.m. 
de ontluchtingskleppen zijn verwijderd. 



lijste plaat (later ook familiefoto's) na kaal. Als siervoorwerpen kende 
men niet veel meer dan de stenen hondjes, die de zeelui uit Engeland 
meebrachten, in het bijzonder uit Lerwick op de Shetlandeilanden. 
De sfeer van deze interieurs is door Israëls meermalen weergegeven. 
Zuiver documentaire waarde hebben de schilderijen en etsen echter 
niet, want de composities werden samengesteld aan de hand van schet- 
sen en losse meubelstukken. Op zijn Haagse atelier had Israëls zelfs 
een vissershoekje ingericht, met een roetjesraam, een tafel, biezenknop- 
stoelen, een kakstoel en andere requisieten, die geregeld in zijn werk 
terugkeren. 11 

Bedrijven 

De oude bedrijven zijn allang verdwenen; de vuurboet, de scharren- 
drogerijen (waarbij de vis eerst een paar dagen in zoutkuipen werd ge- 
legd en daarna aan stokjes werd geregen, die men op pergola-achtige 
stellages hing), voorts de timmerwerf, de voermanderijen en de boer- 
derijen). De timmerwerf van Kees de Bode (Duivenbode) is omstreeks 
1900 afgebroken. Het houten gebouwtje lag aan de Worf en bezat 
blijkens een aquarel uit 1870 (een jeugdstudie van mevr. Teding van 
Berkhout) en een foto van Bakels een puntgevel met een uitgestoken ma- 
kelaartje in de top. Door grote kleppen in dit front te openen kon men 
het binnen gebouwde schip naar buiten schuiven. Na getuigd te zijn 
werd de schuit gestoken, d.w.z. op rollen over het strand in zee ge- 
trokken. Een der laatste voerlui, die dit werkje met zijn paarden 
placht op te knappen - Van der Mije - kreeg aldus de bijnaam Gerrit 
Steek. 

Zijn wagenschuur bestaat nog en ligt met de lange voorgevel aan de 
Swaluëstraat. Het is een ca 4 m diep en 14,50 m lang gebouwtje met 
een van twee kapellen voorzien zadeldak van blauwe pannen, waar- 
onder een enkel rood exemplaar is verdwaald. De achterkant en het 
meest rechtse deel van de voorgevel, waarachter zich de paardestal 
bevond, zijn van rode baksteen opgetrokken, de rest van het front was 



90 




Voermanderij Pakveldstraat 13. In de perspektief is de schutting om- 
het erf weggelaten. De doorsnede is genomen over de rechter stal. 



voor de vernieuwing van begin 1960 om de drie deuren en ventilatie- 
kleppen met gepotdekselde planken bekleed. Genoemde deuren geven 
toegang tot de ruimten, waar de wagens en de mallejan (om palen van 
het strand te halen) stonden. De hoofdconstructie van dit gedeelte 
wordt gevormd door gebinten, waarvan de stijlen in de wanden zijn 
opgenomen. De korbeels heeft men van onderen tegen de stijlen ge- 
spijkerd van boven halfhouts over de opgelegde balken gekeept. Op 
de gebinten rusten weer de spantbenen, die zonder hanebalken de gor- 
dingen dragen. Gezien de onregelmatigheden zullen verschillende 
zo niet de meeste onderdelen, wel van aangespoeld hout afkomstig 
zijn. 

Karakteristieker nog dan deze schilderachtige schuur is het pand Pak- 
veldstraat 1 3 . Het maakt een vrij oude indruk met zijn gewitte muren, 
rode zadeldaken en kleine ruitjes, maar het dagtekent pas uit het eind 
van de vorige eeuw, waaruit blijkt hoe taai de traditie was. Volgens 
de bejaarde eigenaar is het voorgedeelte in 1872 gesticht als een twee- 
kamerwoning met een houten tochtportaal. In 1893 heeft men dit aan- 
bouwtje door een stenen achterhuis met afzonderlijk dak vervangen 
en achter de van de bedsteewand en een schoorsteen voorziene zit- 
kamer (hier binnenhuis genoemd) een lange vleugel opgetrokken. 



9i 



Deze bevat twee paardestallen, de eerste voor vier, de tweede voor 
drie dieren. In de geplaveide stalvloer is een giergootje aangebracht 
en tegen de lange achtergevel zijn penanten gemetseld voor de hard- 
stenen voerkribben. Op de moerbalken (in de tweede stal door een 
ligger ondersteund) rusten de driehoekspanten van het zadeldak. Aan 
de voorzijde is dit onderbroken door twee dakkapellen, waardoor men 
het hooi op zolder kon steken. Het gerij stond hier niet in een dichte 
schuur, maar onder een afdak op het omheinde erf, bij de hooiklamp. 
Met de wagens vervoerde men netten, vis en aardappels, de kaar 
diende voor de schelpenvisserij. (De schelpenlosplaats was in de zg. 
Bloedbuurt bij de huidige Brugstraat). Ook reed de voerman mest, stro 
en hooi, maar de enige, die dit op grote schaal deed, was Gerrit Loos, 
wiens schuur nog aan het Achterom staat. Het is een rechthoekig hou- 
ten gevaarte met een kort schilddak, dat ook constructief overeen- 
komt met de Noordhollandse beschoten hooiberg. Onder in de schuur 
bevond zich een paardestal en een wagenberging, boven een hooi- en 
stro-opslag. Deze handelswaar werd uit de Haarlemmermeer gehaald, 
mest bij de boeren in het achterland en — in de vorm van Amsterdams 
huisvuil — bij de daarvoor bestemde schuiten in de Leidsevaart. 
De voermanderij in de geschetste vorm dateert pas uit de loop van de 
negentiende eeuw. Voor die tijd was het bedrijf geheel op de visserij 
afgestemd met uitzondering van het in 1725 ingestelde wagen veer. 
Eerst na opkomst van de duinaardappelteelt trad de verandering in. 
Degene, die in deze omgeving hiermee op grote schaal begon was J. N. 
van Eys, eigenaar van Boekenrode, hereboer en voorzitter van de 
Commissie van Landbouw van Amstelland. 12 In 1 79 y had hij een laag 
begroeid duin terrein in het Bentveld gekocht, waarop hij, na in 1801 
voor dertig jaar vrijstelling van grondbelasting te hebben gekregen, 
een boerderij stichtte. Het stenen woongedeelte hiervan bevatte twee 
vertrekken, de aangebouwde houten schuur (opgetrokken uit het af- 
komend materiaal van een schapenstal) bood onder de op een rieten 
spreilaag gelegde pannen plaats voor 16 stuks rundvee en voor de 
hooi-en-korentas. Als weidegrond voor het jongvee verwierf Van Eys 
het Rozenwater, een bekorste duinvlakte van 30 morgen, die een 
kwartier gaans dichter bij Zandvoort lag. Deze werd bedijkt, bemest 
en was spoedig met goed gras bedekt. Ook de grondverbetering bij de 
Bentveldse boerderij bleek een succes. De akkers leverden rogge, gerst, 
bonen en mangelwortels, maar vooral uitstekende duinaardappels op. 
Dit geslaagde begin leidde weldra tot een uitbreiding van het bedrijf. 
Bij de duinhoeve werd een nieuw terrein ontgonnen ten behoeve van 
een weide voor het melkvee en voor de oogstberging werd een afzon- 
derlijke loods gebouwd, zodat het houten achterhuis nu geheel vrij 
kwam voor de veestapel, die inmiddels was aangegroeid tot 26 stuks 
rundvee en 2 paarden. Het gehele bedrijf omvatte in 1808 een 50 mor- 
gen duinweiden en -akkers, die grotendeels door windsingels van Ca- 
nadese populieren waren omgeven. 

92 




Si. kam. 



L 



4)anq 



kamer 



h-HH-* 



H 



77 




• stal 

■ 

ï I ITÜ 



hooi»chuur 



i. i .1. —i-a. 



*ch- 



" 1 tui»H«k|« 



erf 



Schuur (m*f kfpptnViok) 




Vooraanzicht, plattegrond en doorsnede van de koestal van de voor- 
malige boerderij aan de Kleine Krocht. Toestand omstreeks 1900. De 
f aardenstal en de muren van de koestal zijn nog aanwezig, het overige 
is gereconstrueerd aan de hand van foto's door A. Bakels en monde- 
linge gegevens. 



Op kleine schaal volgden de Zandvoorters het voorbeeld van Van Eys, 
vooral toen zij hun aardappels na de aanleg van de straatweg in 182$ 
beter konden afzetten. In 1859 was reeds 500 bunder duingrond in 
aardappelland herschapen en bestonden zeven gezinnen geheel van 
deze teelt. Men betaalde aan het eind van de vorige eeuw slechts 7 cent 
pacht per roe (3,65 m 2 ), maar moest hard werken om winst te maken. 
Daar de aardappel- (en erwten) akkertjes soms 6 a 7 km van het dorp 
verwijderd waren, overnachtte men vaak in strohutten op het veld 
om van 's morgens vroeg tot 's avonds 1 1 uur te kunnen spitten. De 
enige afwisseling in de eentonige arbeid vormde de leste stroik die bij 
het eind van de oogst aan de kar werd gebonden, waarna men 
's avonds de goede afloop met koffie of een borrel vierde. Door de 
onttrekking van drinkwater aan de duinen is de teelt later sterk 
achteruitgegaan. 

Behalve de bovengenoemde semi-agrarische dorpsbedrijfjes was er ook 
een echte boerderij in Zandvoort, nl, die van Nelletje Koning-Zwem- 
mer, waar Jozef Israëls destijds logeerde. Het gebouwtje lag aan de 
Kleine Krocht achter de noordelijke dorpsweide. De architectuur 



93 



kwam sterk overeen met die van de voermanderij aan de Pakveld- 
straat. Haaks tegen de witgepleisterde tweekamerwoning met midden- 
gang en houten tochtportaal (wrsch. tevens melkhok) was de lange 
stal opgetrokken. Het dak van deze witte vleugel werd verlevendigd 
door een kapel met hooiluik. Op de stal volgde echter nog als derde 
element een aangebouwde hooischuur met onder het tentdak een hooi- 
klamp of barg met ondergelegen wagenberging, een verkleinde uitgave 
van de schuur aan het Achterom. 13 Tenslotte was tegen de barg nog 
een boet getimmerd en op het orref een vrijstaande schuur (o.m. voor 
kippen en brandhout) opgetrokken. 

Een jammerlijk fragment van deze boerderij is op een binnenterrein 
behouden gebleven. Het bestaat uit de van zijn zadeldak beroofde 
stalvleugel, waarvan de ruw gemetselde bleek-rossige en rode baksteen 
van het begin af aan gepleisterd was. Het rechtergedeelte van dit res- 
tant, dat via de oorspronkelijke, van een bovenlicht voorziene toegang 
met het erf in verbinding staat, bevat nog een dubbelrijige dwarsstal 
voor paarden. De latierpalen staan achter de beide giergootjes in de ge- 
plaveide vloer en zijn van boven bevestigd tegen de moerbalken, die 
evenals andere onderdelen van juthout vervaardigd zullen zijn. Rechts 
achteraan worden de standplaatsen onderbroken door een verbindings- 
deur met de voormalige hooischuur, links vooraan door een toegang 
naar de tweede stalruimte, die thans is leeggesloopt. 
Vroeger liep er achter de voorgevel een straatje van gele steentjes. 
Hierna kwam de groep, vervolgens de hogere standstrook (deel) voor 
vijf runderen, die met ringen aan staken werden vastgemaakt, daar- 
op volgde weer de voergoot, terwijl de voergang de stal in de lengte- 
richting afsloot. Dit laatste onderdeel bereikte men via een hellend 
straatje langs een binnenmuur. Het enige, dat thans nog aan de oude 
toestand herinnert is het donkere plint en de gele saus op de wanden 
en voorts in het midden van de ruimte een stijl, die vroeger een ligger 
droeg tot steun van de moerbalken. De gehele inrichting vertoonde dus 
dezelfde kenmerken als die van de zgn. binnenduinse boerderijtjes met 
enkelrijige koestal in Katwijk- en Noordwijk aan Zee. De enige prin- 
cipiële afwijking van het smalle west-Zuidhollandse type vormde de 
Noordhollandse hooischuur, want in genoemde vissersplaatsen maakte 
men gebruik van een kapberg. Een verschil van minder betekenis is de 
benaming deel voor de onbestrate (en 's zomers met planken bedekte) 
standstrook, die in Katwijk en Noordwijk (voor)boes werd genoemd. 
Eertijds zou de voorkamer, die in het seizoen aan badgasten werd ver- 
huurd, 's winters ook voor koestal zijn gebruikt. De boerin huisde dan 
in een aan een dwarsgang gelegen kamertje met een bedstede. Haar op- 
volger Van Saase betrok na 1900 echter een aangrenzende woning. Het 
bedrijf ging toen al achteruit, want tengevolge van het onttrekken van 
duinwater was de Krocht zo droog geworden, dat de koeien daar niet 
langer dan een dag of acht voedsel vonden en daarna naar de Leidse- 
vaart moesten worden overgebracht. Toen in de eerste wereldoorlog de 



94 



boerderij ingesloten raakte en ook nog de vrijstaande schuur verbrand- 
de, besloot Van Saase het bedrijf op te heffen. Hij trad in dienst bij de 
nieuwe eigenaar P. Visser, die het complex - op de stal na - afbrak. 
Ter plaatse van de aangebouwde woningen stichtte Visser in 1930 een 
blok winkelhuizen. 

De in verband met het badleven verrezen bebouwing had aanvankelijk 
nog wel karakter, zoals het classicistische Grote Badhuis en de 
oudste woningen met waranda's. Langzaamaan ging het echter bergaf- 
waarts, al was het door J. C. van Wijk - architect van de Rotterdamse 
passage - ontworpen, maar slechts ten dele uitgevoerde stedebouwkun- 
dige plan voor een badcentrum niet onaantrekkelijk voor die tijd 
(1880). Merkwaardigerwijs dook de halfronde kern ervan weer op 
in het eerste wederopbouwplan. 

Ondanks de geleidelijke transformatie van het vissersdorp in een bad- 
plaats, de moedwillige vernielingen in de oorlog en de voortschrij- 
dende modernisering van de laatste tijd is er van het oude Zandvoort 
meer over dan men zou verwachten. Geheel gave straatbeelden komen 
weliswaar niet voor, maar op verschillende punten is het oorspronke- 
lijke karakter nog vrij goed bewaard gebleven zoals aan het Kerk- 
dwarspad, aan de Parkveldstraat (met name het complex 13-17) en 
in de omgeving van het Achterom. Bij het ontwerpen van een bestem- 
mingsplan voor de kom dienen dergelijke karakteristieke gedeelten 
niet alleen te worden ontzien, maar ook als uitgangspunt te worden 
genomen voor een stedebouwkundige rehabilitatie. Het behouden van 
de oude sfeer is immers zowel van belang uit een cultuur-historisch 
oogpunt - de stoffelijke herinneringen aan het vissersleven - als in 
verband met de recreatieve behoeften van dorpeling en toerist, die 
geen van beiden het gestroomlijnde straatbeeld zoeken. 
De bestemming van de oude panden kan in het algemeen geen moei- 
lijkheden opleveren; de grote huizen kunnen hun normale woonfunc- 
tie behouden na een opknapbeurt, zoals Gasthuisstraat 9 en Pakveld- 
straat 30 reeds ondergingen, de kleine kunnen worden samengetrokken 
of afzonderlijk tot zomerverblijf dienen, terwijl ook de vestiging van 
mode- en kunst(nijverheids)winkeltjes voor de hand ligt. Na een 
rehabilitatie als bedoeld, waarbij de verzorging van erf en straat niet 
mag worden vergeten, zal Zandvoort weer een aantrekkelijk woon- 
en wandelgebied bezitten tussen het badcentrum en de winkelstraten. 
Tevens zal Zandvoort dan de enige plaats aan de Noordzeekust zijn, 
waar men op verschillende punten nog het historische vissersdorp kan 
terugvinden. 



DRS. R. C. HEKKER 



95 



1 J. H. A. Boerboom, Begroeiing en landschap van de Duinen onder Sckeveningen en 
Wassenaar van ± / joo tot heden (gestencilde uitgaaf), Wassenaar 1957, blz. 1, 4-6 

2 Zie voor de 6 nog bestaande vuurbakens: Oude vuurbakens langs de Nederlandse 
kust, Cohouw 104e jaargang 1 (1-1-1960), blz. 7 en 9. 

3 Deze etsen zouden in 1607 zijn vervaardigd (J. S. Witsen Elias, Een Teekening van 
Claes Jansz. Visscher in het Gooisch Museum, Mededeelingen van het Museum voor 
het Gooi en Omstreken, 1944, blz. 35), doch dit jaartal klopt niet met de gerestau- 
reerde staat (161 8) van de afgebeelde kerk. Later is de reeks etsen nog opgenomen 
in: G. Tysens, Haarlemmer Duinzang, Amsterdam 1728. 

4 Opgenomen tegenover blz. 140 in: J. van Westerhoven, Den Schepper verheerlykt 
in de Schepselen... tot lof van Haarlems vermaekelyke Landsdouwen, Amsterdam 3e 
druk 1737 (ie druk 168$). 

5 V. Bing en Braet von Ueberfeldt, Nederlandsche kleederdragten (bijgevoegd: Ne- 
derlandsche zeden en gebruiken) Amsterdam 1857, resp. pi. IV en pi. XII. 

F. Allan, Bad-Zandvoort, Haarlem 1881, blz. 45 v.v. en (schematische) kaart. 
Ook het plattegrondje uit 1865 in: J. Kuyper, Gemeente-Atlas van Nederland, 4e 
deel, Leeuwarden z.j., is schematisch. 

7 G. van Arkel en A. W. Weissman, Noord-Hollandsche Oudheden, Tweede stuk, 
tweede gedeelte (Kennemerland), Amsterdam 1895, s.v. Zandvoort. Voorlopige Lijst 
der Nederlandsche Monumenten van Geschiedenis en Kunst, deel V, 1 (Provincie 
Noord-Holland, uitgezonderd Amsterdam), Utrecht 1921. 

Restauratie van Zandvoorts oudste toren, Haarlems Dagblad, 9 september 1950. 

8 Het Oudemannenhuis te Zandvoort, Haarlems Dagblad, 18 december 1928.. 

9 R. C. Hekker, Visserswoningen, bouwschuren en boerderijen te Katwijk aan Zee, 
in: Katwijks Volksleven (Oud-Leiden Serie I) Leiden 195 1, 50-65 R. C. Hekker, 
Visserswoningen, rederijen en boerenhuizen in Noordwijk aan Zee, in: Noordwijks 
Volksleven (Oud-Leiden Serie IV) Leiden 1959, blz. 17-34 (het hier behandelde 
boerderijtje, Jan Kroonsweg 23, ontstond in de loop van de 19de eeuw uit een 
voermanderij door toevoeging van een koestal). 

10 Verschillende mededelingen over de inrichting werden welwillend verstrekt door 
Mej. A. Bakels, oud-woninginspectrice. 

11 H. E. van Gelder, Jozef Israëls (Paletserie) Amsterdam (1946), bl. 23. 

12 J. N. van Eys, Bericht... wegens de... Duin-Boerderij en gedane ontginningen 
van Duingronden onder Zandvoort bij Haarlem, Magazijn van V aderlandschen 
Landbouw V (1809), blz. 168-185. R. C. Hekker en J. M. G. van der Poel, De 
Nederlandse boerderij in het begin der 19de eeuw, Arnhem 1967. 

13 Omstreeks 1900 werden van deze boerderij enkele foto's gemaakt door A. 
Bakels. Gegevens omtrent de vroegere inrichting werden welwillend verstrekt door 
diens dochters. Voor analoge bedrijfjes in Katwijk- en Noordwijk aan Zee wordt 
verwezen naar de in noot 9 opgegeven literatuur. 




96 



Het vroegere volksleven 



Betrekkelijk zelden in ons vaderland vindt men zo'n welhaast ver- 
bijsterende tegenstelling tussen nog-maar-kort-geleden en vandaag-de- 
dag als te Zandvoort-aan-de-Zee. Heel vroeger was het er armoetje 
troef en gaf de visserman met zijn hachelijk bedrijf de toon aan. Maar 
tussen 1820 en 1830 kwam er, mede door toedoen van de dichter- 
classicus David Jacob van Lennep, een beslissende wending: de Zand- 
voortse Laan naar Aerdenhout annex de bouw van het Groot Badhuis 
wist het schamele vissersdorp - volgens Zoeteboom (De Zaanlants 
Arkadia, 1658) een volkplant van de oude Haarlemmers — zo-zoetjes- 
aan in een grootscheepse badplaats te transformeren, een badplaats die 
zelfs eenmaal in de week door een regelrechte trein met Bazelf is ver- 
bonden geweest (1884). De liefde voor zee en open-lucht, opgekomen 
tijdens de salon-ontvliedende romantiek, samen met het groeiend be- 
grip voor de ellende der arme vissers waren oorzaken van het ontstaan 
van deze straatweg-met-badhuis, waarover Jacob van Lennep (David 
Jacobs veelgelezen zoon) in een lang epistel van 4 juni 1822 onder 
meer schrijft: 

Men is bezig een' nieuwen weg door het duin heen van Haarlem naar 
Zandvoort te graven. Dit doet de armoede aldaar zeer verminderen, 
doordat er geene andere werklieden dan uit dit dorp genomen worden, 
en zij reeds bij de vijftig in getal zijn. Ook worden die menschen, an- 
ders zeer geneigd tot luiheid en bedelarij, werkzaam en te vreden, 
daar hunne vrouwen de vischnegotie met den ouden ijver doorzetten. 

Voorheen was het allemaal vis en nog eens vis wat de klok sloeg in 
Zandvoort, dat in de oude tijd 19 bommen ter zee zond. Wanneer wij 
tenminste afzien van de knainevangers (die o.a. op het Seckveld = Zeg- 
geveld in de richting Vogelenzang opereerden), de schelpenvissers, de 
braemtp\ukkers en de duinmaiers (duinboeren), welke laatsten in de 
vorige eeuw vaak goede zaken deden met de puikbeste Zandvoorter 
duinaardappels, op tegen verstuiving afgeschutte (duin)kroften zorg- 
vuldig geteeld. Daar aan het Broek-end (het broekige = drassige deel 
waar de tuinders woonden) werd goud verdiend destijds met de 
aardvrucht... op 't zandig duin gepoot (J. van Oosterwijk Bruyn). 
Voordat de straatweg was aangelegd, viel er op Zandvoort nog geen 
gatbast of zelfs maar ozonhapper te ontwaren, met als merkwaardige 
uitzondering de Engelsman I. Brown {(koopman-commissael) die om- 



97 




Huisje en erf, 1812. Aquarel van J. Jelgerhuis. (Gemeentearchief, 
Haarlem) 

streeks 26 mei 1794 voor eenige weeken uit hoofde van ongesteldheid 
des Lighaams bij Jacob Arijsz. Kraai verblijf heeft gehouden (Rijks- 
archief Haarlem). Ter verduidelijking van de beroepensituatie mag 
een lijst aangehaald worden, aangetroffen in het Rijksarchief te Haar- 
lem. Daarin vindt men het elftal Zandvoortse jongens, dat — twintig 
jaar oud zijnde - anno 1791 in de termen der conscriptie viel. 

r. Volkert Loos, helmplanter 

2. Cornelis Draaijer, vischlooper (getrouwd) 

3. Volkert Kooper, vischlooper 

4. Engel Schilpzand, arbijder 

5. Jan Molenaar, vischlooper (aanstaande stuurman en getrouwd) 

6. Jan Meijnders (Bentveld), werkman 

7. Albert Kooper, zeeman 

8. Volkert Schuif ten, zeeman (domicilie Wijk aan Zee) 

9. Jan Bos, vischlooper 

10. Corneelis Berendregt, visscher 

11. Engel Kerkman, vader: zeijnwagter; zoon: vischlooper 

De vis — zo lekker en zo redelijk goedkoop — werd vooral vroeger 
duur betaald, vanwege de tol aan mensenlevens die zij onverbiddelijk 



98 



opeiste. Doch ook de ventjagerij alias het vislopen, soms wel tot bij 
Amersfoort (zo in 1457 volgens Hendrik Zoeteboom), was een zwaar 
karwei, toen er nog geen moderne verkeersmiddelen bestonden. Het nu 
toeristisch-aantrekkelijke vis(sers)pad - het nog altijd aanwezige steê- 
pad (= pad naar de stad) bezuiden de spoorlijn Overveen-Zandvoort - 
veroorzaakte een zware zwoegpartij met zijn rulle zandwoestijn en 
zijn heuvelig op-en-neder gaan. As we de Rukkes maar eerst over 
benne... verzuchtte menige Zandvoorter, die met de ben hoog-op-de- 
rug de verwende stedeling op krimpe vis onthalen ging. Een fijne 
aquarel uit de tweede helft der achttiende eeuw laat ons het zo schoon 
onder de Blinkerd - alias De Blenk - gelegen Kraantje-lek - alias de 
Rukkes of de Rockaers - zien: op de voorgrond links bevindt zich de 
hooggehoede kunstenaar, in het midden vertoont zich de herder met 
zijn hond en zijn schaapskudde - een pastorale idylle die het hart ver- 
tederen zou, waren daar niet rechts en links respectievelijk een en 
twee Zandvoorters die zwaargebogen huiswaarts zeulen. 1 (archief 
Elswout) 

Café-Bar-Petit Restaurant 'De Kousenpael' (opgericht in 191 5) houdt 
de herinnering aan het zwoegen der vislopers levendig: in zijn 
nieuwbakken naam en in een gebrandschilderd ruitje. Dit eta- 
blissement van de echte Zandvoorter C. G. Bluijs heette vroeger 
'Café Neuf' (tot 1854 was er een R.K kerkje in gevestigd), maar is 
nu, ook in zijn inrichting, weer enigszins tot de stijl der vaderen terug- 
gekeerd. Zie, hoe de mannelijke visloper zijn laatste zwarte kous uit- 
trekt, leunende aan de 'kousenpael', volgens de zegslieden een licht- 
mast. En dan gaat het, blootsvoets en dus veel gemakkelijker, over het 
mulle visserspad steêwaart. Onderaan de Blinkert worden de kousen 
weer aangetrokken, want je moet knap voor den dag komen bij de 
klanten. Bij de inwijding van het vernieuwde etablissement (25 juni 
1967) rijmde mevrouw E. Jongsma-Schuiten, o.a. schrijfster van het 
Zandvoortse toneelspel De Garnaelekoningin, aldus: 

Hoeveul geslachten benne hier voorbij egaen, 

Lopende met bot en zijger op derlui reg, 

Heen en berom naer Haerlem en naer Blommedael, 

Barrevoes - derlui kousen oit bij de kousepael. 

De Schepper gaf ons dut dorp bij Zee. 

We waere arm, toch gaf Hij ons 

Veul goeie gaeve mee: de braemt, 

De duinaerepel, het knijn, de droge schar, 

De vorse vis, de garnael. Welke rijkaerd 

Kreeg zo'n koningsmael? 

Ja, een koningsmaal. Geloof het maar: want behoefte-en-gebrek was 

vroeger heer-en-meester in Zandvoort. 

Edoch: de palmboom groeit onder het gewicht - aldus het familie- 



99 




, =>=^e 'Ufcatijjesn/tei&é? 



devies van Koningin Emma. Dat dit ook - letterlijk - voor de rustige- 
en-rijzige Zandvoorters gelden mag, betoogt de Leidse veelweter Jo- 
hannes Ie Francq van Berkhey (1729-18 12) in zijn vierdelige, aan 
volkskunde overrijke Natuurlijke historie van Holland (1J69-1JJ9), 
die zelfs de eer genoten heeft van een franse bewerking (door Bouillon 
in 1782). In zijn derde deel (blz. 841) veronderstelt Le Francq van 
Berkhey dat Cornelis Cornelisz. van Haerlem (1502-1638) - die 
grote figuren placht te schilderen - de Zandvoorters met hun fiere 
gestalten tot model zal hebben gekozen. En deze Zandvoorter enaks- 
gestalten verklaart hij geenszins uit de Teutoonse afstamming. (Ook 
het blonde-en-struise vissersdorp Katwijk-aan-Zee bijvoorbeeld steekt 
in dezen scherp af bij het toch zo nabijgelegen kwekersdorp Rijnsburg 
met zijn groot brunettenpercentage). Neen, nuchter-ekonomisch zoekt 
hij de verklaring der lichaamslengte in het van-jongs-af verrichte 
werk: 

Nauwelijks heeft een jonge Knaap de zes, zeven of agt jaaren bereikt, 
of hij torscht een zwaargelaaden kriel met Visch, daaglyks, naar Stee. 
Bij behoorelyken wasdom (wordt de) kriel vergroot en de last ver- 
meerderd. 

Dit heeft te meerder plaats bij de Zandvoorders, om dat zy inzonder- 
heid zulke zwaare lasten draagen, die een ander nauwlyks zou kunnen 
heffen. Er zijn voorbeelden genoeg van Zandvoorders, die een half 
vat Bier, door het gulle zand, op hun Rug getorscht hebben. Ja men 
verhaalt dat zeker Zandvoorder Zeeman, uitgelokt door de winst 
eener weddenschap, eene of twee lange planken over zyn Kriel gespan- 
nen hebbende, en daarop, ten zynen genoegen, een vadem droog 
Brandhout gestapeld zijnde, dien last, van buiten de Zylpoort te Haar- 
lem, tot binnen het dorp Zantvoort, gedragen zoude hebben. 



100 




Jan Snijer. (Foto Anthon Bakels) 



Een dergelijke krachtpatsers-anekdote bracht maar weinig licht in een 
duister-en-dreigend vissersbestaan, dat meer-dan -eens (vooral in tijden 
van oorlog en crisis) vanuit Haarlem en Amsterdam bedeeld moest 
worden, wilde Zandvoort het schamel aanzijn behouden. Een sprekend 
getuigenis van stoere arbeid en luttel gerief geeft ons een eigenhandige 
levensbeschrijving door Jan Snijer, lange Jan, jaren achtereen koster 
der Nederlands Hervormde Kerk te Zandvoort. Treffender dan sa- 
menvatting of parafrase lijkt het simpel hartewoord van Jan zelf, 
hoe stuntelig ook, als hij - zo laat als in het jaar 1910 - met zijn beve- 
rige hanepoten echt-en-eerlijk opbiecht wat hij allemaal meegemaakt 
heeft. Geboren in 1835 moest hij reeds als elfjarige jongen 't zeetje 
houwe, ondanks zijn vanwege de engelse ziekte nog allesbehalve 
patente levenskracht. 

Jan was elf jaren geworden en wilde van school af om te varen en ook 
wat te verdienen voor zijn Grootje en het huishouden. En hij zeide: 
'W 'aarvoor zal ik langer leeren? Zoo een arme jongen als ik ben, heb 
dat niet noodig! Ik moet varen, dan krijgen wij het beter'. 
Ik ging een week mee voor een proefreis. En er kwam een goede bries, 
al rijzende uit het zuidwesten. En daar ging het: tik-tak-tik-tak. Dat is 
een touw om het zwaard bij het zeilen recht te houden, en kwalijk- 
spreker heet. En zoo westelijk heenzeilende was het: krak-krak. De 
mast en voorzeilen weggenomen en de zeilen vallen van achteren om 
de mast staande te houden. En voor de wind na huis. 
Een nieuwe mast was weer opgezet. Ik ging weer mee en werd zeeman, 
op mijn elfde jaar. Had veel te lijden van zeeziekte. En iets later bij 
een storm, bij het ophalen der netten, in den eersten nacht dien ik 
boven moest komen, op een donker dek, ging ik even bij het trekken 



101 



der achtersprenkel verkeerd zitten, en trok den ouden man die voor 
mij zat, achterover, die mij met zijn natte want een gevoelige slag in 
het gezicht gaf. En mijn slaap geweken! Daarna kreeg ik van hem, bij 
het koffie drinken, een sneetje wittebrood met boter. En maakte het 
zoo weer goed. Dien nacht, den eersten, heb ik nooit vergeten. 
Het werd najaar. En met half October (langer niet) mocht er met de 
netten gevist worden (dat was de Wet) en dan met de hoekwant, om 
kabeljauw en schelvis, uit na zee. Zoo een beug bestaat gemiddeld uit 
twintig bakken. En een bak uit vier lijnen. En op ieder lijn vijf-en- 
zeventig hoeken, ruim vier voeten van elkaar verwijderd. Zoo een lijn 
wordt uitgezeild en na een uur wachten weder opgehaald en dan 
weder op orde in een bak gelegd. En dat is jongenswerk. En hoe koud 
het is, moet met de blote hand geschieden — soms dat op de velling, 
door het afdruipen van de handen, een klomp ijs bevroren zat. 
En weder op een nacht moest ik als kleine jongen beneden zijn om de 
bakken te bergen. En er waren van die uitgeholde bakken bij, waar het 
water niet uitliep. Nu, de groote jongen gaf die bak, zonder het water 
uit te storten. Ik reikte omhoog en kreeg dien bak, maar eerst ging het 
met een golp bij mijn half open borst in, dat het in mijn klompen der- 
uit liep. En zoo leerde ik wat zeeman was! En in dat natte pak moest 
men voort, tot het aan het lijf weer opdroogde. 

Iets later in den tijd ging ik weder na boord en keek mijn broodkistje 
na (waar ik een koek van Peete gekregen had). En mijn koekje was 
weg! En ging bij de vloed die opkwam na peete klagen over het ver- 
miste koekje. En kreeg vijf centen om een ander te kopen en ging weer 
na boord. En zie, in dien tijd, was de vloed zoo gestegen, dat ik mijn 
kouzen uittrok om aan boord te komen. En door het ijs, dat op het 
strand aan grote stukken bevroren was, niet bereiken kon, ging ik 
terug en zat op het strand om mijn kouzen aan te trekken. Kwamen er 
van de menschen die op de Werft aan zee stonden mij helpen (daar het 
sterk vroor). Aan boord stonden met hoozen aan op het dek en gingen 
na beneden, de matrozen. Ook wel degene die het weggenomen had... 
En hielpen niet. 

Op mijn bijna twaalf jaren, in het voorjaar, gingen wij weer met de net- 
ten na zee en visschen in de Buiten-Lek met aanhoudende zuid-westen- 
wind en stormen. En kwamen, meest vissende ver om de noord, op 
hoop van een noordenwind te krijgen. Helaas, die kwam niet. En het 
eeten aan boord, de brand en 't water raakten op. En met een goeden 
visvangst (door gebrek aan alles) moesten wij na land. En verkenden 
in het zuidoosten Den Helder of het Nieuwediep, en meenden daar 
binnen te lopen. Maar mis hoor! De vloed kwam spoediger dan wij 
dachten. En dreven af na een droge plaat, waar een zware golfzee op 
stond. En wij voor de wind gingen, om er over te lopen. Dat met angst 
geschiedde en uit nood moest. Het volk was allen op het dek. En 
niemand sprak een woord. En ik stond bij het spil, dichtbij den ouden 
man die aan het roer zat en zag tranen in zijn oogen. En riep ik 



102 



lachend: 'Kijk, kijk, hij krijt/' En hij zei tot mij: 'D... jongen, als wij 
dan in een anker lopen? (...) 

En wij liepen voorbij Texel en zagen van verre de Vlieduin. Dat nog 
lang duurde eer wij deze voorbij waren. En tusschen Vlie en Terschel- 
ling liepen wij op een droge plaat en wierpen het anker uit, tot het 
weer dag werd. En gingen de haven van Terschelling binnen, konden 
daar geen visch verkopen. Gingen daar na een kantoor dat ons geld 
voorschoot, om spijzen en brandhout te koopen. Daar zie ik nog een 
zwart brood op de mand leggen die aan boord kwam. Hoe gretig wer- 
den die verslonden (want wij hadden honger). En toen die gestild was, 
ging ik eens goed zien hoe de haven was. Wij lagen bij een Barkschip 
Rea geheten, waarbij een boot lag, waar iedere nacht een man mee 
naar boord ging. (Overdag was het mijn vermaak). 
Wij gingen met visch marten. En ik mocht ook mee, en zou mij wat 
opknappen. (Moeder zei: 'Daar heb je goed als jij ergens komt om aan 
te trekken'). Ik pakte uit een broek van een opperman, met kalk aan 
klep en knieën. En zoo gingen zij niet met mij, een opperman. En van 
wit wilde ik zwart maken, wreef de broek over de lanen en de koeke- 
pan, tot het wit nu zwart was. Toen mocht ik mee, na het Oosteinde. 
Wij kwamen terug met een mand aardappels en uijen. En toen allens 
aan het aardappelschillen en de uijen. En kookte de Groote pod vol, 
waar niets van overschoot. 

Na drie dagen zeilden wij uit en hadden drie dagen thuisreis. (Zoo ik 
meen was het een reis van veertien dagen). Ik kwam thuis en vond 
mijn Grootje ziek, en had al dien tijd sprakeloos geleegen en stil ge- 
leegen. Zij hoorde mij aankomen, rees overend en sprak: 'Waar ben je 
zo lang geweest?' Mijn vader zat bij haar bed en begon te huilen. Toen 
hij de ontmoeting zag, mijn vader, zeide hij. 'Zoo lang zij leeft, blijft 
gij thuis!' Duurde nog ruim twee dagen, en zij was niet meer. En ik 
weende, om het verlies van een voor mij goede grootmoeder. 
Een tijd in 't jaar later kwam ik weer als altijd van de reis terug (geen 
grootmoeder meer en mijn moeder niet thuis). 

Zwart en smerig als ik was kwam buurvrouw Anna, de Badvrouw, 
en zei tot mij: 'Trek je bovengoed uit, dan zal ik jouw eris ridderen!' 
En zij ridderde mij, hoor, en kwam met een emmer water, groene zeep 
en een borstel, en begon de ridderarbeid. Ik voel mijn aangezicht bij 
het Schrijven haast nog gloeien! En gevoelde mij wel gereinigd te zijn. 
Ik haalde schoongoed en kleedde mij aan, en was er haar zeer dank- 
baar voor. En Jan ging niet, als altijd aan het strand schuitje zeilen, 
zoo als hij gewoonlijk zijn troost daarmede zocht. 

De pret gaat nog meer van het varen af, als onze Jan in zijn kwaliteit 
van grote jongen (de gebruikelijke kleine promotie) ook nog het werk 
van een luie matroos mag opknappen, die bejaarder is dan hijzelf: vis 
schoonmaken voor het middagmaal, het schip lens houden. Zo brengt 
hij een tweede zomer door op zee, tot nieuwjaar. Dan komt hij weer 



103 



bij zijn eerste schipper. En dan gebeurt het erge dat de deur dicht doet: 

Het was juli geworden, de tijd van verhuizing. Het jonge volk ging 
henen, en bejaarde kwamen in de plaats. Een jong matroos werd ziek 
en stierf. Dat was in de maand Augustus. En hadden tot hulp een ma- 
troos, een bejaard man. En hadden één man te min aan boord. En het 
was in de Choleratijd. En die man kreeg diarree en buikpijn, en wilde 
na wal. En kwamen ontijdig of op ongewonen tijd aan. En van het 
dorp kwamen zien wat er aan mankeerde, waar ook een broer van mij 
bij was, om te horen wat er was. Een oud man werd het eerst aan wal 
gedragen aan wien mijn Broer vroeg wat er aan scheelde. En gezegd: 
'Wel, je broer wil niet meer varen'. En hij ging na huis en Vader die 
tijding brengen. (...) 

Daar stond mijn vader mij op te wachten en zei in drift: 'Wil jij niet 
meer varen?' En kreeg een klap in mijn gezicht, dat ik achterover op 
de grond viel, en ik mij op de rug keerde en zeide: 'Ik zal het je mak- 
kelijk maken — trap mij maar dood. Nu is het uit met varen. En zoo ik 
al moet, zult gij mij zien gaan — maar niet weerom!' 
Mijn vader ging in huis, riep mij en zeide: 'Gij zijt vrij hoor!' Ik begon 
mijn zeegoed uit te trekken en ander aan te doen. En ik was toen ver- 
blijd en maakte mij vrolijk met het volk dat buiten stond om den af- 
loop te zien. 

U kunt zich al-met-al voorstellen hoe verheugd onze Jan Snijer was, 
toen hij van zijn strenge vader (die elf jaar soldaat was geweest) van 
de zee afmocht en zich voegen kon onder de landjongens. Beter duin- 
piepers rooien dan visjes vangen in de zilte ziedende zee! En zijn ge- 
luk werd nog volkomener, toen hij een vertrouwenspositie als het kos- 
terschap mocht verwerven (1853) en toen hij nog tot klapperman met 
klink promoveerde ook. 

En in een lang leven is onze lange Jan — hij overleed op 14 mei 1920 
ten huize van zijn dochter te Haarlem, maar werd te Zandvoort be- 
graven - een van de merkwaardigste figuren van de Zandvoortse ne- 
gentiende eeuw geweest, terecht in een straatnaam vereeuwigd. 
Het is dan ook geen wonder, dat de bejaarden van Zandvoort nog een 
aardige aanvulling hebben bij deze fragmenten uit zijn zelfgeschreven 
biografie. Lange Jan (vertellen zij) had een leuk zwart hondje, waar 
hij veel van hield. Op een keer komen ze bij hem: 'Jan, de jachtopzie- 
ners van Quarles van Uf ford ( de landheer) hebben je hondje doodge- 
schoten!' 

Jan gaat zoeken in de duinen en vindt het lijk. Ter plaatse maakt hij 
een grafje, eigenhandig, voor zijn kleine kameraadje. En hij doet, bij 
het graf, een verschrikkelijke eed: 'Daar zal een van zijn kinderen 
voor sterven!' 

Toen de vrouw van de landheer dit vernam, zat zij dag en nacht in 
doodsangst. Zij sprak erover met gemeentesekretaris Piet de Vries. En 



104 



die zei: 'Mevrouw, ik zal met Lange Jan praten.' Jan werd op het 
raadhuis ontboden. Piet de Vries ging met hem op de tekst: over de 
kerk, over het geloof aan God en ten slotte over de dood van z'n 
hondje. De Vries: 'Je doet zonde, Jan.' Lange Jan: 'De eed is heilig, ik 
moet het doen.' 'Ga dan naar het graf en zweer opnieuw. Maar nu, dat 
je nooit een kind zult doden - je moet het "afzweren"!' En aldus is 
geschied. 

Al bijna even merkwaardig als het levensrelaas van Lange Jan, is 'De 
vertelling van Ouwe Kees' (= Kees Keur), destijds woonachtig aan de 
Rozenobelstraat (het smalle opgaande straatje naar de watertoren, 
waarvan thans niets meer bestaat), een vraaggesprek van Leo Lauer, 
die ook voor twee rake foto's zorgde (Op de hoogte, december 191 5, 

XII, 536-539)- 

Het gaat in een gemaniëreerde tachtiger-stijl, die nu op onze lach- 
spieren werkt, als hij ons al niet verveelt en de keel uithangt. 

Hij huist er in een onbewoonbaar verklaarde woning, een krot, en 
toch mijmert de grijze er zich tevreden; waar men hem toestond, voor- 
loopig in het ruïne-huisken te blijven toeven, schept hij zich een ge- 
lukje in 't hopen, dat dat oorlof hem zal blijven tot aan zijn sterven 
toe. Want vijf-en-zestig jaar heeft Kees er in zijn steenen hutje geschar- 
reld, als wiegekindje in 't houten schommelding, als kleuter, hangend 
aan moeder's schort, als aapje, dat op kattekwaad zon, en later toen 
de oudjes dood waren, als hoofd van het gezin, met vrouw en eigen 
kinders. - En dan hecht je aan zoo'n woon... 

De vrouw van Kees is al 15 jaar dood: "n Man op eige bene is 'n on- 
ding.' En hij giechelde, wel wat weemoedig, bij dat speelse woord (al- 
dus Leo Lauer). 'Ik had d'r nog wat langer kunne houwe, moeder de 
vrou, maer 't was d'r eige wil. Ze had 't an de lever. D'r ogen waere 
geel as saffraen, en d'r buik was zo dik, dat de dokter zei 'Kees, zei 
die, je vrouw het 'n lever, zo groot as die van jou en je broer en je 
jonge!' Ze mog vooral geen vlees van 't varreke. En ze was d'r dol op. 
'Dan leef ik maer 'n jaer minder,' zei ze altoos. 'Maer vlees van 't var- 
reke mot ik.' Jae, we hadden toen eige slacht!' 

En nu huist Kees alleen, met zijn poezen. In het enge voorportaaltje ziet 
men pas gemaakte manden: 'platte visch-korven, die ze in Zand- 
voort zeigers heeten, de buikige, teenen botten, die de vrouwen bij 
heur venten, de kerels bij hun sprokkel-dwalen door het duin, aan 
zeelen op den rug torsen.' 

En Kees kon vertellen dat het een aard heeft. Over zijn dienstijd: 
'Schieten kon ik as Napoleon. Dat had ik iens bij het prijsschieten be- 
wezen. Vijf flodders moest ik lossen. Viermaal trof ik de roos. Toen 
zei de kapitein: 'Kees, nou wat lager anlegge.' Wrachtig, de stommerd 
deed 't! Mis! Later snapte ik 't. Nou won de oppasser van de ouwe de 
prijs. Dat scheelde mij verlof en zakcenten.' 



IOJ 




Portret en interieur van Kees Keur. (Foto's Leo Lauer) 




Ook over Zandvoort zelf weet hij veel te verhalen. 'Toen we de var- 
rekes nog aan huis hadde op Zandvoort, toen had je last van ratte! Je 
kon om elf uur je aerappels schille, ze in een pot, borendevol waeter 
gooie: 'n uur laeter waere ze vort. We hebbe ze wel op zolder gevonde. 
De aepe droege ze gewoon 't leertje (= laddertje) op. Of die bretaal 
waere! We hadden 's 'n broeise kip. Die zat op de vliering. M'n vaeder 
leefde toen nog. Hij had al langer dan 21 daege gezete, maer te- 
voorschijn komme, dat dee die niet. Affijn, we ginge 's kijke, bove. En 
daer zat die nog, w'rèchtig, hij zat nog te broeie. Maer de eiere waere 
weg, en z'n kop hadde de ratte finael ofebete! Jèèè!' 
Van varen moet Kees niets hebben. 'Ze hebbe me wel 's meegenome op 
'n garnaeleschuit. Ik zeg: dank je. Dat was iens en nooit weer. Dan 
spouw je je hart en je lichaam uit. Voor de zee bin ik bang - niet om 
'm te bezien, maar wel om d'r op te weze.' 

Vroeger was het mandenmaken een best vak. Maar nu leeft Kees van 
de armen, in deze mobilisatietijd. 'Ik heb nog wel's 'n bot gemaekt, 
die is naer Londen gegaen. Daer was toen tentoonstelling en daer 
kwamme van ieder vissersdorp meide. Van Zandvoort ging er ook 
'n meid en die droeg 'n bot op de reg. Ze het d'r een gouwe medalje 
voor ekrege. Jae, ze is allang weg. Ze dient, geloof ik. Maer ze draegt 
die medalje nog.' 

Er is nog zo'n verhaal: Oom Dirk {192.6) door J. W. van Zeijl, ingeleid 
door Ds. A. K. Straatsma, waardoor men ook nu weer beseft, hoe kaal 
en karig het vissersbestaan is geweest, ondanks het idealiserend weer- 
geven van vele dichters en schilders uit een vroegere periode. 
'Van de zai weze...' is dan ook het ideaal op Volledam, waar men 
versjes bij de hand heeft in de trant van : 

Visserman, 

Pisserman — 

De duvel veegt ze kont d'ran! 

De boer, dat 's pas 'n edelman: 

't Kalfie komt 'n koetje van! 

Bij alle liefde voor de zee en het kerels-verlangende visambacht dacht 
men op Zandvoort al net als op Volledam. En toen dan ook door 
straatweg en badhuis de grote keer kwam, waren de Zandvoorters er 
als de kippen bij om iets te verdienen aan hun beminde zomergasten. 
Zo zeer zelfs, dat er volgens de sociologen geen Nederlandse badplaats 
is, waar juist ook de vissersbevolking zo prompt zich aanpaste aan de 
vreemdelingenindustrie. Mede daardoor zijn de immigranten, die in de 
vorige eeuw met het oog op het badbedrijf naar Zandvoort zijn ge- 
komen, geheel één geworden met de oorspronkelijke bevolking. Deze 
snelle aanpassing kan mede een gevolg geweest zijn van het weinig 
'belijnde' Christendom der Zandvoorters. De strenge, stoere Kat- 



107 



wijkers zeiden immers: 'Zandvoorters, dat is geen volk!' (= uitver- 
koren volk). 

Volgens Zandvoort, een sociaal geografisch struktuuronderzoek 
(Utrecht 1957), heeft slecht 5,5 % van de Zandvoorters het een-of- 
ander zeemansberoep. Dat is meer dan het landsgemiddelde, maar het 
haalt niet bij vroeger toen Zandvoort bijna geheel een dorp van vissers 
en wat daarbij behoort was. Eén enkele garnalenvisser (Jan Bonnie 
alias Molenaar) — nadenkelijk over een kwakkende zee met dik waeter 
alias garrenaelewaeter — hield de herinnering aan Zandvoorts vissers- 
verleden enigszins levendig. Nog in 1957 vermeldt Elsevier' 's Culinaire 
Encyclopedie, 'dat de in zoet water gekookte Zandvoortse garnalen 
een speciale naam bezitten'. 

Naamgeving 

Iets meer dan 40% van de in 1947 ruim 9000 zielen tellende Zand- 
voortse bevolking is ter plaatse geboren. Het Nederlandse gemiddelde 
voor mensen in hun geboortegemeente bedroeg toen ruim 61 °/ . Be- 
liep in 19 10 het percentage exogame huwelijken 15, in 1954 was dit 
65 geworden. Uit deze cijfers blijkt wel duidelijk, hoe een grote rol het 
vreemde in Zandvoort speelt. Meer van deze soort gegevens vindt men 
in de bijdrage van gemeentesekretaris Bosman, het eerste hoofdstuk in 
dit boek. 

Toch heeft de oude kern voor Zandvoort een betekenis, die boven haar 
gestalsterkte uitgaat. Deze immers - een blijvend element temidden 
van wat verschijnt en soms weer spoedig verdwijnt - voelt zich nog 
steeds hecht verbonden niet slechts aan zee-en-zand maar ook aan de 
eigen gemeenschap. En van de winterse verveling aan barre winterse 
kust, kenmerkend voor de veelal vluchtige en nauwelijks worte- 
lende uitheemsen, heeft zij amperaan weet. Folkloristisch effekt van 
deze innige oud-Zandvoortse verstrengeling zijn de wel 600 bijnamen 
die men nog heden-ten-dage noteren kan. Zij dienen ter onderschei- 
ding in een beperkte samenleving met veelal dezelfde familienamen en 
zij zijn daarenboven nog veel meer een soms fantasierijk getuigenis van 
het nauwlettend met-elkaar-opleven van een primair reagerende face- 
to-face gemeenschap, vóór de doorbraak uit 700 personen bestaande 
die meestal in mekaar omtrouwden of ten hoogste de echtgenoten be- 
trokken uit de strook van Hillegom tot Egmond-aan-Zee. Het sociaal- 
geografisch rapport telde indertijd 309 personen te Zandvoort met de 
geslachtsnaam Paap en 294 met de geslachtsnaam Koper. 
Als oud-Zandvoortse families worden opgegeven: Bakkenhoven (r.k.), 
Bluys (r.k.), Bol, Cazander (r.k.), Van Deursen (r.k.), Diependaal 
(r.k., Drayer, Driehuizen (Driehuyzen), Van Duivenboden, Duiven- 
voorden (r.k.), Van Duyn, Groen, Hollenberg, Van Honschoten (r.k.), 
Keesman, Kemp, Kerkman, Keur (ook talrijk), Koper, Kraayenoord, 
Loos, Van der Meij (r.k.), Molenaar Van der Mije (n.h.), Paap (n.h.), 
De Roode, Schaap, Schilpzand, Van der Schinkel (r.k.), Schuiten, 

108 



Slag(t)veld, Snijer, Stokman, Termes (De Mes), Terol, Van de Valk 
(r.k.), Van der Veld (r.k.), Visser, Vossen, Weber (r.k.), Van der Werf f, 
De Wid, Zegwaard (r.k.), Zwemmer. 

Karakteristieke voornamen waren of zijn : Merij, Engeltje, Kniertje (naar 
Sinte Cunera), Leuntje (van Apollonia), Guurtje (van Godfried), Duif- 
je, Ewit (twee Angelsaksische broers Ewald waren medestanders van 
Willebrord), Fulp (naar Sint Fulbertus = Folk-bertus = schitterend 
onder het krijgsvolk), Kors(tiaan), Krijn (naar Sint Quirinus), Jaep, 
Rocus en Wullem. 

De familinaam Bluys zou - volgens de Zandvoorters — wijzen op af- 
komst van de Schouwse heren Van Bloys. Meer zekerheid heeft de 
mededeling van een genealoog, dat de eerste Keur een keurmeester- 
van-vis is geweest. De naam Zwemmer kan duidelijk worden door het 
Katwijkse woordenboek van Prof. Dr. G. S. Overdiep en C. Varke- 
visser (1949), waar de zwemmer een matroos blijkt te zijn, die bij aan- 
komst en vertrek van de bomschuit de verbinding met het droge on- 
derhield. Hij droeg o.a. de bemanning op zijn schouders naar en van 
land. (In Katwijk is zwemme waden door het water; gewoon zwem- 
men is er naekt zwemme). 

Over het ontstaan van de nobele naam Van Duivenboden bericht S. G. 
van der Laars in het album Historische geslachten onder nr. 182 na- 
genoeg als volgt: 

Gedurende de tweede belegering van de sleutelstad in 1574 stond Van 
Duyvenbode, ondanks den hongersnood, in het belang van zijn mede- 
burgers, acht zijner duiven af, om deze dienst te laten doen als post- 
duiven. Stoutmoedige mannen brachten deze dieren buiten de stad. 
Juist, toen de nood in de belegerde veste ten top was gestegen, kwamen 
de duiven terug met hoopvolle berichten van Boisot en den Prins van 
Oranje. De perkamenten briefjes worden thans nog in het Stedelijk 
Museum bewaard. Als belooning voor zijn diensten tijdens het beleg 
verkreeg de organist den naam Van Duyvenboode en het boven be- 
schreven geslachtswapen: in zilver twee schuingekruiste sleutels van 
keel, vergezeld van vier duiven van azuur. Hij woonde op het Rapen- 
burg te Leiden, waar het in den gevel aangebrachte wapen thans nog 
te zien is en kort na zijn begrafenis in 1606 in de Pieterskerk, werd 
tegen een pilaar zijn wapenbord aangebracht met het volgende rand- 
schrift: 

Door Godt gewrocht, 

hebben de duyven die brieven binnen Leyden ghebrocht. 
Willem Corneelissen van Duyvenboden. 

En dan nu de onofficiële naamgeving, dat hachelijk produkt van 
'efficiency' en kritisch pal-op-elkaar leven. Patroniemen - vaders- 
namen — zijn daarbij talrijk: Jans van Niessie, Maart van Job en Floor 



109 



van Job van Ante Foe. Soms houdt de bijnaam verband met andere 
kontreien: de Katteker reder, Rijnsburg, Tessel, de ouwe Marker, de 
Engelse Schelling. In het merkwaardige en nog vrijwel on-onderzoehte 
Egmond-aan-Zee klinkt de Nederlandse eu zo ongeveer als een ee. 
Naar Zandvoort verhuisde Amenders heten daardoor: de Keeke (= de 
Keuken) en Blinde Teenis (= Teunis). 

Dialektelementen verneemt men voorts nog in: het Ezelekind, Kap- 
pedosie, Stoppeles, Taetemem (= vader en moeder), Holleblok, Watje- 
wang, Ouwe Keggie (Kerkman). In het religieuze liggen: Amos, Levi en 
de Zendeling. 

Voorts zijn lichaamseigenaardigheden een maar al te dankbaar objekt 
in de naamgeving: Kees Bil, Jan Triel (erg klein), Sijt Ham (Zwem- 
mer, naar haar achterdeel), Dosie (klein bij zijn geboorte, later heel 
groot), Bierbuik, Gortbuikie, de Prop, de petieterige Van Kieten (de 
Sparrewouwer reus was een Van Kieten!), Muisie, Snippertje Mens, de 
Staende Klok, de Kattebochel, Lokkiebol, Scharreneusie, Bomneus. 
Namen afkomstig uit de prilste kinderjaren zijn bijvoorbeeld: Pierie, 
Broerie Toet, Poppe Moekie, Tippie. En het allermooiste: Tientoptoje, 
dat ontstond uit een kinderlijk verbrabbeld Ik zei je 'n stien voor je 
kop gooie! Merkwaardig ook, dat scheepsnamen en bijnamen samen- 
gaan: Mos, Vink, Bal, Kous en de Kraai. Jaep Sok (alias Jaap Koper) 
nam afscheid als schipper en zijn opvolger heette toen als vanzelf 
'De Kous' - aldus weet men ons in 1968 te vertellen. Al even zonne- 
klaar is Piet van 't Waepen, de bijnaam van Pieter Koper (geboren in 
1866), kastelein in Het wapen van Zandvoort, die ook Piet van 
Joppie Meut heet. Dappere Kees, ook een kastelein, heette naar zijn 
nevenberoep: het kiezentrekken. 

In vele gevallen is de oorsprong van de bijnaam ook voor ingewijde 
Zandvoorters niet meer te achterhalen. Maar wèl kunnen wij ver- 
nemen hoe de 103 jaar geworden Tante Jans de Kraai (= mevrouw 
Jannetje van der Meij) aan haar algemeen gebezigde bijnaam is ge- 
komen. Wij citeren hiertoe het hoofdartikel in het Zandvoorts Nieuws- 
blad van 6 december 1957: 

Haar vader had als schipper van de vissersboot De Kraai - vandaar 
zijn en haar bijnaam — in geen geval een rijk bestaan, de zorgen bleven 
dit grote gezin niet gespaard. Later, toen haar vader ouder was, werd 
hij koster en doodgraver bij de Rooms-Katholieke Kerk. Op een mor- 
gen kwam hij naar buiten en zag een bordje op het tuinhek getimmerd 
waar het volgende rijm op te lezen stond: 

De kraai die leeft, als niemand leeft, 
Dan heeft ie melk en brood. 
De kraai die sterft als niemand sterft, 
Want hij leeft van de dood. 

En ze schatert nog van het lachen bij de herinnering eraan. 



110 



Na dit relaas over bijnamen zult u wellicht vragen: en hoe moeten 
wij de naam Zandvoort zelf dan wel verklaren? Nu, deze naam is heel 
doorzichting: het is een samenstelling van zand- en het in de topony- 
mie alom bekende -voorde. Dit in vrij gebruik uitgestorven voord(e) 
hoort bij het werkwoord varen, dat oorspronkelijk de algemene be- 
tekenis van zich voortbewegen bezat. Vergelijk nog uitdrukkingen als 
Hoe vaart u? en het duitse fahren. Vertaalt men -voorde in woorden- 
boeken en toponymische geschriften steevast als doorwaadbare plaats, 
in het geval Zandvoort geven wij - gezien de ligging van het dorp - de 
voorkeur aan de ruimere en meer antieke betekenis van doortrekbare 
plaats alias overgang of doorgang. Reeds de schrandere B. W. A. Sloet 
tot Oldhuis dacht er in 1859 evenzo over, als hij in zijn zaakrijke Oeco- 
nomische beschrijving van de badplaats Landvoord (let op de histo- 
risch-korrekte d!, die ook blijkt in dialektisch 'Zanfurders' = Zand- 
voorters) verklaarde: 

Landvoord ligt op eene plek, waar de uiterste duinketen gebroken is, 

in eene voorde, die onmiddellijk naar het strand leidt. 

(Tijdschrift voor Staathuishoudkunde en Statistiek, deel 18, blz. 4). 

Zandvoort lag ook naar onze mening daar waar de natuurlijke heir- 
weg die het strand in vroeger eeuwen gevormd heeft een oostelijke af- 
takking bezat — naar het lagere gebied der oude binnenduinen — via 
een wat lager gedeelte van de zeereep en een grote, ruime duinvallei 
waarin ten slotte de Rel (rel = waterloop, vgl. Duinrei en het Engelse 
rill) zich formeerde. Van deze voorde profiteerde Witte van Haem- 
stede, toen hij 26 april 1304 geland was bij Santjoerde en door de 
duinen oprukte naar het een-of-ander Manpad waar hij de Vlamin- 
gen wist te verslaan. Aldus, de plaatsnaam inbegrepen, Melis Stoke in 
zijn rijmkroniek (1 303-1 305). Met Dr. G. Karsten (Noordhollandse 
plaatsnamen, anno 195 1) en H. J. Moerman (Nederlandse plaats- 
namen, anno 1956, blz. 254) die voort ook hier als doorwaadbare 
plaats opvatten, kunnen wij ondanks de waterrijkdom der voormalige 
duinlandschappen bezwaarlijk akkoord gaan. - De Zandvoorters zelf 
noemen hun dorp Zanfert. 

Hadden de Zanfurders in hun geheel een scheld- of bijnaam? Nauwe- 
lijks. In Katwijk-aan-Zee kan men horen: 'Alles wat boven Noortech 
(= Noordwijk) woont, dat is raerechhaaid' . En in een officieel stuk 
vindt men Haarlemse kwalifikaties als Sandvoorder Vee en vagebon- 
den (1794). Eigen Volk, jrg. VIII blz. 225, vermeldt Zandvoorter 
walvissen en zoekt de verklaring in de inderdaad ook door de Zand- 
voorters beoefende walvisvangst. Waarschijnlijker is het, dat bijvoor- 
beeld de fameuze wegstranding van een reuzenwalvis van Noordwijk- 
aan-Zee naar Zandvoort de aanleiding is geweest tot deze hoogst on- 
schuldige naamgeving. 2 
Ten besluite van dit hoofdstuk mag een enkel woord volgen over de 



in 



naam Bentveld, de aan Zandvoort onderhorige buurtschap. Is -veld 
zonder meer duidelijk, het eerste lid bent- staat ontegenzeggelijk in 
verband met het stugge bentgras (molinia) — ook wel pijpedoorsteker 
genaamd - dat het best op vochtige zandgronden gedijt. S. Wilson, in 
zijn Beknopte geschiedenis van Bloemendaal (anno 1952, blz. 46), 
wijst erop, dat Bentveld ca. oudtijds steeds onder water stond. Ja, in 
de winter kon men wel op de schaats naar Zandvoort! De nattige 
bodemsituatie van onze vroegere duinen blijkt trouwens ook uit de 
naam van het met konijnen gepopuleerde duinlandschap Zegveld c.q. 
Zekveld of zelfs in de volksmond 't Stekkeveld, waarin wij zegge = 
riet met snijdende bladen herkennen (vgl. het Latijn secare = snijden). 
Ook op een prent in het Haarlemse gemeentearchief zien wij een heu- 
selijk duinlandschap, met een klein meertje in de vallei, niet ver van 
het dorp. 

In deze samenhang mogen wij ook nog wel eventjes wijzen op een ken- 
schetsend en veelvuldig voorkomend toponiem als kroft = duinakker 
(later: krocht), dat men vergelijken mag met het oudengelse croft = 
afgesloten landstuk en het middelnederduitse croch = omheind stuk 
land. Het stemt tevreê dat dit voor onze Hollandse duin- en geest- 
gronden zo karakteristieke toponiem tot in lengte van dagen in Zand- 
voortse straatnamen bewaard blijft (Grote Krocht en Kleine Krocht). 
Ook in Haarlem is Krocht een straatnaam in de binnenstad (vgl. nog 
ons boek over Schoten - Zeven Heerlijkheden - blz. 113). 

Volksverhalen 

De bovengenoemde Mr. B. W. A. E. Sloet tot Oldhuis - die als dich- 
ter op een stemmige wijze Oostnederlandse volksmotieven wist te be- 
werken - heeft op Zandvoort, zelfs in 1859, vrijwel niets gevonden 
dat zijn romantische inspiratie gaande zou kunnen maken. Sporen van 
oud bijgeloof vermocht hij er niet aan te treffen, 'doch even als aan de 
stranden van het oude Hellas ziet men ook hier de schipbreukelingen 
zonder hoofd of armen langs de zee dolen' (blz. 16). 
En zoals Sloet tot Oldhuis het destijds gevonden heeft, zo is het heden- 
ten-dage in versterkte mate. Wel een verschil met het oud-katholieke 
Egmond-aan-Zee, waar de heugenis aan de kol = heks en de kollever- 
drijver bij-lange-na niet is vergeten. Thijs Mol noteerde indertijd het 
een-en-ander over belezen = het uitspreken van bezweringen ter uit- 
drijving of afwering van de boze geest en zijn invloed op Zandvoort- 
aan-Zee. 'God zei je ringbote', zei Lange Teun, de belezer. 'Pas is er 
nog een gestorven, die 't kon' (1959). En dromen wat uitkomt, nog al- 
tijd is iemand die met de helm werd geboren er niet vrij van. Dit dro- 
men kon betrekking hebben op het nogal onschuldige weglopen van 
een jongen midden in de nacht. 'Maer as 'r ien anspoelde droomde ik 
't ook'. 'Een vrouw die drie dagen getrouwd was' - zo wordt er ver- 
teld - 'zag haar man nat in de deur staan. Inderdaad hij is verdron- 
ken'. 'En er was ook een vrouw, die woonde waar nou barbier Schaap 



112 



woont. Die wist het te vinden, als er iets gestolen was. Toen grootmoe- 
ders kousen gestolen waren, zei ze: "Laat maar hangen, ze zitten vol 
ongedierte"!' (1959). Ook sagenboeken geven vrijwel geen zand- 
voortiana. Brengt W. J. Hofdijk - de aanvankelijk nogal feodaal ge- 
oriënteerde Kennemer Minstreel - in zijn overrijke balladenboek Ken- 
nemerland noch iets over Egmond-aan-Zee noch iets over Zandvoort 
te berde, ook J. R. W. Sinninghe, in zijn Hollands sagenboek (1944), 
geeft slechts een historisch motiefje en dan nog over de Blinkerd ten 
tijde van Witte van Haemstede. In S. Franke, Legenden langs de 
Noordzee (Zutphen 1934), vertelt Dr. H. C. Prinsen Geerlings, bij 
wijze van kennemer volksmening (blz. 149): 

Wanneer bij boos weer op zee de meeuwen zich te Haarlem vertoonen, 
zegt men: 'De Schout van Zandvoort laat zijne duiven vliegen'. 

Elders zijn dit de duiven van de Katwijker dominee. Ja, ook helemaal 
in West- Vlaanderen - tussen haakjes: er zijn daar maar liefst twee ge- 
meenten die Zandvoorde heten! - is dit aardig motiefje welbekend. 
Het Brugse Biekorf, Westvlaams archief voor geschiedenis, oudheid- 
kunde en folklore meldde het immers grasmaand en bloeimaand 1958 
voor een tweetal kustkontreien. Ietwat afwijkend in de Noordhol- 
landse lezing is de vervanging van pastoor of dominee door een 
wereldse autoriteit. 

Al-met-al heeft u nog altijd geen oud-Zandvoorts verhaal in ten- 
naaste-bij oud-Zandvoortse taal onder de ogen gekregen. Kunnen wij 
dit nauwelijks verstrekken in het min-of-meer okkulte genre - er is 
wèl een historische sage, uit de Franse tijd, die wij kunnen opdissen. 
Wij volgen ten dele de dialektlezing bij mevrouw E. Jongsma-Schuiten 
(de oud-Zandvoortse echtgenote van de uit Friesland afkomstige ga- 
ragehouder), die zij vervlocht in haar met behulp van Piet van der 
Mije samengestelde taferelen uit Zandvoort onder de Franse bezetting. 
De legendarische afloop van de sage danken wij aan wijlen tante Jans 
de Kraai bovenvermeld. Dr. B. van den Berg in zijn belangrijke studie 
Het dialect van Zandvoort en zijn plaats in de Hollandse dialecten 
(1959) geeft een verwante lezing door Jaap ter Mes, waarin de over- 
oud-aandoende begraving-in-de-muur (een soort van bouwoffer?) het 
lot blijkt te zijn van een andere Franse soldaat, die te aanhalig had 
gedaan ten aanzien van een getrouwde Zandvoortse (blz. 43-44). 

Nou, d'r was 'n Fransoos ingekwartierd in doin - bai de doinbaes op 't 
Paeredais, Aert van mem Mop. Nou, ze gaene daer 's middags an 
taefel: de vrouw bringt 'n gróóte schael mit aerepels binne mit 'n koppie 
dóóp in 't midde. Ze gaen bidde en wulle daernae begunne mit ete. De 
kindere prikke 'n aerepel op hullie verrek. Effe in 't koppie dóópe. 
Dan ete ze deur. 
Maer die Fransman, die wul iet vrete. Aert die vraegt, zo goed en 



"3 



kwaed as ie dat kon duije, wat er an schort. En daer zegt me die vent, 
dat ie eêk (edik = azijn) wul hebbe in plaets van vet. Goed, Aert die 
zait dus teuge ze waif : 'Hael wat eêk - meheer wul eêk hebbe!' 
2e waif komt berom mit 'n kommetje eêk. En die Fransoos, die giet 
dat hiele kommetje pardoes over de schael mit warme aerepels! Dat de 
kinderen die beginne te kraite en te sjompe van geweld. De vrouw die 
zait: 'Wat doe je nou?' teuge die vent. D'r man ommers die verrekte 
van de honger, hij had nog maer net ien aerepel op ze verrek estoke. 
En hij wordt zo kwaed, dattie graipt 'n bats, de schop, die in 'n houk 
van de kaemer staet en hai wul die Fransoos te laif. Maer die vlucht 
de deur oit. En onze Aert 'm achternae, doin in. 't Paeredaisveld deur, 
't Flesseveld, 't Worstevlakkie, de Eerste en Twiede Vlaje (valleien). 
Bai de Pikkese Del, daer het ie 'm onder ekrege en dóódesloege. En toe 
hebbe ze laeter 't laik van die seldaet in 'n muur emesseld. Dat kwam, 
omdat ze in die buurt net mit messele bezeg waere. Mit 't of breke van 
't hois, toe hebbe ze de ribbekast van die Fransman berom evonde. In 
de Kerkstraet. 

In 't uniform van die Franse seldaet is Aert van mem Mop wegevlucht. 
Maer 't spreekwoord zait: 
Gien kwaed zo gróót, 
Of het bloedt dóód. 

Nog in de Franse taid is Aert berom ekomme. En hai het gien sentje 
last ehad. 

Volksliederen 

Sinds Herman F. Wirth en zijn Der Untergang des niederlandischen 
Volksliedes (191 1) is er veel en gemakkelijk gepraat over de liederen- 
verdervende invloed van ons vaderlands calvinisme. Bij onderzoek 
echter blijkt dat christelijke dorpen als Katwijk en Zandvoort totvoor- 
kort dorado's van spontane volkszang zijn geweest. Voor Katwijk 
toonden wij dit uitvoerig aan in het Leids Jaarboekje voor 1953, en 
ook in Zandvoort is de zanglust vanouds inheems. Er bestaat zelfs 
een liederenboekje dat de naam Zandvoort in de titel draagt: De Op- 
rechte Sandtvoorder Speelwagen, een uitgave door Isaak van der Putte 
te Amsterdam van omstreeks 1 73 o. Is in de verzameling Scheurleer (cata- 
logus I, blz. 322) een exemplaar aanwezig, wijlen Dr. C. Brouwer te 
Haarlem bezat er eveneens een. Het eerste liedje in deze bundel is een 
Scheyd-Liedeken, dat onder vele andere Zuid-Kennemer namen ook 
Santvoort noemt. In dit verband past een Oudhollands schilderij op 
een tentoonstelling in Emden te zien geweest: een strand met barokke 
wandelaars waarboven men leest 'Het ghaet al na Sandvoordt' (zie 
afbeelding op blz. 130). In de Haarlemse Pinxtervreugd (17de eeuw) 
wordt zo'n tochtje — men schranst in 't Oude Schontje' — op rijm be- 
schreven. 

Historie terzijde: op Zandvoort wordt nog uit volle borst gezongen. 
Hoor die tante Jans de Kraai maar eens, hoe zij — meer dan een eeuw 



114 



oud zijnde - nog alle koepletten van 'Toen ik op Neêrlands berregje 
stond' wist op te halen. En nog herinnert zij zich de uitroep van feest- 
vierende nozems: 'Hier mot je weze, hier zijn nog jonges die 't Wil- 
helmus blaeze!' Bijzonder mooi vond zij de feesten in het houten ge- 
bouw. 'En dan maer zinge en lóöpe: 'Kom, laete wai 'n wandeling 
gaen doen, Al in het jeugdig groen, Mit 'n maisie van fatsoen'. Een 
hele attraktie waren voor haar in die dagen van olim de musicerende 
blaespoepe op het strand, aan wie Heinrich Kluse uit Bückeburg een 
geestig versje heeft gewijd (zie zijn bundel Erinnerung an Zandvoort, 
(1890, in de Openbare Leeszaal te Haarlem) en waarvan ook graag 
gekochte prentbriefkaarten bestaan. 

Op de zo intieme en plezierige avondjes van het tegenwoordige De 
Wurf, de op 1 februari 1949 gestichte buurtvereniging voor het oude 
dorp (de worf(t) = zeekant), hebben ze ook graag dat het in het lied 
gegooid wordt. Vooral wanneer Engel Paap erbij speelt op zijn schip- 
persklavier, daarbij uitgedost in Zandvoortse spullen: roodbaaien on- 
derhemd, daaroverheen met halve mouwen de donkere hoezee. Hij 
kan ze allemaal meekrijgen als het gaat om Daisy; O, was ik maar 
dood, Die ik liefheb die krijg ik toch nooit; Neêrlands bergen; En 
daar waren eens drie matrozen; Niet zo raar, blijf met je handen van 
me boezelaar; Sien, Sien, Sientje, la-me-los; O, me lieve zwartkop, 
voel eris hoe me hart klopt en O-o-o-, en wat is er met die meid? Grap- 
pig en sappig deint het erover, en menige koon wordt rood gestoofd 
bij de pure pret van het prikkelend zingen. Op zo'n Zandvoortse 
avond hebben wij ook al eens met volle teugen kunnen genieten van de 
bijval die mejuffrouw E. Bakels, alias tante Bets, wist te verwerven 
met de vertoning van een bescheiden keus uit haar kolossale verzame- 
ling van dikwijls fraaie lantaarnplaatjes. Bij manier van slotakkoord 
zette zij de bekende ansichtkaart van het Zandvoortse volkslied op het 
doek. Er kwam niet alleen een klaterend applaus, neen — vol toewij- 
ding werd het meegezongen, alle vier de strofen: 

1 

Gelukkig wij! de frisse lucht 
En 't vrij en open strand 
Verkwikt en sterkt ons ied'ren dag; 
Ons huis staat hoog op 't zand. 
Wij leven vrolijk en tevreê, ) 
Omdat wij wonen aan de zee ( 

2 

Het zoute nat dampt levenskracht 

En levenslust in 't hart; 

Het ruim en heerlijk zeegezicht 

Verdrijft bij ons de smart. 

Wij leven vrolijk en tevreê, ) 

Omdat wij wonen aan de zee. ( 

"5 



2X 




Met het hele hudjemudje naar Zandvoort aan de Zee (1902), kleur en- 
prent van Gerard Kerkhof f (Rijksarchief, Haarlem) 



Ver van de stad, met al haar pracht 

En al haar ijdelheid, 

Zien wij het prachtigste van al: 

Het beeld der Eeuwigheid. 

Wij zijn geboren aan de zee, 

Dat maakt, dat maakt ons weltevreê. 



>2X 



Haar groen gewaad, haar sneeuwwit hoofd 

Betov'ren steeds ons oog. 

En als zij raast en kookt en brandt, 

Slaan wij den blik omhoog! 

Gelukkig immers is ons lot! ) 

2X 

Waar zee, waar zee is, daar is God! \ 

Eerlijk gezegd: aanvankelijk vond ik het enige mooie van dit volks- 
116 



liedje - in 1846 ontstaan bij de opening van de bewaarschool - de 
geestdrift waarmee het wordt gezongen. De tekst immers is nogal kon- 
ventioneel en de melodie werd overgenomen, zij het uit Nederlandse 
koker: zij is oorspronkelijk door Wilhelmus Smits (Amsterdam 1804- 
Amsterdam 1869) bestemd geweest voor Klein vogelijn op groenen 
tak van J. P. Heye (o.a. in Kun je nog zingen, zing dan mee!). Maar 
juist door de konventie - die vaardigheid niet uitsluit, men lette op 
de rake slotregel! - kan zo'n eenvoudig versje het volkomen doen: het 
mag zonder veel moeite als de voor de hand liggende stem voor ieder- 
een fungeren en is als zodanig niet door een individueel kunstgewrocht 
te vervangen. Naar de sfeer past het bij een Christelijk vissersdorp 
dat vanaf het begin van de zeventiende eeuw een drietal als Christus- 
monogram over elkaar gelegde vissen als wapenteken voert. Toen de 
Zandvoorters door maatregelen van de Duitse bezetter uit hun dorp 
weg moesten, was het meer dan een volkslied - het was een hymne, 
een psalm. 

Belangrijker nog dan al deze overwegingen is het feit dat de wel- 
sprekende woorden afkomstig zijn van niemand minder dan Ds. C. 
Swaluë, die van 1836 tot 1882 een getrouw en bemind zieleherder te 



117 



Zandvoort is geweest. Een van zijn stokpaarden was het opstuwen 
van de plaatselijke volkszang, waartoe hij o.a. de evangelische gezan- 
gen in de kerkdienst heeft ingevoerd ('Houdt gij mijn handen beide'). 
Als wij het dagboek van Jan Snijer geloven mogen, dan dateert domi- 
nee z'n zangkoortje van omstreeks 1844. In haar suksesvolle De red- 
dingbooi vaart uit laat Mejuffrouw E. Bakels het aldus vertellen: 

Jae, kind, dat is al 'n taid berom. Dominee Swalue' kwam 's voor 'n 
hois en 'n maid was daer an 't zinge. Hai gong in bois en zee: 'Maid, 
hoe kom je an die mooie stem?' Ze zee: 'Domenee, dat is van de zoivere 
zeelucht!' Nou, toe mosse ze op 'n aevend bai domenee an hois komme 
en wier d'r 'n koor opgericht. Ze hadde ook wel eris 'n feesie bai Drie- 
huyzen. En dan krege ze sukkelaad en krentebrood. 

Jaren nadien kan het uurtje vrijdagavondzang onder leiding van Ds. 
Swaluë, nu in de kerk en met vrije toegang, in geen beschrijving van 
Zandvoort ontbreken: Sloet heeft het erover in 1859, en °°k Eigen 
Haard van 1881 spreekt ervan. Het was ondertussen een zangkoor 
van 80 tot 90 personen geworden: Door beschaving tot veredeling, 
alsdus de echt-vorig'eeuwse betiteling. 

En een der lijfnummers was het boven aangehaalde Zandvoortse volks- 
lied, dat zelfs eens in het Duits is vertaald door een Duitse hoogleraar 
die een tijd lang in Zandvoort logeerde. 

Toen dominee 25 jaar te Zandvoort had gestaan, was er een machtig 
kado voor hem: een groot gespijkerd kleed op de grond, een pendule 
en meubelen. Het zangkoor, in de pastorietuin op banken gezeten, zong 
hem feestliederen toe. Dominee trok wit weg van aandoening - aldus 
Jan Snijer in zijn dagboek - en hij had geen woorden meer. Maar wel- 
dra herstelde hij zich en daarna sprak hij, de visserman (zo noemt 
Sloet hem, in klassiek Grieks, in een eigenhandige opdracht), tot zijn 
getrouwe vissersvolk rondom het thema: 'Ik leefde temidden mijns 
volks'. 

Van deze beminde en werkzame predikant dus, evenals zijn kollega 
pastoor J. J. PAmi (18 51-1889 te Zandvoort) de ware volksvriend, is 
het Zandvoortse volkslied afkomstig. Dat het nooit vergeten worde! 
Er is nóg een lied dat stevig vastgeklonken zit aan Zandvoort. Maar 
dit lied kent heel ons vaderland: het is 'klassiek' geworden, het is een 
'classic' oftewel een 'evergreen'. Hier heeft u het: 

1 

Wanneer het lekker weer is, 

De natuur in blijden lach, 

Haalt pa zijn strooien hoed 

En moe haar bloesje voor den dag. 

De meisjes maken stijve papiljotjes in d'r haar, 

De jongens kopen 'n zwembroekje, dan is het zaakje klaar. 

118 



Om vijf uur 's morgens is het hele stel al in de weer, 

Ze stappen naar 't station en vader zegt: 'Acht buurtverkeer!' 

Refrein: 

We gaan naar Zandvoort bij de Zee! 

Met vader, met moeder, met broertje en met zusje, 

Ome Piet, tante Griet en het hele familie-husje 

Gaat naar Zandvoort bij de Zee, 

Nemen broodjes, koffie mee. 

O, het is zo'n zaligheid, 

Wanneer je van de duinen glijdt 

In Zandvoort bij de Zee. 

i 

Mama zat in een kuil 

Die kleine Kees gegraven had, 

En Vader staat te grinniken 

Bij het gemengde bad. 

Mama zegt, dat haar man een ouwe sijsieslijmer is, 

En tante roept: 'Schei uit nou, zus, de zee is hier zo fris!' 

Ze plast en tilt met breden zwier haar baaien rok omhoog, 

Maar plots'ling geeft ze een gil en schreeuwt: 'De zee zit in m'n oog!' 

Refrein. 

3 

De snobs uit Amsterdam 

In 't helderwit flanellen pak, 

De ridders van den kouden grond 

Met 'n kwartje in d'r zak, 

Die prefereren Zandvoort, want je vindt er meer natuur; 

Oostende is banaal, Monte Carlo is veel te duur; 

Dies gaan ze naar Zandvoort, zo beweren ze met klem, 

En zingen keurig met hun halvezachte foscostem: 

Refrein. 

Op de omslag van de uitgave voor zang en piano - ter beschikking ge- 
steld door Alex de Haas - leest men: Zandvoort bij de Zee (Seaside 
on the Brain). Muziek van H. Darewsky Jr. Woorden van Louis 
Davids Jr. Met enorm succes gezongen door Henriëtte & Louis Davids 
in Rido's Revue Loop naar den Duivel. Copyright for Holland and 
Colonies: Vennootschap Muziek en Letteren, Amsterdam. (Engeland: 
Francis Day and Hunter: Londen W.). 

Het nader ontstaan van Zandvoort bij de zee — zo kenschetsend voor 
Zandvoort dat van luxe badplaats tot Mokumse volksbadplaats was 
geworden - verhaalt Jan Feith in zijn Tingeltangel (Louis Davids be- 
schreven), Amsterdam 191 8, blzz. 142-148. Davids blijkt het voor een 
schamel tientje verkocht te hebben, dit populairste van al zijn revue- 



119 



liedjes. Het ideetje - vooral de melodie, maar ook enigszins de tekst - 
had hij opgedaan in Londen, waar het helemaal geen suksesnummer is 
geworden, ofschoon de komponist Harm Darewsky - een Pool van 
origine - al heel wat toptreffers op zijn naam had staan. Francis Day 
& Hunter hebben het, op het jaar 1914, aldus genoteerd in hun reuzen- 
fonds: Music by Hermann E. Darewsky and Lyric by R. P. Weston. It 
was sung at Music Halls and Theatres by Miss Daisy Wood. Davids 
neemt Seaside on the Brain, na een bezoekje aan Londen, mee naar 
Holland en hij vergeet het geval. Maar op een dag zit hij wat te lum- 
melen achter een stapel militaire paperassen (hij was toen gemobili- 
seerd) en daar schiet hem ineens dat Engelse wijsje tebinnen. En hij 
kan het niet meer uit zijn hoofd zetten. Als gewoonlijk krijgt het re- 
frein het eerst zijn tekst, aanleunend bij Davids z'n: 

Waarom is de zee in Scheveningen, 
En niet in Amsterdam? 

Volgens eigen zeggen had Davids het hele dingsigheidje in tien minu- 
ten klaar-en-opgeschreven, met een Franse bewerking van het refrein 
(Zandvoort prés la mer) erbij inbegrepen. De première kwam, de vol- 
gende winter, in het Amsterdamse Flora-theater, in de revue Loop 
naar den Duivel van Davids' zwager Philip Pinkhoff alias Rido, als 
inlage in de derde akte. Davids trad dan op als Mokumse vuilnisman 
samen met zijn zuster Heintje, wijf uit een kelder. Was het de eerste 
avond een sof, daarna is de scène nog wel 350 avonden met het groot- 
ste sukses op de planken gebracht. Zodat het aan het Engels ontleende 
Zandvoort bij de Zee een onuitroeibare deun is geworden hier te lande. 
'Zou er nog iemand in Nederland zijn, die het niet kent? Het was een 
van die onsterfelijke creaties van Louis, zoals hij er later zoveel heeft 
gehad' (Jan Liber, Altijd maar draaien, de levensroman van Heintje 
Davids, Amsterdam 1963, blz. 56). 

En nóg is Zandvoort bij de Zee op geen stukken na uitgezongen. Illus- 
treerde het vóór vijftig jaar het speelfilmpje Trijntje en Mijntje in 
Zandvoort-aan-Zee, het is nu zelfs samen met Gort-met-stroop (waar- 
over later) het herkenningsthema van de oud-Zandvoortse dansgroep 
die najaar 1957 de gelederen van de buurtvereniging De Wurf is komen 
versterken. 

Feesten volgens de kalender 

Op groene zomer volgt, als het goed gaat, gouden oogst. Voor het 
vissersdorp Zandvoort, dat oorspronkelijk slechts drie kroften in stand 
wist te houden, was de oogst niettemin in de vorige eeuw - bij de 
snelle uitbreiding van de duinaardappelteelt - een gebeurtenis van be- 
lang. Er werd van de leste stroik dan ook enig werk gemaakt, als is 
het niet te vergelijken met de feestelijkheden elders rondom de laatste 
korenschoof. Ph. Sadée (1837-1904) heeft eens een schilderij van dit 



120 



aardappelrooien vervaardigd, die ook als prentbriefkaart door de 
wereld is gegaan - zelfs met Scheveningen erop. 
Sintmaarten, 1 1 november, was toen het nog niet van hogerhand ver- 
boden en uitgeroeid werd, een geliefd Zandvoorts kinderfeest, dat 
een wederopleving ten volle waard is. De voornaamste attraktie 
vormden de Sintmaartensvuren, vooral afgestoken in het Brederode- 
duin, waarvoor het materiaal als het goed ging naar oude zede en 
overal vandaan gestolen moest zijn. Vanwege dit stelen en het brand- 
gevaar en bovendien vanwege het erge vechten tussen de rauwe Noord- 
buurters en de sjieke Zuidbuurters, heeft de politie gemeend er een 
stok voor te moeten steken. Dergelijke vuren komen nog hier-en-daar 
in Nederland wel voor: in Limburg, in Friesland, in welke laatste 
provincie zij zich opnieuw uitbreiden. Zuid-Kennemerland kende ze 
omstreeks 1850 ook bij Vogelenzang, blijkens De Navorscher, jrg. r, 
blz. 3Ï, die het heeft over een groot Sint-M aar tensvuur, dat de boere- 
jongens telken jare aldaar ter plaatse ontstaken (J. ter Gouw, De 
Volksvermaken, Haarlem 1871, blz. 247). 

In Volkskunde, jrg. 1899, blz. 219 bericht P. Gertenbach over het 
boven aangestipte oud-Zandvoortse gebruik. Hij vermeldt uitdruk- 
kelijk vuren in het meervoud en hij wijst op het stelen van de brand- 
stof (dat ook in Limburg nog altijd goede zede is). Het ook door Ger- 
tenbach genoteerde rijm, gezongen tijdens de blije ommetocht door 
het dorp, hoorden wij onlangs door ouden-van-dagen aldus opzeggen: 

1 

Mense, pas op je mande! 
We zelle ze gaen verbrande 
In de Pikker ze del, — 
Verstaen je me wel? 
Dan zei je ris zien, 
Over 'n uurtje misschien, 
Hoe 't brande zei! 



Suntere-Maerte, wat is het koud! 
Geef me 'n turrefie of 'n hout, 
Geef me 'n hallif vaatje, 
Dan ben je m'n beste maatje! 

12 

Geef me 'n appel of 'n peer, 
Dan kom ik 't hele jaer niet weer. 

Gert Heimer, die in Volkskunde (jrg. 57, blzz. r— 21) over Het Sint- 
maartenslied in Nederland heeft geschreven, heeft deze voor-de-helft 
unieke Zandvoortse lezing over het hoofd gezien. Regel 8 t.e.m. n 



121 



zijn algemeen bekend, speciaal in Noordholland; regel 12 en 13 zijn 
nog bekender, ja, afgezaagd; maar de zeven beginregels - met het 
overige zestal (waarin Christelijk-onderdanig gevraagd wordt) in een 
krasse tegenspraak - zal men niet licht elders ontmoeten. Men waar- 
dere de minzame waarschuwing vanwege onze dievende gentlemen, 
wier diefstallen (die meteen schoon schip op de werven maken) op 
overoude inzichten berusten waarvan men in verscheidene naslag- 
werken de merkwaardige parallellen en de achtergronden kan ver- 
nemen (K. ter Laan, Folkloristisch Woordenboek, blz. 392). Slechts 
één parallel (Driemaandelijksche Bladen, jrg. 1906, blz. 92) mag deze 
singuliere Zandvoortse aanhef enigszins illustreren: 'Als de nage- 
boorte van een koe niet los komt, dan steelt men een handjevol hooi, 
voert dit aan het beest en weldra is de zaak in orde'. Men lette verder 
nog op de dialektische kleur van dit zevental regels en op het kern- 
achtige toponiem (ook als Pikkelse del uitgesproken), dat men niet 
Zandvoortser wensen kan, berustend als het is op een nu vergeten 
Zandvoortse bijnaam. 

Met Suntereklaes was het smakke geblazen, d.w.z. dobbelen of loten 
om bakkerij-artikelen. 'As je dan 'n krentemik voor vaif cente won, 
dan was je raik!' Ouwe Bet ziet 't nog voor d'r ogen gebeuren: 'Jaep 
Sok (bijnaam) op de toanbank en dan maer schreeuwe van: 

'Wie hait d'r nommer vaif? 

Nou, die hait Sundereklaes z'n waif!' 

In 1633 kreeg het voormalige Gasthuis (zie de bijdrage van R. C. Hek- 
ker in dit boek) een legaat van ƒ 5432,- van Agneta van Ackersloot, 
geestelijke dochter te Haarlem. Hierin de bepaling dat jaarlijks op 17 
januari (haar sterfdag) de verpleegden 'een recreatie van een half co- 
nijn ende een pinte wijn zou gegeven worden'. 

In dit verband past wellicht ook nog de bijzonderheid, dat elke jager 
slechts eenmaal of tweemaal in de week een of twee paar konijnen 
mocht vangen en dan alleen nog maar tussen Sint-Jakob (25 juli, elders 
bekend als dag-van-de-oogst) en Maria Lichtmis (2 februari, een be- 
kende kalenderdag). Op de vijfde februari oftewel Sinte-Agatha - aan 
wie samen met de heilige Adrianus de roomse kerk is gewijd - was er 
vanouds ook iets te doen. In de aanstelling van de duinmaayer Jan 
Corstiaansz. van der Mije als helmplanter (7 december 1787) leest 
men dat hij ook in last heeft eenmaal des Jaars teegen Sint Aaght alle 
de werve en mesthoope op te ruimen, en schoon te maaken. En onder 
vuil hoorde ook, blijkens een stuk van 1798, groom van visch benevens 
hair van geslagte varkens. - De Heilige Agatha - men zie voor haar 
Dr. H. J. Barnhoorn M.S.F, en Joh. G. Crabbendam, Honderdjarig 
bestaan parochie Sint Agatha te Zandvoort (1951) - is een der be- 
roemdste Heiligen der oude Kerk. In Nederland werden er 7, in Bel- 
gië 13 kerken haar toegewijd. In de omgeving van Haarlem zijn er 



122 



3 kerken die Sint-Aagt tot patrones hebben, hetgeen in een nog levend 
volksrijm aldus wordt aangeduid: 

Zandvoort, Lis en Beverwijk 
Vieren Sint-Aagte tegelijk. 

In het Duitse Sauerland is zij, blijkens de talloze balkopschriften der 
vakwerkhuizen, de Heilige die tegen brand beschermt! Zo leest men 
bijvoorbeeld op een gevel aan de Altmarkt te Arnsberg: 'Oh Agatha 
durch Gottes Gnad und Hand hülff und steten Beystand, wend ab 
von diesem Haus und Land alles Unglück Krieg und Brand'. Agatha, 
patrones van de klokkengieters, werd bij brandgevaar aangeroepen, 
omdat zij volgens de legende met haar sluier vuur en vulkanisch ge- 
weld wist te bedwingen. Zij redde aldus de stad Catania bij een uit- 
barsting van de Etna. 

Was men schepen (= wethouder) van pasen tot pasen, de schrijver 
alias boekhouwer of reder nam zijn stuurman aan van pinksteren tot 
pinksteren. Aldus een regeling uit 1793, toen er 14 schuiten in de vaart 
waren. De stuurman van zijn kant zal zijn volk moeten aannemen (en 
wel in eigen persoon) voor een geheel jaar, welke aanneming niet mag 
geschieden vóór Sint-Maarten in november noch na december van 
ieder jaar. - Ook het ieken van manden geschiedde met pinksteren, 
en wel met pinksterdrie. 

Pinksteren was ook op Zandvoort het hoogtij van het jaar. Er was dan 
kermis en een vast onderdeel vormde Gort mit stroop, dè Zandvoortse 
volksdans: 

Gort mit stroop, 

Is dat gien lekker ete? 

Gort mit stroop, 

Is dat gien lekker doop? 

Denk je dat ik sikker ben? 

Sikker ben ik niet. 

Voor mekaar en door mekaar. . . 

Er werd ons van deze dans een enigszins verwarde beschrijving gege- 
ven. Daarom verwijzen wij liever naar een verwante versie uit de 
Zaanstreek, te vinden in Nederlandse Volksdansen door Anna Sanson- 
Catz en A. de Koe (als nr. 1 ook in Henk van der Wateren Ken uw 
sport, Volksdansen, 1959). Het staat nu ook, heel leuk, op een plaatje 
met Nederlandse volksdansen, uitgebracht door muziekhandel Roos, 
Stationsweg, Hilversum. 

Leeft Gort-mit-stroop nog ietwat voort als het tweede herkennings- 
thema van de oud-Zandvoortse dansgroep, helemaal teloorgegaan lijkt 
de herinnering aan het pinksterlijk schuttersfeest te Zandvoort. In zijn 



123 



Haarlemmer Duinzang uit 1728 weet G. Tijsens er nog heel wat van 
te vertellen, 't Lugtig Zédorp alias 't Need'rig santvoort, aan den 
ruimen waterkant gaat zich alsdan vermaken in een welaangenaame 
duinherberg, een pendant van de eveneens met een schone gravure be- 
deelde Potje sherberg. 

Maar Paters Herberg schynt my naar zig toe te trekken, 
Om daar een weinig rust te vinden, en de borst 
Te laven met een dronk, eer my de schorre dorst 
In 't droog en zandig duin komt onverwagt bespringen. 
My dunkt ik hoor van ver de frissche landjeugd zingen, 
Die by de uitspanning hier een zoete blijdschap vind, 
Aan deze rustplaats; die het land tot vreugd verbind, 
Door 't stille Landvermaak der heuvelen en dalen. 
Het lust my hier 't vermaak der dorplien op te halen, 
Wanneer de hoge spits een houten Vogel draagt, 
Die om zijn aardigheid en kleur aan 't oog behaagd, 
Maar dien elk tragt met pyl en kogel af te ligten, 
Dan yverd men om, voor zijn nabuur niet te zwigten, 
Maar d' Eerprijs van dit spel te winnen, en vernoegd 
Den naam van Koning, die daar vaak wordt bygevoegd, 
Tot op het volgend Jaar, by 't nedrig kleed, te dragen. 
Hoe woeld en krield het hier; elk wil het uiterst wagen. 
Deez' treft den Vogel, dat zijn kop stuift in de lugt; 
Die maakt hem vleugelloos; terwijl 't verward gerugt 
Van schieten en geschreeuw de onkundigen doet vreezen, 
Niet wetende van ver wat hier te doen mag wezen. 
Totdat men eindelyk den Vogel nederveld, 
En d'Eerprijs in de magt des overwinnaars steld... 

Met ingenomenheid citeert Le Franq van Berkhey in zijn Natuurlijke 
Historie van Holland deze alexandrijnse regelen en hij laat uitkomen, 
dat het gebruik in zijn tijd nog in zwang was. In een zestiende-eeuws 
stuk vond ik nog den Doelen toebehorende de schuttere groot ontrent 
2 hout en geeft jaerlicx te huijr 30 st. En dat is alles wat Zandvoort 
van de oude schutterij nog rest. Het ware te wensen, dat ook dit kleu- 
rig en zo manhaftig volksgebruik te Zandvoort op enigerlei wijze tot 
herleving komt, evenals het boven besproken Sintmaartenfeest. Want 
wat is er schoner dan de spier die zich spant om met de edele kruis- 
boog de houten vogel te bejagen, die daar hoog zich verheft in de tin- 
telende voorjaarslucht? Het is toch wel een mooier volksgebruik dan 
het knikkeren-om-centen door bejaarde mannen, door Sloet in 1857 
vermeld, welk knikkeren-van-volwassenen nu nog voorkomt in 
Schermerhorn (blijkens een recente foto van wijlen de heer S. J. 
Bouma). 



124 



Van de wieg tot het graf 

Hebben wij in het vorig hoofdstuk de feesten van de jaarkring beke- 
ken, thans is het menselijk leven van de wieg tot het graf aan de orde. 
Waar de kindertjes vroeger in Zandvoort vandaan kwamen? Van de 
vuurtoren alias vierboet, waarvan de krabbel door Cl. J. Visscher (on- 
geveer 1650-1712 Amsterdam) de eerste uitgave van ons boek siert 
(Vier baken tot Santvoort). De ouwe Ael vertelt hoe ze als klein meisje 
uren, met haar oor, tegen de toren placht te leunen... om de kleine 
kinderen te horen piepen. Want me Moeder zee altaid: Daer komme 
de klaine kindere oit! Bij de geboorte werd op beschuit met muisjes 
en op krentebrood getrakteerd. 

Trouwen rijmde ook in Zandvoort op kermis-houwen. Het meest 
merkwaardig in deze gewichtige levensfaze lijkt de Koppiesdag, het 
onderonsje der vrouwen tijdens de ondertrouw. Daar kwam, behalve 
de harmonikaspeler, geen man bij te pas. Er werden beddeplanken 
over de stoelen gelegd, de harmonikavirtuoos troonde hoog op een 
stoel bovenop de tafel, en dan maar zingen en pret maken - de wijf- 
jes onder mekander. 'Van trouwe esproke: we hadde gien ontvangdag, 
maer 'n koppiesdag. Dat was allieneg voor de waive, daer moste de 
manne boiten blaive'. 

Een merkwaardig parallel van dit vrouwenfeest — een afscheidsrite — 
vond men destijds te Hillegom. In zijn Batavia Illustrata verhaalt 
Hadrianus Junius, dat de Weligenberg ten noorden van dit dorp in 
zijn tijd (zestiende eeuw) nog vermaard was door een gewoonte die 
uit de nacht der tijden dagtekent. Hij vertelt, dat de pas-getrouwde 
vrouwen uit de omtrek daags na haar trouwdag op wagens daarheen 
reden met hun vriendinnen en vroegere speelgenoten om hen te dan- 
ken voor de ondervonden vriendschap en om afscheid te nemen van de 
jeugd. Aldus leest men in J. B. van Loenen, Beschrijving en kleine kro- 
niek van de gemeente Hillegom (19 16). 

Ter gelegenheid van de bruiloft werden en worden zakjes met bruid- 
suikers rondgebracht. Jan Snijer, in zijn levensverhaal, heeft het daar 
ook over: 'Wij gingen na de stad om zakjes met zuiker te kopen; en 
rondbrengen, eerst na den Burgemeester...' Ook op de zwierige stoep 
van het fraaie oud-Hollandse raadhuis (191 1) wordt ijverig gestrooid 
door bruid en bruidegom. 'Ze gooien bekant de ramen van het nabij- 
gelegen postkantoor stuk, als ze de kans krijgen'. 
'Hij leefde, nam een vrouw en stierf'. Aldus zou het grafschrift kun- 
nen luiden, dat miljoenen medemensen typeert. En dan valt volle na- 
druk op het laatste, het sterven. Op Zandvoortse begrafenissen in de 
oude stijl wordt de baar van volwassen doden op de schouders, die 
van jonge mensen onder de armen gedragen. En in 1859 weet Sloet nog 
te melden: 

Bij eene begrafenis bespeurt men nog niet gaarne een oneven getal 
vrouwen, omdat men hieruit spoedig een nieuwen doode te gemoet ziet. 



125 



Ziehier dan enkele grepen uit 's mensen levensloop in het oude Zand- 
voort, waarbij alleen het min-of-meer bijzondere enige aandacht heeft 
gekregen. Om nu het meest eigenaardige nog wat beter te laten uit- 
komen, mag ingelast worden het tafereel Koppiesdag, een van de 
vaardigste pennevruchten van de aktieve mejuffrouw E. Bakels. Me- 
juffrouw Bakels, van de fotozaak in de Kerkstraat, werd nu 82 jaar 
geleden op Zandvoort geboren. Haar vader, Anthonie Bakels, kwam 
van Amsterdam; haar moeder van Purmerend. Maar er is geen oud- 
Zandvoorter die haar overtreft in welbewuste kennis van het oud- 
Zandvoorter volksleven en zo is zij op deze merkwaardige domeinen 
voor ons een veilige en betrouwbare gids. Het hier gegeven stuk doet 
denken aan zo menig oud-Hollands tafereel in de bloemlezing Het 
Nederlandsche kluchtspel van Dr. J. van Vloten, die drie kostelijke 
delen. Terwille van de leesbaarheid lieten wij de taal van mejuffrouw 
Bakels zoals wij die aantreffen: algemeen-Nederlands, waar het Zand- 
voortse taaieigen op een charmante wijze telkens doorheen schemert. 

KOPPIESDAG 

Toneel visserswoning. Op tafel vaas met papieren bloemen, blad met 

koffie, servies, koektrommel. - 

Bet loopt bedrijvig rond, stoft de kopjes af. Marijtje, de Bruid, roept 

uit het achterhuis. 

Marijtje: Moeder, wil je mijn kap opzetten? 

Bet: Kan je dat nou nog niet zelf. Als je volgende week ge- 

trouwd bent, moet je het ook zelf doen. 

Marijtje: Nou, dat zal ik nog wel zien. Ik kom niet ver van je af te 
wonen, dan kom ik wel in mijn ondermuts. 

Bet: Ja, ik begrijp wel dat je hem liever af zou zetten en een 

hoed met blommen op je kop. Toen je van de zomer in het 
badhuis diende, hebben die meiden uit de stad je zeker zo 
mal gemaakt; maar zolang ik leef, blijf je de kap ophou- 
den. 

Marijtje: Ja hoor, wees maar niet bang; Wullem zou mij ook niet 
anders willen zien. 
Bet zet de kap op. 

Marijtje: Als je m'n haar maar niet zo strak trekt, dat vindt Wul- 
lem ook niet mooi. 

Bet: Wullem kan me nog meer vertellen. Kind, waarom ik er zo 

op gesteld ben dat je de kap blijft dragen? Toen je ge- 
boren werd was je vader op zee. Toen hij thuis kwam was 
hij zo blij, dat hij een dochtertje gekregen had. Hij stond 
voor je wieg en zei: Vader legt iedere week twee stuivers 
weg; als je dan aangenomen wordt krijg je van mij een 
schoermantel, een kap en een ijzer en een mooie zwarte 
jurk. Dat heeft helaas niet zo mogen wezen. Toen je twaalf 

126 



jaar was, is je vader niet meer van zee teruggekomen. Het 
had die nacht heel erg gestormd en tante Maartje en ik 
waren al een paar maal naar de Worf geweest om te kijken 
of de schuiten al in zicht waren, maar er was niets te zien. 
De zee stond hol. Toen wij 's middags weer gingen, ja, in 
de verte was er iets te zien. En toen zij dichterbij kwamen 
zag ik dat het onze schuiten waren. Ik zei: dat lijkt Aries 
boot, maar die is halfstok, dat raakt vast mij. Toen hebben 
zij mij naar huis gebracht en 's middags kwam de Reder 
zeggen dat je vader over boord geslagen was. Dat, kind, 
was een zware slag. Ik heb door hard werken 's zomers in 
het Badhuis, 's winters met vis, je vaders wens nog kunnen 
vervullen. Alles wat hij je toegedacht heeft is er gekomen. 
Kijk, deze tabaksdoos is van je vader en die krijgt Wullem. 
Ik heb er zelfs nog iets in over kunnen sparen; dat is als 
Wullem niet op tijd binnenloopt, want, kind, denk er om: 
het leven van een vissersvrouw is dikwijls heel moeilijk! 
Maar ontvang daarom je man altijd met een vriendelijk 
gezicht. Zo kind, nu kop hoog. Vandaag is het feest, het 
is koppiesdag. 
Willem komt binnen. 

Marijtje: Ha, daar is Wullem nog vóór de wijven komen. 

Bet: Als je maar weet dat hij er aas uit mot. 

Willem: Kan ik er niet bij blijven? 

Bet: Nee, om de donder niet, daar horen geen venters bij. En 

daarbij, ze zouden je naakt uitkleden. 

Willem: Nou dan ben ik al weg, ik voel mij bij al die wijven toch 
niet op mijn gemak. 

Maartje: komt op, ziet Willem staan: 

Zo, ben ik de eerste? Zo. Wullem, ben jij er nog? Pas op 
jongen, als Aaltje tegen je lijf loopt, gaat je hemdje uit. 

Willem: Mij niet gezien. 

Maartje: Nou Marijtje, wel gefeliciteerd. Hier is een cadeautje, je 
mag het ook verruilen. Ik heb het bij Kees de Laars ge- 
kocht. 

Marijtje: Nou moeder, kijk er is: twee hondjes, een reu en een teef. 
Als ik 2$ jaar getrouwd ben, heb ik een kast voor hondjes. 

Bet: Even goed had je nog niets op je kastje. Welbedankt hoor. 

Maartje: De harmonikaspeler komt toch zeker ook? 

Bet: Natuurlijk, maar hij moest eerst garnaal kruien. 

Maartje: Jee Marijtje, wat zeg je weinig, dat ben ik van jou niet ge- 
wend. Je ziet toch niet tegen het trouwen op? 

Marijtje: Hierzo, nee hoor, ik krijg een echte jongen. Jammer dat hij 
zo gauw naar zee moet. 

Bet: Ja meid, dat heb je als je een visserman trouwt. Het is 

lachen en huilen. Aal komt binnen. 



127 



Aal: Zo welgefeliciteerd, hier heb je een cadeau. En ik hoop 

dat je het veel nodig zal hebben, anders deugt er wat niet. 

Marijtje: Is ie fijn, het is toch zeker een tweepersoons? 

Aal: Je kan hem als het mot voor je hele familie gebruiken. Ik 

ben effen naar de Worf geweest. Zij gingen steken (boot 
in zee brengen.) Maar het duurde zo lang, de Steek was 
veel te laat met zijn paarden. 

Bet: Nou, daar hebben wij Jans ook. 

Jans: Wel, geluk gewenst, Marijtje! En jij ook, Bet! Hierzo, 

meid, het is maar een kleinigheid, het is niet veel, maar het 
zat er niet aan. Arie had een slechte reis. 

Maartje: Wat zeg je, had Arie geen goeie reis? 

Jans: Nee, ze hebben zatter netten verspeuld, het was ook bar 

weer. 
Engeltje komt binnen. 

Engeltje: Zo, buurtjes, ik zie ik ben nog niet de laatste. Nou Marijtje, 
kind, je weet wat ik zeggen wil. Ik hoop dat je erg geluk- 
kig zal worden, en dat er een kwak kinderen magge 
komen. 

Marijtje: Ja zeker net zo veul als bij jou, effe wachten. 
Heintje, de redersvrouw, komt binnen. 

Heintje: Nou kind, mijn gelukwens. Hier heb je iets waar je zelf 
maar iets van moet kopen. En voor je moeder een pot 
boerenjongens, die zeker vandaag te pas komt. 

Bet: Wel bedankt, juffrouw. En Marijtje komt u deze zomer 

weer helpen. 
Stijn komt op. 

Bet: Wat ben je laat, Stijn ! 

Stijn: Bet, hou op, ik heb mij zo druk gemaakt. Japie was van- 

middag naar de Worf gegaan om te speulen. Laat-ie nou 
zijn holleblok stikkend esloegen hebben en er een boot van 
gemaakt hebben. Toen heb-ie van Kees de Bode teer ge- 
kregen, en nou zit zijn nieuwe boezeetje vol. Die kerels 
hebben er natuurlijk schik in. 

Bet: Ja, Stijn, daar zit de visserman al in. Dat sla je er niet uit, 

want dat is er in geteeld. 

Stijn: Je hebt goed praten, maar alles is even duur. En m'n man 

heeft dit jaar veel averij gehad. 

Bet: Nou meid, gauw een koppie en dan is alles weer voor 

mekaar. 

Stijn: Och Marijtje, nou zou ik je haast vergeten te feliciteren. 

Kind, hier heb je dan nog wat uit je familie, het was van 
je grootje. Lees hier dikwijls es in als je man op zee is. 
Dan wordt in de grootste tegenspoed alles dragelijk. Zie 
je wel, dat ik de leste niet ben? Daar komt tante Guurt ook. 

Guurt: Wat docht je, daar zal ik niet bij wezen? En in de buurt 



128 



staan der nog een paar te klessen, die komen ook. En, 
bruid, kijk er is wat ik meegebracht heb! Dat is iets wat 
zeker bij ons Zandvoorters hoort. Een lekker duinaard- 
appeltje! Ik heb nog een half mudje voor je staan, dat laat 
ik de jongens wel brengen. 

De deur van het achterhuis gaat open en dan komen Pietje, 
Leen en Kee binen. 

Pietje: Hier, Marijtje, is iets waar je zeker je kerel mee uit de 
herreberg kan houden. Zorg altijd dat je koffieketel op je 
liggie staat. 
Marijtje laat deze Bet zien. 

Marijtje: Kijk er ris, moeder, daar kan een hele ketel in. 

Bet : Als er geen blommen op stonden en er geen schutteltje on- 

der zat, zou ik zeggen: het is al een potje voor men klein- 
kind! 

Leen: Nou, ik had gedacht je dit blompotje te geven, dat zal 

wel aardig voor je venster staan. 

Kee: En ik zou zo zeggen: an de bruidegom mot je ook denken. 

Hier is voor hem een tabakspot, die is nog uit de Franse 
tijd. 

Leen: Zeker van een gestrand schip, dat zal beter uitkomen. 

Kee: Jij durft veel te zeggen, ik zou jouw spin (= spijskast) wel 

er is na willen kijken. 

Bet : Zo, alles voltallig. Nou gauw een bakkie en niet bekvech- 

ten. En, Arie, jij een moppie speulen. De kou zal er nou 
wel bij je uit zijn. 
Ze drinken allen koffie en kunnen vrij spreken. 

Maartje: Hebben jullie gehoord, dat er een zangvereniging opge- 
richt wordt door meester Tates? 

Engeltje: Daar motten wij allemaal heen. Want zingen kan een 
Zandvoorter niet van buiten. Want als wij op een feest het 
volkslied niet gezongen hebben, was het niet goed. 

Bet: Marijtje, haal de kelkies, want koffie krijgen ze elke dag 

en een slokkie mot er bij. Laten wij in die tijd het volks- 
lied zingen. Nou, zet in. 
Jaan staat aan de deur en luistert. 

Jaan: Nou ik heb effe geluisterd, dat gong goed. Mens, wat heb 

ik hard gelopen. Gelukkig dat ik los was, want met een 
volle ben had ik het niet gehaald. Ik kon niet eens een 
ander jak aantrekken. Ik most vanochtend wel naar de 
stad, want hier kan ik de vis niet kwijt. Maar in de stad 
is het ook niks, als-maar afdingen. Maar daar had ik wel 
op gerekend, geloof dat maar. Maar, Marijtje kind, laat 
ik je eerst even feliciteren; ik heb een mooi cadeau voor je. 
Dat is je overgrootvader. 

Allemaal: Marijtje, laat ons ook eens zien. 



129 




'Het ghaet al na 't Sandtvoordt.' Anoniem goudeneeuws schilderij, in 
Oostfries bezit. (Ostfriesiscbe Landschaft, Aurich) 



Jans: 
Bet: 



Engeltje: 



Jaan: 



Bet: 

M aart je: 
Bet: 

Jaan: 

Jans: 

Jaan: 
Jans: 



Nou, maar die heb ik niet gekend. 

Neen, maar de ouwere wel. Hij liep altijd met de klink. Ik 
hoor hem nog roepen: Alle jee, die schol en scharren willen 
kopen, komen aan zee! 

Nou doet zijn zoon het. Je weet wel: de Bokkum. De vis is 
anders duur. Bakschol per stuk 80 cent en f 6,00 voor een 
mand. 

Wat ik nou in de stad gehoord heb, motten jullie goed 
luisteren. Er wordt een station voor de spoor die komt ge- 
bouwd. Een pesasie, weet ik veel hoe dat heet, met wel 2 5 
winkels. Dan nog een Kurhaus. Wat dat is weet ik niet 
hoor. En ze zeggen dat er nog veul meer komt. 
Jonge, jonge, wat zal dat worden. Als onze visserij maar 
niet naar de bliksem gaat. 

Ben je mal Bet. Nou, dan ga je ook maar kamers verhuren. 
Ja zeker, de badgasten in de bedstee en ik met het varken 
in het schuurtje. 

Buurtjes, laten we nou nog er is zingen, want ik moet niet 
te laat naar huis. 

Je man is geeneens binnen, die vaart toch bij Siem Paap op 
de Man Cornelis. Nou, die zal dit jaar 2200 gulden be- 
schouwen. 

Hoe weet jij dat? Nou, dat heb je zeker bij Pietje de Bode 
gehoord. 
Zo, dat heb je lekker mis, daar klessen ze niet. 



130 



Jaan: Als jij er komt zeker wel, je weet alles van de hele buurt. 

Als je daar de kans toe zag, zou je mijn jongens derlui 
hempie ook nog oplichten om te kijken of ze wel schoon 
waren. 

Jans: Zo, maar mijne kan je bekijken. 

Jaan: Laat ik je geen opflikker verkopen, want dan kom je er 

niet zo goed af. 

Bet : Lei he, afgelopen, in de schuur heb ik twee stikkende holle- 

blokken staan. Die krijgen jullie mee, dan kan je het mor- 
gen bij de pomp op het plein uitvechten. Maar in mijn huis 
geen brissie. 

Engeltje: Nou buurtjes, het is mooi geweest. Nog effen een schossie 
en dan komen we met de bruiloft berom. 

Dansen, harmonikaspeler speelt een polka. 

Klederdrachten 

De taferelen van mejuffrouw Bakels ontleenden hun kracht aan de 
kruidige taal èn aan de fraaie vertoningen waartoe zij onder haar con- 
sciëntieuze inspiratie aanleiding gaven. Het belangrijkste van deze 
liefdevol verzorgde vertoningen was de oud-Zandvoortse kleder- 
dracht, die door dergelijke manifestaties bewaard blijft voor een me- 
lancholische mottendood. Ja, men is er zelfs niet alleen op uit om te 
bewaren — men zorgt tevens, als dat nodig is, voor vernieuwing en 
aanvulling op een merendeels gelukkige wijze. Er zijn nu in De Wurf 
(antieker zou zijn De Worf) zo'n twintigtal mensen met traditionele 
kleding. Buiten de vertoningen om is de klederdracht in levend ge- 
bruik nagenoeg verdwenen: een onlangs gestorven vrouw droeg nog een 
korte kap, één zelfs nog iedere zondag in de kerk een lange kap (die 
reeds bij aanschaffing zo'n ƒ 90,- heeft gekost). 

De Zandvoortse vrouwendracht wordt op Zandvoort zelf al even- 
tjes anders getaxeerd dan die van het ook op dialektgebied zo nauw- 
verwante Katwijk-aan-Zee. De wieken op Katwijk (de terzijde van 
het oor opgespelde uiteinden van de muts) zijn slechts een weinig 
groter dan de Zandvoortse wieken, terwijl de te Katwijk gebezigde 
kant over het algemeen breder zal zijn genomen. Een ander verschil 
in mutsedracht is nog, dat op Zandvoort de te grote ruimte van de 
mutsebol vertikaal wordt weggevouwen, terwijl dit te Katwijk hori- 
zontaal geschiedt. Hierdoor verkrijgt de Zandvoortse muts van ach- 
teren een vouw. Behalve dat het Katwijkse oorijzer grotere token of- 
tewel boeken vertoont - met steeds réchte zijkanten, terwijl die te 
Zandvoort ook gekarteld kunnen zijn - is het totale oorijzer te Zand- 
voort bovendien enigszins korter van model. Heel veel Zandvoortse 
oorijzers zijn er van zilver — slechts de rijken bezaten er gouden oor- 
ijzers. De token evenwel, eventueel nog met fraaie hangers voorzien, 
waren steevast uit louter goud vervaardigd. En bij de burgerdracht, 



131 



d.w.z. die met de lange kap, behoorden behalve de parelspelden ook 
nog zijnaalden tot de gedragen sieraden. Een halsketting van bloed- 
koraal met een gouden slot voltooide het merkwaardige geheel, waar- 
voor heel wat vaardigheid nodig was wilde men alles naar den eis 
om- en aandoen. 

Het vrouwenondergoed op Zandvoort bestond uit twee of drie baaien 
rokken en een broek met bandjes. De onderrokken waren soms van 
gestreepte baai. Hierbij voegen zich dan zwarte kousen en zwarte 
pantoffelschoenen. De zondagse bovenkleding vertoonde een zwarte 
of gekleurde japon en een zwart zijden schort alias boezel. Bij het 
oudere, geheel gekleurde kostuum kan, evenals in Noordwijk en Sche- 
veningen, ook een gekleurd schort van weerschijn-zijden stof zijn ge- 
dragen, een mode van omstreeks 1850. 

De alledaagse vrouwendracht bestond uit een gekleurd jak en een 
zwarte rok die vroeger bijvoorbeeld ook rood en lila en donkerblauw 
kon zijn. De onderrok was hetzij gestreept hetzij effen-met-een-rand. 
Over de rok kwam dan weer een zwartbaaien boezel met een bont 
bovenstuk. De vislopers droegen iets dergelijks — deze harde en toch zo 
levenslustige zwoegsters die door middel van een lange rugmand alias 
^ot-met-draagriemen (waarop zich weer de platte zijger bevond) en 
met nog een kengselmandje aan de arm langs het mulle Vis(sers)pad 
hun zilverig zeebanket naar het kiese Haarlem moesten zeulen. Ge- 
beurde de tocht door het moeilijke duinlandschap barrevoets, even 
voor het deftige Overveen werden de zwarte kousen en de zwarte 
schoenen weer aangetrokken. Deze plechtigheid had plaats bij de zo- 
genaamde kousenpaal, waaraan de visloper zich vasthield om weer op 
haar benen te komen. Aldus vertelde, kort voor haar overlijden, de 
89-jarige Maartje van der Veld-Schuiten, zelf een oud-visloper, aan 
de gemeente-ambtenaar De Heer die doende was met de samenstel- 
ling van een gemeentelijk fotoarchief. Het komt ons voor dat de 
meeste vislopers in Zandvoort op blote voeten zijn begonnen - al is 
er ook daar een kousenpaal geweest, volgens sommigen. 
Maartje beschrijft ons ook nog haarfijn allerlei details van de kleding 
der vislopers. Op een kapje zonder ijzer troonde de visloper shoed, een 
hoedje van stro en met katoen gevoerd, aflopend in de nek en aan de 
voorkant met een opgeslagen rand. Zwarte banden liepen gekruist 
over de hoed en werden onder de kin vastgemaakt. Over de baaien 
onderrok werd in haar tijd een zwarte rok gedragen en daar weer over 
een zwartbaaien boezel met een bont bovenstuk. Over deze boezel 
kwam dan weer een lang bont jak, waarover een wollen doek. Daar- 
over plooide men dan een zijden dasje. Over de schouders werd een 
schap van leder gedragen, ter bescherming tegen het water dat van de 
vis droop. Op zeventiende- en achttiende-eeuwse afbeeldingen dragen 
de Zandvoortse vislopers ook wel hun ben op het hoofd. 
Was de laatste faze ook van deze Zandvoortse klederdracht geken- 
merkt door de gebruikelijke verdonkering, vroeger overheerste - wan- 

132 




Visloper. Eind-achttiende-eeuwse tekening. (Gemeentearchief 
Haarlem) 



neer men tenminste niet in de rouw was — een prettige verscheiden- 
heid van aansprekende kleuren. Bij tante Jans de Kraai en mejuffrouw 
E. Bakels bevinden zich nog achttiende-eeuwse schootjakken, licht- 
gebloemd. Het Zandvoortse vrouwenkostuum, aanwezig op het Open- 
luchtmuseum te Arnhem, fuift ons al evenzeer op een blijer kleuren- 
gamma, al is het gelukkig niet zo bont als de niet geheel betrouwbare 
kostuumweergave op de klederdrachtenplaat van Dr. H. Blink, Ons 
heerlijk vaderland, het hart van Nederland, die op gebrekkige wijze 
gevolgd werd naar de verloren gegane verzameling van H.M. Konin- 



133 



gin Wilhelmina (1898). Het kostuum in Arnhem bestaat uit een geel 
gebloemd jak met een zwarte rok, een boezel met een bont boven- 
stukje, een grauwige omslagdoek met franje, een vislopershoed en een 
zwarte scboermantel (de schoudermantels waren vroeger ook ge- 
bloemd). 

Het oud-Zandvoortse mannenkostuum — dat in zijn daagse vorm 
draagbaar lijkt ook in een tijd van spijkerbroeken - verdient al even- 
zeer een bespreking als het fraaie en in veel opzichten verfijnde vrou- 
wenkostuum. Als vlot en praktisch werkpak is de Zandvoortse boezee 
ook in verwante Noordzeedorpen als Katwijk aan te treffen (dan on- 
der de uit kazak verbasterde benaming keesjak) en hij reikt stellig nog 
verder terug dan de zeventiende eeuw - aldus een Skandinavische on- 
derzoeker die ons Openluchtmuseum met een bezoek heeft vereerd. 
Het mannenkostuum bestaat - behalve uit een broek die vroeger on- 
getwijfeld van het Marker model is geweest en ver boven de klompen 
ophield - uit een roodbaaien hemd, waaroverheen de (bruin)zwarte 
boezee komt met zijn iets meer dan halve mouwen, zijn open hals en 
zijn van achteren even opstaande kraag. Alleen bij de hals en bij de 
onderarmen vertoont zich bij wijze van geestdriftig kontrasteffekt het 
felrode baai — niet, wat nog pikanter lijkt, rondom het middel (zoals 
op Marken). Dit laatste dient uitdrukkelijk vermeld te worden, aan- 
gezien het Openluchtmuseum te Arnhem jammergenoeg een veel te 
kort exemplaar heeft verworven, dat aanleiding tot misverstand zou 
kunnen worden. Het feestelijke woord boezee is ontegenzeggelijk een 
ferme en lekkere achterneef van het meer bekende boezeroen, hoezeer 
deze woorden ook een uiteenlopende betekenis hebben. Het hangt 
samen met het Waalse bourge = grove linnen of wollen stof, waarvan 
men onder meer bourgeron = arbeidersbuis en ons boezee heeft afge- 
leid. Engel Paap, de welgezinde harmonikaspeler, draagt dit vrolijk 
zwartrood bij zijn harmonikaspelen 's zomers langs de Boulevard, en 
ook de mannelijke leden van de nieuw-oude dansgroep zijn erin uitge- 
dost. Men zie nog de gezellige en welbekende prentbriefkaart van de 
waker Molenaar anders gezeid de Puur, vader van de Bokkum, de la- 
tere omroeper. (September 1955 is, bij het met congé gaan van Klaas 
Zwemmer - die de funktie dertig jaar had uitgeoefend — het omroeper- 
schap officieel afgeschaft op Zandvoort.) Op het gemeente-archief te 
Haarlem ziet men twee klederdrachtentekeningetjes uit het einde van 
de achttiende eeuw: een vrouw en een mannelijke visloper (rode uit- 
hollende overbroek tot de knie). 

Is de visser (van maandag tot vrijdag) ter zee, dan draagt hij een leren 
broek (hozen) en leren mouwen en een leren hoed (zuidwester). En de 
ton (broodstolp) die hij met zich voert, bevat zijn viktaelie bij de vis- 
vangst. Aldus leest men in Nederlandsche kleederdragten, naar de na- 
tuur getekend door Valentijn Bing en Braet von Ueberfeldt (Amster- 
dam, 1857), dat prachtige afbeeldingen bevat. Een ander hoofddeksel 
is de krol, wollen muts met bontrand. 



134 



De zondagsdracht der mannen is niet zo aantrekkelijk: een zwart- 
lakens pak met visser shoed. Deze vissershoed leek op de zeeuwse hoed, 
maar was minder langwerpig - hij had meer van de engelse bolhoed 
of/en de romeinse hoed van zekere roomse geestelijken. Verder waren 
er oorringen, singenetten aan de horlogeketting en zo-nu-en-dan ook 
wel zilveren keelknopen. 

Aldus, in het kort, een beschrijving van de oud-Zandvoortse kleder- 
dracht. Een schamele beschrijving waarin het merg en de pit ten dele 
afkomstig zijn van de heer Duyvetter, de klederdrachtenexpert van 
het Openluchtmuseum te Arnhem. Op één trouwe kappendraagster 
na - boven de tachtig jaar oud! - was in 1960 de klederdrachten- 
glorie lang-en-breed voorbij. Wat een verschil met het jaar 1908, toen 
Dr. Blink in zijn bovenvermeld werk konstateerde: 'De bevolking 
heeft haar nationale visscherskleeding nog trouw bewaard' (blz. 246). 
En gelukkig is ook voorbij de in Zandvoort gesignaleerde modegril 
waarvan Th. Molkenboer in zijn De Nederlandscbe nationale kleder- 
drachten, Amsterdam 1917, blz. 115, vertelt: kokette badgasten die 
een soort gemoderniseerde Hollandse hul gaan dragen, nu ze door de 
eigenlijke visschersbevolking afgeschaft schijnt. (Volgens een lan- 
taarnplaatje in het archief van de familie Bakels kostte zo'n Zand- 
voortse muts even vóór 1914:/ 125 ,-) Wij willen hopen, dat De Wurf 
tot in lengte-van-dagen de traditionele kleding zal behoeden. Wie 
weet, of zij - enigszins aangepast en vereenvoudigd - in tijden van 
groeiende welvaart en onontbeerlijke vrijetijdsgenoegens nieuwe kan- 
sen krijgt als echt-Zandvoortse gelegenheidsdracht! Maar dan dient 
men te zorgen voor degelijke stoffen en stijlvolle versieringen, en dan 
moet men niet bij-hoog-en-bij-laag vast willen houden aan een zwierig 
figarokapsel, te enen male indruisend tegen de muts-en-ijzerdracht 
met zijn gladde als gebeeldhouwde haarrollen en -kuiven of zijn als 
geschilderde, met alle mogelijke hulpmiddelen platgelegde haargor- 
dijntjes. 

DR. TJ. W. R. DE HAAN 



1 Prof. Dr. B. van den Berg: 'dü blenk', de blinkerd, naam voor onbegroeide 
duintoppen, die vroeger als bakens dienden voor de thuisvarende vissers, toen er 
nog geen vuurtorens waren; ze droegen verschillende namen, als de Egmonder 
blenk, Wijker blenk, Tonnüblenk (Het dialect van Zandvoort, blz. j). 

2 Van deze walvis, gevonden op 4 januari 1629, bleef een afbeelding (met versje) 
door P. de Molijn bewaard. Men zie nog de Atlas van Stolk (Rotterdam), nr. 900, 
1673, 4104 t.e.m. 4108, nr. 5061, de verzameling Bodel-Nijenhuis (U.B. Leiden), 
nrs. 336/104 en 336/105. Verder: H. Soeteboom, Oud-heden van Zaenland, Amster- 
dam 1702, blz. 122, F. Allan, Bad Zandvoort, Haarlem, blz. 29 en 38 en Dr. E. 
Laurillard, Op uw' stoel door uw Land, Amsterdam 1891, op Zandvoort. Geen 
wonder dat een barokke prent (zónder walvis!) van het Vuurbaken te Zandvoort 
(C. Decker - ± 1650-1685 - fecit) tot onderschrift heeft: 'Looft den Heere, van 
der Aerde; gij walvisschen ende alle afgronden (Psalm 148) 1 . Ook op het Haar- 
lemse gemeentearchief bevindt zich een groot aantal afbeeldingen van walvissen en 
soortgelijke zeedieren, bij Zandvoort aangespoeld. 



r 35 



Van Jozef Israëls en andere schilders 



De romantiek, in de tweede helft van de achttiende eeuw, ervoer tot 
in het diepst van haar gevoelige ziel de eeuwigheid suggererende 
grootsheid van zee, heide, woud en hooggebergte. Voordien zag men 
wel de zee als de waardige draagster van handelsschepen en oorlogs- 
vloten; nu echter krijgt zij, ten hoogste van een nietig visserspinkje 
voorzien, een het gemoed ontroerende symboolwaarde, wordt zij une 
paysage d'dme. Het is een dichter uit Zwolle, Rhijnvis Feith, die het 
eerst en het teerst bij ons een uitingsvorm vindt voor dit moderne na- 
tuurgevoel. En wat de artistieke elite voordoet, wordt na verloop van 
tijd door duizenden gretig gevolgd — tot in aan de lopende band ver- 
vaardigde dressoirstukken toe ('De grote stille heide'). Symptomatisch 
ook is het verlaten der buitenplaatsen aan de Vecht en de Amstel 
(met hun opwekkend watergezicht zo geliefd in de gouden en de ver- 
gulde eeuw), en de opkomst van nieuwe villadorpen in het Gooi en 
de Stichtse Lustwarande tussen De Bilt en Rhenen. 
De romantiek bracht niet alleen de bezielde natuurvisie, ook het een- 
voudige volk - naar men meende nog 'onbedorven' door allerlei civi- 
lisatie - werd in het middelpunt van veler aandacht geplaatst. Mede 
vandaar de volkskunde, die uit een romantisch heimwee naar het na- 
tuurlijke en rustig-traditionele leven van boeren en vissers is ontstaan. 
Ook een vissersdorp als Zandvoort gaat men in de loop der negen- 
tiende eeuw bekijken met andere ogen, met een ander hart. Een van 
de vroegsten hiermee is de Haarlemmer Jan van Walré met zijn Zand- 
voorter Visscberslied uit 1826. Ongeveer gelijktijdig maakte W. Hen- 
driks zijn gewassen tekening van Malle Kee, Zandvoortsche visch- 
vrouw (gemeentearchief te Haarlem). En nog even eerder is er het 
Zandvoortse huisje met erf, geaquarelleerd door J. Jelgerhuis, reeds 
in 18 12. Dan komt Nicolaas Beets (18 14-1903), eveneens een geheide 
Haarlemmer, die het als schepper van volksliedjes verre wint van de 
stroef-moeizame en kwazi-zeventiend'-eeuwse Everardus Johannes 
Potgieter. Terecht vindt men nog altijd in veel bloemlezingen zijn 
Roodkapjes Thuiskomst (1839), dat men zonder twijfel te Zandvoort 
situeren mag (Enkhuizer Almanak [tot Nut van 't Algemeen], jrg. 
1841): 

1 

Vissers Jaap rustte op de kruin 

Van een duin, 

136 



Op zijn ellebogen, 

En hij sloeg zijn ogen op 

Naar het sop, 

Grote, vrolijke ogen. 

Helder zag hij 't zonlicht blinken, 

Helder over zee en zand, 

Helder op twee kleine pinken, 

Die het hielden naar het strand. 



Vissers Jaap dacht blijde: 'Daar 
Keert mijn vaar 
Huiswaarts op Roodkapje, 
't Westenwindje wakkert aan; 
Dat zal gaan, 
Altijd vlak voor 't lapje! 
t' Avond zal men afslag houen, 
t' Avond zal er drukte zijn, 
Zal ik vader helpen sjouwen, 
En naar stad bij maneschijn!' 



3 

Moeder Jobje zat in huis 

't Blauwe buis 

Van haar Jaap te lappen; 

Maar haar voet bleef evenwel 

Op de rel 

Van een wiegje trappen. 

Dapper weerden zich de longen, 

Boven moeders deunt jen uit, 

Van haar dikke zesde jongen, 

Van haar tiende huwlijksspruit. 



4 

"k Hoor Roodkapjen is in 't zicht!. . . 

(Stil toch, wicht!)... 

't Heb het al begrepen; 

Dat 's vanavond nog op 't pad, 

Om in stad 

Met de ben te slepen; 

Luid te schreeuwen langs de straten, 

Mooie vis tot lage prijs 

Aan de lui te moeten laten; 

Waarom komt hij niet bijtijds? 



137 



s 

'Morgenochtend niet te kerk, 

Maar aan 't werk 

Op de dag des Heren; 

Hier een knoop af, daar een scheur, 

De elboog deur 

Van je vaders kleren! 

Dan, mooi af van drukte en leven, 

Naar de middagpreek als 't kan. 

Kleine Krelis, wacht reis even, 

Wieg jij ook reis, als een man! 

6 

'Maandag vaart de jongen mee, 

Dat 's er twee 

Op de zoute baren; 

Dat 's weer een gebed te meer 

Tot de Heer, 

Die hen kan bewaren. 

'k Ben mijn Sijmen niet vergeten, 

Hoe zijn lijk op 't barre strand, 

Met de vloed, werd neergesmeten...' 

En een traan beefde op haar hand. 

7 

Nog lag Japik op de kruin 

Van het duin, 

Op zijn ellebogen, 

En nog hield hij de ogen op 

't Ruime sop, 

Grote, vrolijke ogen. 

'Nou, Roodkapje mag wel blij zijn' 

- Dacht hij, - 'en de hele zee! 

Japik zal er maandag bij zijn, 

Japik vaart 'n maandag mee!' 

Ging het dichterwoord ook deze keer vóór (reeds in 1828 riep Van 
Oosterwijk Bruijn naar Zandvoort de schilder die gemak bemint, maar 
ook Natuurtooneelen), de schilderkunst liet zich weldra niet onbe- 
tuigd terzake van de stemmige uitbeelding van zee en vissersleven. 
Wanneer wij in dit verband slechts terloops noemen een enkel werk 
van de Ruysdaels en de (in de meeste gevallen) toch wel Zandvoortse 
vissers jongens en -meisjes van de avant-gardist Frans Hals (men ge- 
niete o.a. zijn Vissersjongen genaamd De Strandloper in het Antwerps 
museum), dan is het te Zandvoort zelf Jozef Israëls (1824-1911) ge- 
weest, die met een nieuw oog heel dit zwoegend vissersgedoe heeft 

138 




Jozef Israëls, door zijn zoon Isaac Israëls, potloodtekening. (Haags 
Gemeentemuseum) 



doorschouwd. Levenslang bewaarde Israëls op zijn atelier een uit 
Zandvoort meegebracht koffiemolentje, waarvan hij placht te zeggen 
dat men het maar behoefde na te schilderen om een mooi en intiem 
schilderij te verkrijgen. Aldus Jan Veth in de prachteditie Jozef Is- 
raëls en zijn kunst, Arnhem en Nijmegen 1904, blz. 12. 
Dr. H. E. van Gelder, in zijn Israëls-biografie, vertelt hoe de te Gro- 
ningen uit Joodse ouders geboren Jozef Israëls langzamerhand afke- 
rig was geworden van de in de romantiek gebruikelijke historie-schil- 



139 



dering. Een dergelijke schildering, dikwijls theatraal, bracht hem in 
de kunst geen stap verder, daar hetgeen men maakte niet naar de na- 
tuur is nagevoeld. Derhalve toog Israëls naar Zandvoort (dat zijn 
Damascus is geworden!) om er zijn eigen mensen te zoeken, om er de 
sobere interieurs en de grauwe grootse zee in zich op te nemen. In een 
brief zegt hij ervan: 'Ik kan misschien een beetje koude hebben gevat 
en daarvoor op raad van mijn ouderen broer die dokter was de zee- 
lucht gezocht hebben; de eigenlijke reden, waarom ik naar Zandvoort 
ging, was de volgende: een mijner vrienden (J. G. Schwartze, 1804— 
1874) had mij herhaaldelijk verteld van den Dusseldorfer schilder 
Richter [bedoeld is de Duitser-Canadees Henry Ritter, 18 16-1853] 
die zoveel mooie dingen in Hollandse dorpen gemaakt had'. Volgens 
Knuttel nu heeft de weg van Ritter - die zijn te Dusseldorp in-de- 
mode geraakte Hollanderei in hoofdzaak aan de geschilderde vissers- 
anekdoten van Rudolf Jordan (18 19-1887) te danken had — ook 
naar Zandvoort geleid en is Jozef Israëls hem naar dit vredig en 
stijlvol dorp gevolgd. Maar ook andere invloeden zullen bewust en 
meer nog onbewust op de meester ingewerkt hebben. Men zie hier- 
voor wat J. Knoef over de 'geniale genreschilder' P. M. Molijn (ge- 
storven in 1849) als mogelijke voorloper mededeelt in zijn Van ro- 
mantiek tot realisme, 's-Gravenhage 1947, blz. 117. 
Israëls had reeds eerder mensen-uit-het-volk voorgesteld (het verloren 
gegane schilderij De kleine visser, 1849; Schuitenlossende schippers, 
een tekening uit 185 1). Maar hij besefte, dat hij tussen die mensen 
moest leven, wilde hij hen naar de natuur in zijn werk tot leven bren- 
gen. Het zevenweeks verblijf te Zandvoort is dan ook niet als de vol- 
strekte ommekeer aan te merken, het bracht hem slechts - en dat is 
van ongemeen belang geweest! - de levensware motieven die hij 
broodnodig had op grond van zijn reeks vantevoren ingrijpend ge- 
wijzigd kunstinzicht. En wie heeft deze ontdekkers-vreugd rondom 
Zandvoort mooier doen uitkomen dan prof. C. L. Dake in zijn Jozef 
Israëls, Berlin (1910), blz. 21! De kollega-schilder Max Liebermann 
karakteriseerde het werk van Jozef Israëls als 'een kleur geworden 
gedicht; een ongekunsteld volkslied, onschuldig, in bijbelse zin een- 
voudig (einfaltig); alles gevoel, gewaarwording en nog eens gevoel.' 
Israëls trok in, anno 1855, bij de scheepstimmerman Jaep van Duiven- 
boden. Hij schetste naar hartelust en las ondertussen Die Leiden des 
jungen Werthers van Goethe. Later verbleef hij nog bij de weduwe 
Zwemmer, in haar mooie witte boerderij. 

En zozeer sprak de trouwhartige sfeer hem aan, dat zijn schetsboek 
(destijds bij Jan Veth en diens dochter, thans in bruikleen in het Rijks- 
prentenkabinet) een overvloedig inspiratiemateriaal ging bevatten. 
Tal van motieven staan erin, die nog in later jaren - ook als hij in 
1856 te Katwijk en in 1871 te Scheveningen is gaan werken — tot 
grondslag voor een schilderstuk hebben gediend. Een tweede schets- 
boek bevindt zich in het Gemeentemuseum te Den Haag. Ook op 



140 



1-,.- »\ 






.dr j' St ' «* ' 4 <** . -„ . 

T ■■ '» **■* ■ .* 



^*-*-* 







'-ïr 






■ % 



'M 



4. ''* 

» i 



~ /*■&-; 



Bladzijde uit het schetsboek van Jozef Israëls (i),; x /o cm), die de 
historizerende heldenpoze van de romantiek met het simpele vissers- 
verhaal kombineert. (Gemeentemuseum, Den Haag). 



Zand voort zelf bleef het werk van Israëls bewaard: zo de portretten 
van moeder Nelletje en haar dochter Jaepie Zwemmer. Men zie hier- 
voor Op de hoogte, jrg. 19 12, blz. 473. 

Wij hebben het schetsboek uit 1855 - het was lange tijd onvindbaar - 
eens een keer in handen gehad. Dit is het boek van Zandvoort, heeft 
J. L, de schilder zelf, erin gezet. Op bladzij 2 staat: Allereerste jaar 
Zandvoort, hetgeen impliceert dat Israëls ook in andere jaren te Zand- 
voort is geweest. En dan zien wij potloodkrabbels van: een groep die 
netten draagt (Joost Atlas bij Nicolaas Beets); een timmerman in zijn 
werkplaats (bijgeschreven: roode verf); een hangklok en een console; 
een rammelaar; een man slapend op de grond met een spade en een 
schut waarover een doek; eenmaal een duinlandschap; een drietal 
karren; een hurkende visser met zuidwester; een vrijer voor een vens- 
ter waar een meisje achter zit (vgl. het schilderij Eerste Liefde); een 
meisje met een muts (boterbloempje staat er bij die muts); een jochie 
dat zijn eerste loopje maakt (schilderij Klein Jantje — vgl. een soort- 
gelijk geval bij Millet); de flappende was ophangen in het duin 
waarbij een moeder-met-kind en paarden. Op een afzonderlijk blaad- 
je: een vrouwtje bij het vuur met een hangklok - dat zich o.a. ook 
tegenover de titel bevindt van P. Heering's Overijsselsche vertellingen, 
Leiden 1886. Het zijn allemaal mensen en dingen des dagelijksen 
levens: doch Zien is een diep geschieden, aldus de uitspraak van Jaco- 
bus van Looy. En het goede zien, dat gebeurt met het hart van een 
Israëls, dat de willige heerseres is geweest over zijn soms wat be- 
perkte tekenvaardigheid. En het is een geluk, dat Israëls ('de kleine 
en wat schriele, altijd weifelende en wonderbare joodse jongeman,' 
volgens Dr. W. J. de Gruyter) zich op den duur niets gelegen liet lig- 
gen aan de raad van zijn leermeester Kruseman. Deze waarschuwde 
hem, met vaderlijk vermaan, toen de begaafde leerling eens een oud 
vrouwtje had geschilderd: 'Men mag geen leelijke menschen schilde- 
ren, dat bederft den smaak!' De kunst moest toen op hoge brozen 
gaan, en niet op doodgewone Hollandse klompen. Wat Israëls deed, 
mag ons nu 'vieux jeu' lijken, in zijn tijd was het niets minder dan een 
revolutie in de schilderswereld. 

Veel van zijn kunst was - bewust of onbewust — een uitdaging van het 
vooruitgangsoptimisme en de burgerlijke zelfvoldaanheid. En het is 
geen wonder, dat Vincent van Gogh voor Israëls een grote bewon- 
dering heeft gehad! ('Hoor eens, de techniek, de kleurmenging, het 
modelé van den visscher van Zandvoort bijvoorbeeld, is in mijn oog 
Delacroix-achtig en superbe,' 1885). 

Ook Dr. Jan Pieter Veth (1 864-1925) in zijn Portretstudies en sil- 
houetten, blz. 117 en 118, heeft schone woorden gewijd aan de toen 
ontwakende liefde voor het expressieve in nederig huisraad, waarmee 
Israëls te onzent een voorganger is geweest. Hij komt ook te spreken 
over het Zandvoortse schetsboek, waaruit hij - evenals Dr. Max Eisler, 
Jozef Israëls, London 1924, blz. 15 - motieven aanhaalt die men pas 



142 




Oude Dagen. In de publikatie 'Oud-Zandvoort' vindt men op pag. 
102 dezelfde Zandvoortse vrouw, maar dan half 'en profil'. 



in andere schetsboeken op het Haagse Gemeentemuseum aantreft: 
vrouw met schoudermantel op een mand zittend die met een knaap 
naast zich in zee staart (Nicolaas Beets: Uitreis); een vrouw met een 
hondekar (schilderij Langs velden en wegen, dat pas 3 5 jaar later ont- 
stond). In het Gedenkboek Keuze-Tentoonstelling van Hollandsche 
Schilderkunst uit de jaren 1860-1892, heeft Jan Veth de gerijpte Is- 
raëls zo uitnemend getypeerd, dat wij ook deze typering graag over- 
nemen: 

Morrelen in een verflaag, tastend naar het levensmysterie, dat uit den 
schijn der dingen spreekt, dat is voor hem schilderen. Hij zal geen 



143 




Langs Moeders graf, volgens de gravure van ]. H. Rennefeld. 



mooi geschilderd brok aanwijzen in eenig werk, — wat raken hem de- 
licatessen van factuur! - maar spreken zal hij van hoe een figuur het 
doet, en van hoe wel een tafereel van uitdrukking begrepen is... 
Met [...] stuntelige middelen niets dan één grooten adem te doen 
voelen, dat is het juist waarvoor Israëls er is. 

Het valt niet mee, tot in details uit te maken welke van Israëls' wer- 
ken hun inspiratie aan Zandvoort danken, mede omdat de meester 
later in verwante zeedorpen is gaan werken. Zo nu en dan echter vindt 
men aanduidingen als: Oude vrouw uit Zandvoort, Anneke van Zand- 
voort (model voor Het breistertje), Zandvoortse visvrouwen op de 
thuisweg, Oude Zandvoortse visser. Een veilige gids lijken de schets- 
boeken die echter niet alles behelzen wat Israëls in Zandvoort ge- 
schetst heeft. Zo bijvoorbeeld niet de olieverfschets uit het Groninger 
Museum voor Stad en Ommelanden (een oud Zandvoorts buurtje). 
Topografische aanwijzing geeft ook De kinderen der zee (1860, 
tweede druk 1872, derde druk 1889, vierde druk 1895, vijfde druk 
1901; als Ons Visschersvolkje in de Dichtwerken), waarin Nicolaas 



144 



Beets een dozijn verzen heeft geleverd - later met twee zulke dicht- 
stukken-naar-Israëls vermeerderd - bij gravuren van J. C. Rennefeld 
(Neuss 1823-Amsterdam 1877) naar schilderijen van Israëls. Hiervoor 
hebben wij al - bij het schetsboek - op de dichterlijke uitwerking door 
Beets gewezen, die de dichter zelf - aldus zijn inleiding in de Dicht- 
werken — lager stelt dan zijn hiervoor geciteerde Visschers Jaap: 'Iets 
anders is het naar de levendigste voorstelling van het leven, iets anders 
naar het leven zelf te werken' (april 1874). Hoe Beets zich toch wel 
alles van Israëls op Zandvoort denkt (ofschoon de prent bij Waar 
blijft hij? Katwijks is), blijkt uit gedicht nummer 2 dat het in de zee- 
reep luierend en op het water uitkijkend kind identificeert met een 
Zandvoorts kind. Dr. Max Eisler, in Elsevier's geïllustreerd maand- 
schrift, jrg. 21 (191 1), juli-december, deel 42, blzz. 266-285, wijdde 
een belangrijk artikel aan Zandvoort i8jj, dat topografisch echter 
weinig te bieden heeft. Hierin bespreekt hij het wereldvermaarde uit 
1856 daterende Langs het kerkhof (Stedelijk Museum te Amsterdam), 
door Beets Langs Moeders graf genoemd, dat na het simpele en ook 
door de jonge Pieneman bewonderde Eerste liefde Israëls' tweede 
schepping is geweest op grond van zijn Zandvoortse pelgrimstocht. In 
tegenstelling tot veel van het latere werk hebben beide stukken ge- 
meen, dat zij atelier-werk en geen plein-air schilderijen zijn: het enige 
Zandvoortse wat eraan is zijn de meegebrachte kostuums en accessoires 
- Amsterdammers van de Rozengracht ca. hebben ervoor geposeerd. 
Niettemin: ieder kent ook in onze tijd het roerende Langs Moeders 
graf oftewel De Zandvoortse Visser: hetzij van het Israëls-monument 
te Groningen (onthuld in 1922, vernield in 1943, hersteld in 1946), 
hetzij van de talrijke afbeeldingen, tot op koektrommels toe. Een 
stoere in-zich-zelf-gekeerde visser, in hoezee en zuidwester en met een 
stuk net bij wijze van romantisch attribuut bij zich, z'n kleine Stijntje 
op de arm en z'n wat oudere Krelis aan de hand. Al gaat het over 
het harde en tobberige vissersleven, met zijn toneelachtig licht-en- 
donker-effekt en zijn klassicistische deklamatietrant heeft het be- 
roemde schilderij nog vrijwel de allure van de Pieneman- en Kruse- 
manschool — het is geen bijna zwijgen in vervagende bruinen-en-grij- 
zen, zoals wij het later van de meester zullen zien. De in krijt gedane 
voorstudie is treffender dan het schoolse en zware schilderij, aldus 
Jan Veth in de prachteditie. Die in ons boek gereproduceerde gravure 
van Rennefeld (ook J. W. Kaiser - 18 13-1900 - maakte een gravure) 
beperkt zich tot de scherpe weergave van de tragische groep en laat de 
effektvolle atmosfeer achterwege. Merkwaardiger nog is een andere 
vernuchtering: op raad van een vriend had Israëls zijn reeds voltooide 
schilderij onderaan-rechts van een grafkruis voorzien, dat ongetwijfeld 
het toch al grote ef fekt op een elementair-gevoelig publiek nog uiter- 
mate heeft versterkt. Rennefeld kan dit kruis weggelaten hebben, om- 
dat hij wist hoe het er indertijd is opgekomen en omdat hij beseft kan 
hebben, dat grafkruisen zich zeker niet pal bij het strand bevinden en 



l 45 



nog meer dat zij in een overwegend Nederlands-Hervormd vissersdorp 
wellicht minder op hun plaats zijn, ondanks een niet-te-verwaarlozen 
minderheid van in de buurt bij de Zandvoortselaan woonachtige 
Rooms-Katholieke Zandvoorters (Van der Aa's woordenboek, in 
185 1, geeft 950 Nederlands-Hervormde en 220 Rooms-Katholieke 
Zandvoorters). 

Het jaar 1858 brengt - behalve Na de storm — De Wieg en Ida, het 
vissersmeisje (waarvoor het ovaal portret van de Zandvoortse Anneke 
een voorstudie is geweest), welk laatste stuk door het gedicht van Ni- 
colaas Beets en door de toonzetting van de Rotterdamse Wouter Hut- 
schenruyter Sr. (1796-1878) vooral bekend is geworden als Het Brei- 
stertje. Het schilderij De Wieg (óók berijmd door Beets) toverde nog 
in later jaren op het gelaat van de meester een glimlach van innige 
voldoening. En van Het Breistertje was hem de hele geschiedenis, het 
model en de ontvangst die het te beurt gevallen is, tot in de kleinste 
bijzonderheden bijgebleven. De tekst van Beets is ditmaal zo geslaagd 
- hij komt nu nog in bloemlezingen voor - dat wij hem hier afdruk- 
ken (de muziek van W. Hutschenruyter is op de Leidse Universiteits- 
bibliotheek). De stijl is volksaardig met zijn staat... en breit en zijn 
leuk chiasme in wezen mag en mag zijn, en er zit ontegenzeggelijk 
gang in het geval. 



1 



Mooi Kniertje staat van dag tot dag 
En breit voor haar deur een kwartiertje: 
'Voor wie dat paar kousen wel wezen mag, 
'Mijn allerliefste Kniertje? 

2 

'Voor wie dat paar kousen wel mag zijn, 

'Voor moêrtjen of voor vaartje?' 

Zucht dag op dag die bleke Krijn, 

'Of zijn ze voor Grietjen of Saartje?' 

3 

' 'Wel Krijnbuur! wist je dat zo graag? 

' 'U wil ik het niet verzwijgen. 

"Je bent niet voor niets zo jentig vandaag, 

' 'Om alles uit me te krijgen. 



' 'Beloof maar dat je 't niemand zegt' ' 
Spreekt Kniertje, hoe langer hoe zachter; 
' 'De wereld is tegenwoordig zo slecht; 
' 'Ze zocht er zeker wat achter. 

146 




Anneke van Zandvoort, geliefd model van de schilder, naar de gravure 
van ]. H. Rennefeld. 



5 



' 'Die kousen zijn voor me moertje niet, 
' 'Ze passen niet voor me vaartje; 
' 'Ze zijn ook niet voor zuster Margriet, 
' 'Nog minder voor 't kleine Saartje. 



' 'Ze zijn voor geen oompje, ze zijn voor geen meui, 
' 'Hoe boog of hoe laag ze ook sprongen; 



M7 



' 'Ze zijn niet voor een oude kneu, 
' 'En niet voor een laffe jongen. 

7 

' 'Ze zijn- ze zijn- ze zijn- ze zijn- 

' 'Je zult het maar raden moetent 

' 'Die kousjes, zo netjes, zo fijn, 

' 'Ze zijn— voor twee blote voeten.' ' 

Ook andere dichters dan Beets hebben verzen geschreven bij de vissers- 
taferelen van Jozef Israëls. Onder hen was W. J. Hofdijk, die meer 
was gaan zien dan kloosters en kastelen. Men vindt zijn Twee Zonen 
- gesitueerd in het Zandvoort van de Spaanse tijd - in zijn Romanti- 
sche Poézy van 1867. De bijgevoegde gravure door Willem Steelink 
Sr. (Amsterdam 1826-Amsterdam 19 13) naar de schilderij van Israëls 
(waarvan men de aanloop al in het Zandvoortse schetsboek aantreft), 
wint het verre van het breedsprakige verhaal-in-dichtvorm van de 
ouder en kouder geworden Kennemer Minstreel. Dan had Carel Vos- 
maer beter de keurig-eenvoudige toon te pakken, in zijn aan J. Israëls 
opgedragen Zondagmorgen aan het strand (Vogels van diverse plui- 
mage, afdeling Gedichten, Leiden 1879). 

Behalve Jan van Walré, J. van Oosterwijk Bruijn (Het badhuis te 
Zandvoort, 1828) en W. J. van Zeggelen (De Wedren bij Zandvoort, 
6 en 7 september 1844) heeft ook S. J. van den Bergh - die een vrij 
groot aantal verzen aan het Noordwijkse vissersleven heeft gewijd 
(zie Gerard Brom, Schilderkunst en litteratuur in de 19e eeuw, Aula- 
reeks [ 1959] , blz. 47) - een gedicht in verband met Zandvoort geschre- 
ven. Door middel van De Visscher van Zandvoort (1847) — een hoog- 
bejaard man, wiens enige troost de eveneens vergrijsde poedel is - 
levert hij een langademig pleidooi voor een Nederlands pendant van 
het Britse Greenwich hospital, tehuis voor oude zeelui. 
Het voorbeeld van Jozef Israëls - ook omstreeks 1874 de ontdekker 
van het Gooise Laren (W. J. Rust, De Gooise Dorpen, blz. 46) - is 
door vele schilders gevolgd. Naast de Vlaming Timmermans en de 
Duitsers Mücke en Haver, mag — behalve de in Zandvoort overleden 
Duitse schilder Louis Corinth (1926) - genoemd worden Kasparus 
Karssen (Straat in Zandvoort, 1885) en de Duits-Joodse Max Lieber- 
mann (1847-1935), felle tegenhanger van de mijmerende Jozef Israëls. 
Wij zagen van hem o.a. een grandioze werkplaats, een open straatje 
en het tolhuis - alle drie van onmiskenbaar-Zandvoortse origine. Sinds 
1875 heeft Liebermann te Zandvoort gewerkt, waar hij o.a. — samen 
met de schilder Fritz von Uhde (1848-1911) - evenals Israëls bij de 
timmerman gelogeerd heeft. Later liet hij zich door Scheveningen in- 
spireren èn door het tevens zo mondaine Noordwijk. Heel fijn is het 
werk van Hendrik Hulk (een Amsterdamse schilder), die tussen 1880 
en 1890 in Zandvoort werkte en van wie men nog heel wat bij Zand- 

148 




Twee Zandvoortse schilderijen van H. Hulk (tegen 1890). 




* 1,'&fi»- ¥*nrï«,'. 



^mêÜÊÊ 



voorters aantreft. Ook van Willem Gruijter Jr. is Zandvoorts werk 
bekend: zo een bomschuit, met de Zwaan als redersembleem. 
Twee amateur-schilders mogen in dit overzicht niet ontbreken. Daar 
is allereerst de huisschilder P. H. van den Bos. In Het Wapen van 
Zandvoort - het enige echt-oude dorpscafé, waar men eigen-gemaakte 
drankjes drinken kan en waar het zand nog op de houten vloer ligt — 
kan men twee schilderijen van hem zien. Uit 1888: een pink op het 
strand, benevens een visser met kriel. Uit 1882: een treffend stuk met 
vechtende jongens (zwarte hoezee met rode baai eronder), kersvers 
terug van de haringvangst, vergezeld van meisjes in klederdracht — dit 
alles op een dorpsplein met witte palen. Voorts heeft Eugène Con- 
stant van Son (18 57-191 3) - een amateur-kunstschilder te Bloemen- 
daal, later te Haarlem - Zandvoortse dorpsmensen geportretteerd in 
olieverf (1904-1907). Men noemt :i. Menski [Molenaar geb. Drommel] 
uit het Diakoniehuis, oud 77 jaar (1904 of 1905); 2. Oude Griet (sep- 
tember 1904); 3. Oude Griet; 4. Jachtopziener Van der Valk, bijge- 
naamd Kees Vaar, op de rand van zijn bedstede zittend (1905); 5. De- 
zelfde, als aardappelschiller; 6. Moeder Zwemmer uit het armen- of 
oudemannenhuis (juli 1907). Niet te Zandvoort, maar in het atelier 
te Bloemendaal geschilderd : een oude en daarvoor uit Zandvoort ont- 
boden man. Misschien behoort ook tot deze Zandvoortse reeks een 
binnenhuis met vrouw aan het raam. 

Ook de Haarlemse weesjongen Jacobus van Looy (185 5-1930) had 
menige voetstap in Zandvoort liggen. Hiervan getuigt zijn als knaap 
reeds aangelegde tekenboekje bij Ael (door F. P. Huygens besproken 
in zijn De Academietijd van Jacobus van Looy, Elsevier 's geïllustreerd 
maandschrift, jrg. 50, deel 100, blz. 511, december 1940). Hiervan ge- 
tuigt al eveneens zijn De Visvrouw, door Godfried Bomans geken- 
schetst als een stuk lenig, welig en mals proza in versvorm (Elsevier- 
bloemlezing, herfst 1953). Eerst opgenomen in De Nieuwe Gids, jrg. 
1928, deel I, blzz. 400-405, werd De Visvrouw twee jaar later bijge- 
voegd in Jacob, het laatste deel van Van Looy's trilogie, waar men 
het gemakkelijk vinden kan. Onze waardering is, uit een dialektoog- 
punt, minder groot dan die van Bomans. Met leupen en leupt voor 
lóópe en lóópt en met neie voor nuwe en met meistal voor miestal en 
met verkleinwoorden op -ke (streepke) weten wij op Zandvoort geen 
raad, in geen oude en in geen nieuwe tijd. Maar aan de andere kant 
worden ook wij, met onze volkskundige oriëntatie, verblijd door plas- 
tische elementen die de aan Tachtig geschoolde kunstenaar voordelig 
onderscheiden. Wij zien haar vóór ons, deze visvrouw Ael, met de 
schulprand van haar hoed en met de rok wit-blauw gestreept en voor 
de schoot geschort. Dankbaar noteren wij zeldzame woorden als 
poepenoderig voor verwachtend-onderdanig-beleefd en het zeldzame 
wen, dat Dr. G. J. Boekenoogen {De Zaansche Volkstaal) in oude keu- 
ren ontmoette (wen halen, in verband met volksgebruiken) en dat Dr. 
G. D. J. Schotel als folkloristische formule in Noordwijk-Noordwijker- 



150 




Zandvoorts straatje, omstreeks 1890. Ets van J. M. 
Roggen. (Rijksarchief, Haarlem) 



Graadt van 



hout signaleerde (Vrou Abdis, geef je wen in zijn Oude zeden en ge- 
bruiken in Nederland, Dordrecht 1859, blz. 4 - 'wen' is echter 'mand'). 
Wij zien het dorp voor onze ogen liggen; inklusief de opstekende 
schelpkar die Van Looy ook al eens in krijt getekend heeft (1872): 

...'t opene, duinzanderige straatje, 

waar tussen schuttingen van schuitenplanken was een hobbelpaadje 



ijr 



en waar de scharren aan hun lijn te drogen hingen, 

van daakje naar rooie daakje, allerlei geriefelijke dingen, 

potten lagen en pannen, groot en klein, 

zo enkel maar in strandgehuchten zijn; 

en waar een schelpkar rees, hoe kwam die daar zo hoog? 

met allebei zijn bomen de lucht-met-meeuwen in toog. 

Onze beschouwingen over het oud-Zandvoortse volksleven zijn wij bij 
het volk begonnen, en met des volks voortreffelijke zonen, zijn kunste- 
naars, zijn wij geëindigd. Een dergelijk besluit bewijst eens-te-meer 
welke waarden deze oud-Zandvoortse volkskultuur in zich bergt voor 
wie de rechte kijk bezit. 

DR. TJ. W. R. DE HAAN 



x._ 



/> 



U.J— s ' 






-v 



«~-> 



Naar Zandvoort in 191 j! 



152 



Keizerin Elisabeth te Zandvoort 1884-'S5 



Elisabeth, genaamd Sissi, werd geboren op 24 december 1837, zij 
werd op 10 september 1898 vermoord door een anarchist, die later in 
de gevangenis zelfmoord pleegde. Op 24 april 1854 huwde zij met 
keizer Frans Jozef de eerste van Oostenrijk. In het boek Elisabeth, van 
Egon Caesar Conté Corti, in het Nederlands bewerkt door Maria 
Heemskerk, lezen we op bladzijde 238 ev. (in de 8ste druk op blad- 
zijde 200): 

'De ischias of nerveuze pijnen van Elisabeths voeten worden intussen 
door de vele krachttoeren steeds erger. En in mei 1884 reist zij opeens 
halsoverkop naar Amsterdam om daar de toentertijd wereldberoemde 
Dokter Mezger te raadplegen. Dit is een kort aangebonden heerschap, 
die een massagekuur van zes weken als vereiste voor haar beterschap 
stelt. Hij bereikt er echter weinig mee, daar Elisabeth ook in Holland 
overmatig aan sport blijft doen en eens zelfs tien uur achter elkaar 
marcheert. Zij wordt zó prikkelbaar, dat Dokter Mezger de kuur af- 
breekt en blij is, Hare Majesteit te zien vertrekken. In juli 1884 komt 
Elisabeth in Beieren terug en de Hollandse dokter, met wie zij dweept, 
juist omdat hij zo kortaf tegen haar is, heeft tenminste bereikt dat zij 
nu regelmatig en behoorlijk eet. Hij dreigde n.1. dat zij binnen twee 
jaar een oude vrouw zou zijn, wanneer zij voortging zich zo slecht te 
voeden. Maar de tochten, zelfs bij stromende regen, worden voortge- 
zet. De verblijfplaats voor de herfst is natuurlijk weer Gödöllö in Hon- 
garije en in november ook Of en (Boedapest). Daar ontvangt Elisabeth 
de koningin van Roemenië, Carmen Sylva, met wie zij in veel opzich- 
ten overeenstemt en die haar aanraadt het dichten te hervatten, 'als 
bliksemafleider voor allerlei leven'. Dezelfde raad had Valerie, haar 
moeder, ook dikwijls gegeven. 

Voorlopig verdiept de keizerin zich alleen nog maar in haar twee 
lievelingsdichters, Heinrich Heine en Homerus. Na de wintercam- 
pagne in Boedapest en Wenen, die haar geduchte 'hofbalhoofdpijn' 
bezorgde, zoals Valerie het zelf noemt, gaat zij in maart 1885 weer 
een kuur doen bij dokter Mezger in Amsterdam. Zij huurt een villa in 
Zandvoort. En hier is het, dat na 30 jaren weer een gedicht ontstaat 
in de trant van Heine en tegelijk een verheerlijking van de Homerische 
Achilles, die meer en meer Elisabeths droomheld wordt. In de tuin van 
Miramar bij Triest, (een buitenverblijf van de keizerlijke familie) 
heeft zij een beeld van zijn stervende figuur laten plaatsen. 
De steeds wisselende schoonheid van de zee geeft haar stof tot vele 

153 



dichtproeven en zij ziet zichzelf als een rusteloos zwierende zeemeeuw, 
die nergens neerstrijkt om er lang te blijven. Uit haar poëtische dro- 
men wordt zij vrij hardhandig gewekt door een zekere Leon Binds- 
huyden, een als heer gekleed persoon, die op straat in Amsterdam haar 
waaier met zijn paraplu opzij slaat. De politie verhoort hem en hij 
verklaart alleen het gezicht van de zich zo verbergende dame te heb- 
ben willen zien. De Nederlandse regering betuigt haar leedwezen, maar 
voor Elisabeth is het een waarschuwing, om zich niet overal volkomen 
veilig te wanen. 

Van Amsterdam gaat de reis over Heidelberg. In december wenste zij 
vanwege haar ischias weer naar dokter Mezger te reizen, doch zij werd 
door haar dochter Valerie hiervan afgehouden. Elisabeths wanhopige 
klachten komen haar dochter overdreven voor. Wanneer zijn vrouw 
zelfs toespelingen maakt op zelfmoord, verklaart Keizer Frans Jozef 
eenvoudig: 'Dan kom je in de hel'. Tot zover het interessante verhaal 
van Graaf Corti. 

Wat het verblijf in Zandvoort van deze 'merkwaardige vrouw' betreft, 
weten wij dus, dat zij ter genezing een bezoek bracht aan dokter Mez- 
ger in Amsterdam. Deze oefende praktijk uit in het Amstelhotel al- 
daar. Op 2 mei 1884 kwam H.M. met gevolg per extra trein in de 
hoofdstad aan. Zij reisde streng incognito onder de naam van Gravin 
von Hohenembs. Het incognito betekende echter niet zoveel, want 
spoedig vertelden de bladen dat de keizerin van Oostenrijk in Amster- 
dam was. Zij nam haar intrek in Bracks Doelenhotel. De keizerin 
hield ervan, zich vroeg ter ruste te begeven en tijdig op te staan. Direct 
na aankomst begaf zij zich naar de beroemde medicus en bracht ver- 
der haar dagen door met het maken van uitstapjes in Amsterdam en 
naar de Zaanstreek, naar Alkmaar, Volendam, Marken enzovoort. 
Ook de lijfarts van de keizerin, Hofrath Wiederhofen, had op de dag 
van aankomst een konferentie met dokter Joh. G. Mezger. Het resul- 
taat daarvan was de raad aan de Keizerin, direkt met de voorgenomen 
kuur te beginnen. 

Op 9 mei 1884 bezocht de keizerin met haar inmiddels overgekomen 
dochter Valerie en gevolg van vijf personen de badplaats Zandvoort. 
Daar werd een wandeling van een paar uur langs het strand gemaakt. 
Het diner werd daarna gebruikt in Hotel Kaufmann (Hotel d'Orange). 
Met de avondtrein keerde het hoge gezelschap terug naar Amsterdam. 
De volgende dag echter, kwam H.M. weer naar Zandvoort, waar zij 
met grote belangstelling keek naar het veilen van de vis op het strand, 
van de pinken aldaar aan land gebracht. 

Ook het oude Kennemerland, met zijn zee en duinen en vele oude bui- 
tenplaatsen, oefende op de keizerin een grote bekoring uit. In Velsen 
stelde de heer Wüste zijn Zwitserse chalet 'Spaar en Berg' aan de 
Wüstelaan te Santpoort aan haar ter beschikking. Op 14 mei ver- 
trok het stalpersoneel met vier paarden naar Santpoort, waar de 
viervoeters ondergebracht werden in de stal van 'Spaar en Berg' om 



154 




Keizerin Elisabeth. Schilderij van Winterhalter (1864). 

Was will die einsame Trane? 
Sie trübt mir nur den Bliek. 
Sie blieb aus alten Zeiten 
In meinem Aug' zurück! 

Heinrich Heine. 



daar te dienen voor uitstapjes van de keizerin door de omgeving. 
Omstreeks 18 mei 1884 nam de keizerin in hotel Kaufmann te Zand- 
voort met haar gevolg, bestaande uit 1 5 personen, elf appartementen 
in gebruik. In de vroege morgenuren na het ontbijt werden kleine 
wandelingen langs het strand gemaakt, die zich soms ook door de 
duinen uitstrekten tot Santpoort, vanwaar H.M. dan gewoonlijk te 
paard naar Zandvoort terugkeerde, altijd zoveel mogelijk langs het 



strand. Na het diner wandelde zij wederom langs de zee en begaf zich 
dan vroeg ter ruste. Op 26 mei bezocht de keizerin voor de tweede 
maal Den Haag en Scheveningen en legde deze tocht geheel te voet af. 
Bij terugkomst in Zandvoort, was het die dag blijkbaar prachtig weer, 
want het was te Zandvoort 'zeer vol'. 'De Ton', welke op het duin 
geplaatst was, niet ver van Hotel Kaufmann, bood waarschijnlijk een 
aantrekkelijke rustplaats, want vandaar verlustigde de keizerin zich 
in de schone aanblik van zee en strand. Des morgens ging de keizerin 
in deze tijd naar Dokter Mezger, des middags was zij dan weer in 
Zandvoort, omdat de zee een grote aantrekkelijkheid voor haar bezat. 
En hoewel H.M. zelf de beschikking had over een luxe equipage, gaf 
zij voor haar ritjes in de omgeving meermalen de voorkeur aan het 
eenvoudige oude brikje van de stalhouder Driehuijzen te Zandvoort. 
Zij hield van lange wandelingen langs het strand en wilde ook te voet 
naar Noordwijk, doch moest daarvan afzien, omdat haar gevolg be- 
zwaar maakte tegen deze wandeling van drie uur heen en drie uur terug 
door het vaak mulle zand. Meermalen maakte zij echter deze tocht 
per rijtuig langs het strand. Een vierwielige boerenwagen met brede 
wielen, goed voorzien van kussens en dekens en met twee paarden be- 
spannen, werd hiervoor gebruikt. 

Tijdens haar verblijf in hotel Kaufmann maakte de keizerin gebruik 
van de badinrichting 'Neptunus', die geëxploiteerd werd door de heer 
Kaufmann in compagnonschap met de heer Jan Hollenberg, de vader 
van de heer Jan Hollenberg, die later in de Zuiderstraat woonde. Van 
de toen nog witgeschilderde badkoetsen werden de nummers 1 en 2 
gereserveerd voor de keizerlijke familie. In deze beide koetsen hing 
tegenover de deuropening een spiegel, waarnaast aan de ene zijde de 
Oostenrijkse en aan de andere kant de Nederlandse vlag was geschil- 
derd. 

Meerdere malen woonde keizerin Elisabeth de mis bij in de Parochie- 
kerk te Zandvoort, die werd gelezen door pastoor W. Hoorneman 
van de parochie van de H. Augustinus te Amsterdam, aan wie daar- 
toe het verzoek was gedaan. Later woonde de keizerin ook diensten 
bij, die geleid werden door de Zandvoortse pastoor 1'Ami. Deze kon 
tevreden zijn over het verblijf van zijn hoge gaste in Zandvoort, want 
zij schonk de pastoor een zeer fraaie en waardevolle kazuifel, waar- 
aan zeer veel goud-brokaat verwerkt was en die vervaardigd werd in 
Wenen. Aan de achterzijde zijn onderaan de wapens van de keizer- 
lijke familie geborduurd, waarboven de Oostenrijkse kroon is aange- 
bracht. Dit kazuifel verkeert ook thans nog altijd in zeer goede staat 
en wordt nog steeds gebruikt. 

De zee trok de keizerin onweerstaanbaar. Zo begaf zij zich ook naar 
IJmuiden en maakte vandaar over zee een tochtje met de Hercules. 
Op maandag 9 juni, daags voor haar vertrek, bezocht zij Apeldoorn, 
waar Het Loo werd bezichtigd. Op ro juni vertrok H.M. Volgens de 
pers heeft zij zich in die dagen zo vrij in Zandvoort kunnen bewegen, 

156 




Dr. Joh. G. Mezger. (Verz. G. N. de Heer) 



omdat de bevolking en de bezoekers van het zeedorp haar niet hinder- 
den en haar incognito streng eerbiedigden. 

Daardoor rijpte bij haar het plan, zes weken later terug te komen, 
doch het duurde tot 27 februari 188 j, alvorens de keizerin weer in 
Amsterdam kwam, om de het vorig jaar afgebroken kuur bij dokter 
Mezger voort te zetten. Kort na haar aankomst vertrok zij alweer 
naar Zandvoort, waar de heer Ricard, chef van de firma Ricard en 
Freiwald te Amsterdam, haar als gaste in zijn villa 'Paula' aan de 



IJ7 



Noordboulevard ontving. Dit landhuis was voor een gedeelte nieuw en 
op waarlijk vorstelijke voet voor de hoge gaste ingericht. De maal- 
tijden werden in Bracks Doelenhotel bereid en uit Amsterdam in villa 
Paula bezorgd. Bij kleine uitstapjes van IJmuiden uit maakte de keize- 
rin gebruik van het Engelse stoomjacht 'Santé Cecilia' van Lord Paget. 
Het was een fraai ingericht en goed bemand ijzeren stoomschip. Deze 
boottochten bekwamen H.M. blijkbaar goed, want op 1 1 maart maakte 
ze met hetzelfde schip weer een tochtje, overnachtte aan boord van 
het jacht en kwam 's morgens om 6 uur in IJmuiden weer binnen, 
doorstomend naar Amsterdam, waar de keizerin moest zijn voor de 
behandeling door dokter Mezger. Op ij maart herhaalde zij deze 
tocht nog eens. Op 29 maart 1885 overhandigde H.M. in zeer vleiende 
bewoordingen aan dokter Joh. G. Mezger de onderscheidingstekenen 
van Groot Officier met de Ster in de orde van Frans Jozef, hem door 
Z.M. de Keizer verleend. Daarna kwam weer het afscheid. Per spoor 
vertrok de keizerin naar IJmuiden. Daar wachtte de 'Santé Cecilia' 
voor een vijfdaagse tocht langs de Engelse kust. Daarna ging de boot 
naar Vlissingen en werd per keizerlijke trein de tocht naar Heidelberg 
voortgezet, waar haar dochter Valerie haar opwachtte. 
Het gedicht van Heine onder het portret van de keizerin was haar 
lievelingsgedicht. Het is ingebeiteld in het monument, dat zij liet plaat- 
sen in het park van het kasteel Achileion op Korfoe. Naar men zegt, 
had zij in verband met het vele verdriet in haar leven (kroonprins 
Rudolf en het drama van Mayerling) de laatste regel willen verande- 
ren in: 'In meinem Mutteraug zurück'. Uit piëteit tegenover de grote 
dichter heeft zij dit echter niet willen doen. 

Zo eindigde het bezoek van keizerin Elisabeth van Oostenrijk aan 
Zandvoort, een bezoek, dat ook nu nog in de harten van vele oud- 
Zandvoorters voortleeft en dat van vader op zoon wordt oververteld. 

G. N. DE HEER 



ij8 



Kulturele verenigingen en instellingen 



Zandvoortse Muziekkapel 

Tamboerkorps van de Zandvoortse Muziekkapel 

Accordeonvereniging 'Zandvoort' 

Hervormd Kerkkoor 

Gereformeerd Kerkkoor 

R.K. Kerkkoor 'Sint Caecilia' 

Zandvoorts Christelijk Kinderkoor 

FEELBEA - sextet 

Zandvoorts Bejaardenkoor 

Vereniging 'Toonkunst Oratoriumkoor Zandvoort' 

'Stichting Culturele Kring 't Helm' Zandvoort 

Zandvoortse Folklore Vereniging 'De Wurf ' 

Zandvoortse Volksdansvereniging 

Toneelvereniging 'Wim Hildering' 

Toneelvereniging 'Op Hoop van Zegen' 

Toneelvereniging 'Sandevoerde' 

Zandvoortse Operettevereniging 

Operettevereniging 'Jong Zandvoort' 

Jongeren toneelgroep 'Met de helm geboren' 

Nederlands Padvindstersgilde 'Zeedistelgroep', afdeling Zandvoort 

Verkenners van de Katholieke Jeugdbeweging, afdeling Zandvoort, 

'Sint Willibrordus' 

'De Nederlandse Padvinders', afdeling Zandvoort, 'The Buffalo's' 

Hervormde Jeugdraad 

Gereformeerde Jeugdcentrale 

Rooms Katholieke Jeugdraad 

Hervormde Jeugdvereniging 'De Vliegende Schotel' 

Speeltuinvereniging 'Kindervreugd' 

Rooms Katholieke Jeugdvereniging 'Y.O.K.A.' 

Openbare bibliotheek en leeszaal 

Fotokring Zandvoort 

Stichting Gemeenschapshuis Zandvoort 

Volksmuziekschool Zandvoort, onderafdeling V.M.S. Haarlem 

(1968) 



iJ9 



Epiloog 



In 1960 verscheen Oud-Zandvoort. Het werd officieel aangeboden 
ten gemeentehuize, in een gezellige bijeenkomst, en het raakte binnen 
een paar jaar uitverkocht. Het was dan ook een werkje van liefde, 
door de diverse medewerkers vol toewijding samengesteld, en door 
Gertenbachs Drukkerij op een vlekkeloze wijze gedrukt. En de Zand- 
voorters, zowel de oude kern als de nieuw aangekomenen, houden 
van hun dorp. 

Nu, in 1968, komen wij andermaal met ons geschrift over Zand- 
voort voor den dag, ditmaal onder de titel Gort met stroop. En wel 
in de reeks 'Stad en Dorp' (die zal worden voortgezet, naar het zich 
laat aanzien, met Warmond, Eemland, Volendam, Scheveningen, Kat- 
wijk, Haarlemmermeer en wat zich nog meer zal aanbieden aan volks- 
kundig georiënteerde dorpsmonografieën). Ook wie Oud-Zandvoort 
al bezit, kan nog heel wat nieuws vinden in Gort met stroop: de tekst 
werd uitgebreid (en waar nodig óók bekort), het plaatjesmateriaal 
vernieuwd en sterk vermeerderd, nieuwe medewerkers werden aan- 
getrokken. 

Nagenoeg tegelijkertijd verschijnt 'Zandvoort in oude prenten', dat 
vooral een beeld wil geven van de periode 1840-1940, toen alles zo 
helemaal anders was op Zandvoort dan in dit haastige en gejaagde 
1968, nu het een het ander verdringt. 

Daarnaast verblijden wij ons ten zeerste over het nieuwe, dat ook in 
Zandvoort allerwegen is opgeschoten. Er is - om uit het vele eens iets 
te noemen - een veertigtal verenigingen, waarbij een kulturele-avon- 
den-inrichtende als 't Helm en een drietal toneelklubs. 'Toneel speule 
dat kenne ze op Zanfert. Bai 't eerste spul dat ze hier opvoerde, is 
er nog ien 'n oog oiteschote. Dat was mit dat stik van Witte van Haem- 
stede op de Blenk, de Blinkerd!' 

Dorpen als Zandvoort hebben kultureel gezien, een dubbele taak. 
Aan de ene kant dienen zij gulhartig mee te doen met alles wat juist het 
moderne leven te bieden heeft, ja, in zekere zin dienen zij de Stad 
binnen het Dorp te halen. Doch aan de andere kant moeten zij be- 
waren en als dat kan verder ontwikkelen c.q. opnieuw in-het-leven- 
roepen wat hun is overgebleven aan een traditionele volkskultuur die 
hen van alle andere dorpen tot op zekere hoogte onderscheidt. Het 
ziet er naar uit, dat Zandvoort deze tweezijdige opdracht verstaat en 
wij kunnen ons daarom als historisch en sociologisch ingestelde kuituur- 
onderzoekers, als volkskundigen, dan ook uitermate verheugen in het- 

161 



geen een zo sterk wisselend dorpsleven als dat van Zandvoort ons op 
het stuk van een desalniettemin tamelijk kontinue ontwikkeling te zien 
geeft. Dat dit in lengte- van-dagen aldus blijven moge: een goede har- 
monie tussen verleden, heden en toekomst benevens een echte gebor- 
genheid, niet alleen wat de oud-Zandvoortse kern betreft, in een ge- 
zamenlijk omhoog strevende gemeente die nog veelszins een gemeen- 
schap genoemd mag worden. 

Santpoorterplein 28, Haarlem 

DR. TJ. W. R. DE HAAN 



162 



Bibliografie 



H. Zoeteboom, DeZaanlants Arkadia, i6$8, blz. 143 vgl. 
G. Tijsens, Haarlemmer duinzang van Sandvoort af tot Haarlem, 
1728. 

Tegenwoordige staat der Vereenigde Nederlanden, VIII, blz. 250 vgl, 
Amsterdam, 1750. 

Jac. Kok, Vaderlandsch woordenboek, XXXIV, blz. 41 vgl. Amster- 
dam, 1795. 

A. ]. van der Aa, Aardrijkskundig woordenboek, XIII, blz. 85 vgl. 
Gorinchem, 185 1. 

F. Allan, Geschiedenis en beschrijving van Haarlem, II, blz. 140 vgl. 
Haarlem, 1877. 

F. Allan, Bad Zandvoort, Amsterdam, 1 8 8 1 . 
Noordzeebad Zandvoort, Amsterdam, 1891. 

F. Anderheggen en L. J. Neumeyer, Amsterdam zeebadplaats, Amster- 
dam, 1897. 

ƒ. M. Sterck-Proot, Geschiedenis van Zandvoort (hs. gemeente archief 
Haarlem). 

P. van der Mije, Van Mullevoorde tot badplaats, Zandvoort, 1950. 
Idem, De geschiedenis van de Nederlands Hervormde Kerk te Zand- 
voort, 1960. 

Idem, Leert de zee kennen, 1951. 
Idem, De zee, 1932. 

P. N. van Doorninck, Inventaris van het oud-archief der heerlijkheid 
Zandvoort, 1892. 

F. E. Posthumus Meyjes, De heeren van Zandvoort. In: Nederlandsche 
Leeuw, 1920. 

C. S. Buys Ballot, De heeren van Zandvoort. In: Nederlandsche 
Leeuw, 1921. 

B. W. A. Sloet tot Oldhuis, Oeconomische beschrijving van de bad- 
plaats Zandvoort, 1863. 

Rapport van de badplaats Zandvoort, 1947. 

Zandvoort, een sociaal geografisch struktuuronderzoek. Utrecht, 1957. 

Een bezoek aan Zandvoort. In: Eigen Haard, 1881. 

J. Adel, Zandvoort in wintertijd. In: Eigen Haard, 19 12. 

Van drie badplaatsen; Zandvoort en hare uitbreiding. In: Op de 

Hoogte, 19 17. 

G. van Nes-Uilkens, Voorjaar te Zandvoort. In: Morks' Magazijn, 
1920. 

163 



Idem, Zandvoort. In: De Hollandsche Revue, 1921. 
Zandvoort (door Ro van Oven). In: Buiten, 1930. 
J. van Oosterwijk Bruijn, Het badhuis te Zandvoort, 1828. 
De wedloopen en harddraverijen, ingesteld door de Sociëteit tot aan- 
moediging en verbetering van het paardenras, gehouden op het terrein 
der Sociëteit nabij Zandvoort, 1844. 
W. J. van Zeggelen, De wedren bij Zandvoort, 1844. 
Een Hollandsche wedloop. Door Hippolytus [A. Beets], 1844. 
Inwijding van de bewaarschool te Zandvoort. Leeuwarden, 1845. 
Hoog zeewater te Zandvoort, 1792. In: Zaanlandsch Jaarboek, 1850. 
Hs. Jan Snijer, eigenhandige levensbeschrijving (archief mej. E. Bakels 
te Zandvoort). 

Het nieuwe Kurhaus te Zandvoort. In: De Bouwwereld, 19 13. 
C. D. Scheer en G. A. van Dieren, De eerste electrische tram in Neder- 
land. 
Bijdrage tot de kennis van de opkomst van Zandvoort als badplaats 

(r938)- 

Prof. Dr. H. J. A. Duparc, Zandvoorts tram. In: Op de rails, decem- 
ber 1959 (jrg. XXVII). 

H J. Barnhoorn en Joh. G. Crabbendam, Honderdjarig bestaan van 
de parochie Sint Agatha te Zandvoort, 195 1. 

E. C. M. Roderkerk, De Kennemer duinen, II. Van vloedlijn tot bin- 
nenduin, 1959. 

Dr. B. van den Berg, Het dialect van Zandvoort en zijn plaats in de 
Hollandse dialecten, 1959. 

Cees van der Meulen, Zandvoort, foto's en tekst ( + 1960). 
W. M. B. Bosman, Zandvoort in de jaren 1 945-1965, Zandvoort 1965. 
Dr. W. J. de Gruyter c.s., Herdenkingstentoonstelling Jozef Israëls, 
1824-1911, Groningen 1961 (en Arnhem 1962). 



164 



Inhoud 



7 Ten geleide 

9 Zandvoort nu, W. M. B. Bosman 

19 Geschiedenis van Zandvoort voordat het badplaats werd, 
Dr. G. H. Kurtz 

3 j Geschiedenis van Zandvoort nadat het badplaats werd, 
P. van der Mije KCzn 

5 5 De visserij en de oude kustplaatsen, C. V arkevisser 

72 Het architektonisch verleden van Zandvoort, 
Drs. R. C. Hekker 

97 Het vroegere volksleven, Dr. Tj. W. R. de Haan 

136 Van Jozef Israëls en andere schilders, 
Dr. Tj. W. R. de Haan 

153 Keizerin Elisabeth te Zandvoort. 1 8 84— '8 5 
G. N. de Heer 

1 J9 Kulturele verenigingen en instellingen 

161 Epiloog, Dr. Tj. W. R. de Haan 

163 Bibliografie, Dr. G. H. Kurtz